Update
Geachte heer/mevrouw,
Rechtspraak
De afgelopen week is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs.
Medeplegen Nijmeegse Scooterzaak (SR 2013-0505)
Het Openbaar Ministerie klaagt over de door het hof gegeven vrijspraak, primair ten laste van doodslag, subsidiair door schuld in het verkeer en meer subsidiair gevaarzetting op de weg. Het hof heeft de vrijspraak in de kern gebaseerd op de vaststelling dat niet is gebleken van enige samenwerking tussen de beide verdachten over de wijze waarop zij zich aan de controle door de politie wilden onttrekken vanaf het moment dat zij zich ter hoogte van het Belvoir-hotel betrapt voelden. De Hoge Raad geeft aan dat voor het medeplegen van een met de vlucht verband houdend misdrijf, geenszins is uitgesloten dat de voor het medeplegen van dat misdrijf relevante samenwerking reeds voordien – in dit geval in het kader van de voorbereiding van het medeplegen van de overval – is ontstaan.
De Hoge Raad merkt op het hof kennelijk geoordeeld heeft dat de wijze waarop de beide verdachten met de scooter zijn gevlucht, niet als een zó waarschijnlijke mogelijkheid in de eerdere nauwe en bewuste samenwerking met het oog op de voorgenomen overval besloten lag, dat wat die vlucht betreft van medeplegen kan worden gesproken. Gelet op de vaststelling en overwegingen die het hof heeft gedaan acht de Hoge Raad dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk. Bovendien is de opvatting dat ‘om tot een bewezenverklaring van medeplegen te kunnen komen in een situatie waarin niet vaststaat wie de bestuurder is geweest, (...) vereist (is) dat de rollen van de bestuurder en de bijrijder volstrekt inwisselbaar zijn’, onjuist.
‘Mierenneuker’-belediging in de zin van artikel 266 afhankelijk van context (SR 2013-0506)
De verdediging klaagt over het door het hof gegeven oordeel dat het toeroepen van het woord ‘mierenneuker’ aan ambtenaren in functie als belediging in de zin van artikel 266 Sr is aangemerkt. Bewezen verklaard is dat de verdachte de uitlating meerdere malen heeft gedaan tegen verbalisanten gedurende een scootercontrole. De Hoge Raad herhaalt de overweging dat van belediging sprake kan zijn indien de uitlating de strekking heeft anderen aan te vallen op hun eer en goede naam. Het oordeel dat daarvan sprake is, zal bij woorden waarvan het gebruik op zichzelf in het algemeen niet beledigend is, afhangen van de context waarin de uitlating is gedaan. De context waarin het op zichzelf niet beledigende woord ‘mierenneuker’ is geuit, is blijkens het hof tijdens controlewerkzaamheden van de politie waarbij de bromfiets van verdachte werd gecontroleerd. Daarmee heeft het hof zijn oordeel dat onder deze omstandigheden het woord ‘mierenneuker’ de strekking heeft de personen tot wie de uitlatingen waren gericht in hun eer en goede naam aan te tasten en dat dit woord derhalve in het onderhavige geval als beledigend moet worden aangemerkt, tot uitdrukking gebracht.
Verwerping noodweer (exces) zonder nadere motivering onbegrijpelijk (SR 2013-0509)
De verdediging klaagt over de bewezenverklaring van opzettelijke mishandeling zonder begrijpelijke verwerping van beroep op noodweer of noodweer(exces) door het hof. Het hof heeft dat verweer als volgt samengevat en verworpen: Het hof is van oordeel dat op grond van zowel het onderzoek ter terechtzitting, als de verklaringen in het dossier, niet aannemelijk is geworden dat verdachte heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging van zichzelf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Het beroep op noodweer(exces) wordt derhalve verworpen. Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. De Hoge Raad acht zonder nadere motivering het oordeel van het hof dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging van zichzelf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, onbegrijpelijk.
Opgave bewijsmiddelen 359 lid 3 Sv (SR 2013-0510)
De verdediging klaagt namens verdachte ten aanzien van wie door de rechtbank is bewezenverklaard dat hij een poging tot oplichting heeft gedaan, dat dit door het hof niet had mogen worden bevestigd, omdat de rechtbank het bepaalde in artikel 359 lid 3 niet heeft nageleefd. De Hoge Raad geeft aan dat de bepaling van artikel 359 derde lid Sv in het licht van de wetsgeschiedenis aldus moet worden verstaan dat slechts met een opgave van de bewijsmiddelen kan worden volstaan indien de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, tenzij sprake is van de aan het slot van die bepaling genoemde gevallen. Het kennelijke oordeel van het hof dat verdachte ter terechtzitting in hoger beroep de feiten, zoals die door de rechtbank bewezen zijn verklaard, duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, is niet onbegrijpelijk.
SR Annotatie
Bekijk hier de nieuwe annotatie van Joost Nan bij de uitspraak van de Hoge Raad ten aanzien van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’, op 10 december 2013 (ECLI:NL:HR:2013:1755).
SR Talk Sessie
Graag wijs ik u op de SR-Talk sessie van 30 januari 2014, waarin de actuele jurisprudentie wordt besproken. De link is te vinden op deze site .
Weinig tijd maar toch up to date blijven?
Volg de online jurisprudentiebespreking Strafrecht, inclusief PO-punten. In één uur tijd en op hoog niveau wordt u door prof. Paul Mevis, dr. Joost Nan of mr. Joost Verbaan bijgepraat over de laatste ontwikkelingen binnen het strafrecht. U kunt daarbij denken aan jurisprudentie, wetsvoorstellen of belangwekkende tijdschriftartikelen.
Data: 30-1, 6-3, 17-4, 5-6, 3-7, 4-9, 30-10, 11-12.
Tijd: 17:00 tot 18:00 uur
Kosten: € 69 excl. btw (1 PO-punt)
Meer informatie en inschrijven: www.lawatweb.nl
Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar sr-updates@budh.nl.
Veel leesplezier!
Met vriendelijke groet,
J.H. J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates
Hoge Raad
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt ECLI:NL:HR:2009:BJ9796. Het gebruik van het woord ‘mierenneuker’ is op zichzelf niet beledigend, zodat in casu de vraag of dit belediging oplevert afhangt van de context waarin dat woord is gebezigd. Gelet op de context geeft ’s hofs oordeel dat i.c. het woord ‘mierenneuker’ de strekking heeft de personen tot wie de uitlatingen waren gericht in hun eer en goede naam aan te tasten en dat dit woord derhalve i.c. als beledigend moet worden aangemerkt niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel evenmin onbegrijpelijk. 17-12-2013
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt ECLI:NL:HR:2013:150 m.b.t. verwerven en voorhanden hebben van voorwerpen verkregen uit eigen misdrijf. Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen afkomstig zijn uit een door verdachte zelf begaan misdrijf. Uit het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep noch uit de aan dat proces-verbaal ter terechtzitting gehechte pleitaantekeningen blijkt dat door of namens verdachte is aangevoerd dat het aangetroffen geldbedrag afkomstig is uit eigen misdrijf, terwijl uit de door het hof gebezigde bewijsvoering evenmin rechtstreeks voortvloeit dat aannemelijk is dat het geldbedrag afkomstig is uit een door verdachte zelf begaan misdrijf. 17-12-2013
- Hoge Raad De Hoge Raad vernietigt de beschikkingen van de rechtbank met de nrs. RK 12/24 en RK 12/05 en verklaart de klagers alsnog niet-ontvankelijk in hun inleidende klaagschriften, nu zij aan hun verzoek tot opheffing van de conservatoire beslagen niet ten grondslag hebben gelegd dat zij als rechthebbende van de onroerende zaken moeten worden aangemerkt, terwijl een derde in geval van conservatoire beslagen die zijn gelegd op de voet van artikel 94a lid 3 Sv alleen over de inbeslagneming kan klagen indien en voor zover het beklag gebaseerd is op de grond dat hij en niet de beslagene als rechthebbende van de in beslag genomen zaak moet worden aangemerkt. De Hoge Raad herhaalt ECLI:NL:HR:2010:BL2823 met betrekking tot het summiere karakter van het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift ex artikel 552a Sv, o.a. om te voorkomen dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of ontnemingszaak te geven oordeel. De rechtbank heeft onderzocht of de gedragingen die aan de klaagsters worden verweten voldoende blijken uit het dossier. Daarmee is de rechtbank te zeer vooruitgelopen op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofdzaak of in de ontnemingszaak. De beslissing van de rechtbank is ontoereikend gemotiveerd. 17-12-2013
- Hoge Raad Slagende bewijsklacht opzetheling. 17-12-2013
- Hoge Raad In het licht van de wetsgeschiedenis moet artikel 359 lid 3 Sv aldus worden verstaan dat slechts kan worden volstaan met een opgave van de bewijsmidelen indien verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, tenzij sprake is van de aan het slot van die bepaling genoemde gevallen. ’s Hofs kennelijke oordeel dat verdachte ter terechtzitting in hoger beroep de feiten zoals die door de rechtbank bewezen zijn verklaard duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Gelet daarop heeft verdachte onvoldoende belang bij zijn klacht dat het hof het vonnis van de rechtbank niet had mogen bevestigen omdat de rechtbank artikel 359 lid 3 Sv niet heeft nageleefd. 17-12-2013
- Hoge Raad Het hof heeft vastgesteld dat verdachte nadat hij van de medeverdachte hoorde dat de auto die hij, verdachte, bestuurde, was gestolen, met deze auto nog een minuut à anderhalve minuut is doorgereden. ’s Hofs oordeel dat verdachte over de auto en het bijbehorende kentekenbewijs een zodanige feitelijke zeggenschap had dat hij die voorwerpen in de zin van artikel 420bis Sr ‘voorhanden heeft gehad’, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Voor zover het middel klaagt dat het voorhanden hebben van de voorwerpen door verdachte niet heeft bijgedragen aan het verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen en dat het bewezen verklaarde daarom op grond van regels uit recente rechtspraak van de Hoge Raad niet als witwassen kan worden gekwalificeerd, miskent het dat deze rechtspraak alleen betrekking heeft op het verwerven of voorhanden hebben van voorwerpen terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf (vgl. ECLI:NL:HR:2013:2002). Conclusie A-G: anders. 17-12-2013
- Hoge Raad Verlenging verjaringstermijn bij overtredingen van 2 naar 3 jaar. De Hoge Raad herhaalt ECLI:NL:HR:2010:BK1998. Het uitgangspunt dat in geval van verandering van wetgeving m.b.t. de verjaringstermijn deze verandering direct van toepassing is, met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd, geldt ook voor verlenging van lopende verjaringstermijnen. Het hof heeft ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 70 Sr zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de wijziging van die bepaling in 2008. 17-12-2013
- Hoge Raad Vervolg op HR 14 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5254, NJ 2012, 504. Heimelijk filmen of fotograferen schennis van de eerbaarheid, artikel 239 Sr? Artikel 239 Sr richt zich in de eerste plaats tegen ongevraagde en ongewenste seksueel getinte confrontatie met het menselijk lichaam of delen ervan. ’s Hofs oordeel dat ‘het houden van een camera onder de scheidingswand van een afgesloten kleedhokje waarin een ontklede vrouw staat’ als zodanig niet het misdrijf van artikel 239 Sr oplevert is juist, gelet op HR 9 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8452, HR NJ 1952, 240 en HR NJ 1983, 310. Zoals uit HR 14 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5254, NJ 2012, 504 blijkt levert een en ander overigens geen leemte in de mogelijkheid voor strafrechtelijke aansprakelijkstelling op, gelet op artikel 139f lid 1 Sr. Conclusie A-G: anders. 17-12-2013
- Hoge Raad Niet-ontvankelijkverklaring verdachte in zijn cassatieberoep, nu niet binnen de in artikel 437 lid 2 Sv genoemde termijn door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie is ingediend 17-12-2013
- Hoge Raad De in de tenlastelegging en bewezenverklaring genoemde technische voorschriften ‘ICAO-TI 2009-2010’ – waarmee verdachte in strijd zou hebben gehandeld – hadden ten tijde van het plegen van het onderhavige strafbare feit nog geen rechtskracht. Immers verkregen voornoemde voorschriften ex artikel 6.51 lid 1 Wet Luchtvaart i.v.m. artikel 1 Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht hier te lande pas rechtskracht op het moment dat de vertaling daarvan ter inzage was gelegd bij het toenmalige ministerie van Verkeer en Waterstaat en bij de Inspectie Verkeer en Waterstaat, en de minister van Verkeer en Waterstaat die inzage bekend had gemaakt door middel van publicatie in de Staatscourant, hetgeen op 14 april 2009 is geschied. Het hof heeft ten onrechte geoordeeld dat deze voorschriften ‘ICAO-TI 2009-2010’ ‘niet eerst van kracht zijn geworden na bekendmaking in genoemde Staatscourant’. Uit de technische voorschriften ‘ICAO-TI 2007-2008’ i.v.m. artikel 1 Besluit vervoer gevaarlijke stoffen door de lucht vloeit voort dat deze in NL van kracht waren tot het moment waarop de nieuwe versie daarvan ‘ICAO-TI 2009-2010’ van kracht werd, te weten tot 14 april 2009. Ten tijde van het plegen van de feiten i.c. was de oude versie derhalve nog immer van kracht. Het hof heeft blijkens zijn overwegingen geoordeeld dat de in de tenlastelegging opgenomen gedeelten van voorschriften in de beide versies van de ICAO-TI identiek zijn, dat ten tijde van het onderhavige delict een Nederlandse vertaling van de ICAO-TI 2007-2008 beschikbaar was en voor verdachte o.g.v. de reeds voorhanden Engelse vertaling van de ICOA-TI 2009-2010 voorzienbaar was dat deze voorschriften materieel geen wijzigingen zouden ondergaan t.o.v. die voorschriften in de versie van 2007-2008. Dat oordeel is in cassatie niet bestreden. 17-12-2013
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt ECLI:NL:HR:2013:150 m.b.t. verwerven en voorhanden hebben van voorwerpen verkregen uit eigen misdrijf. Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is, dat die voorwerpen afkomstig zijn uit een door verdachte zelf begaan misdrijf (vgl. HR ECLI:NL:HR:2013:2001). ’s Hofs oordeel dat m.b.t. bepaalde geldbedragen niet tot de kwalificatie witwassen kan worden gekomen geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Voor zover het middel berust op de opvatting dat in een geval als in casu ‘de rechter dan wel het (grond)misdrijf waaraan de verdachte zich schuldig zou hebben gemaakt zoveel mogelijk te concretiseren voor wat betreft plaats, tijd en door de verdachte verrichten handelingen’ stelt het een eis die het recht niet kent. 17-12-2013
- Hoge Raad Blijkens de vaststellingen van het hof heeft verdachte met een aan zijn voormalige werkgever toebehorende tankpas zonder diens toestemming en voor diens rekening benzine getankt. Met zijn oordeel dat verdachte aldus geld heeft weggenomen, heeft het hof kennelijk voor ogen gehad dat het afrekenen van de aankoop van brandstof met behoeve van een tankpas kan worden aangemerkt als de betaling ten laste van de rekening van de voormalige werkgever, door welke betaling de voormalige werkgever in zijn vermogen is aangetast. Aldus beschouwd geeft het oordeel van het Hhf niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. Conclusie A-G: anders. 17-12-2013
- Hoge Raad Het oordeel van het hof dat ‘niet aannemelijk is geworden dat verdachte heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging van zichzelf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding’ is, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet begrijpelijk. 17-12-2013
- Hoge Raad Nu de A-G bij de Hoge Raad zich tot de voorzitter van het hof heeft gewend waardoor de in voetnoot 1 van de conclusie genoemde stukken aan de Hoge Raad zijn toegezonden behoort de raadsman van verdachte, die klaagt dat dit proces-verbaal niet overeenkomstig artikel 327 Sv is vastgesteld en ondertekend, in de gelegenheid te worden gesteld kennis te nemen van het toegezonden stuk teneinde zich daarover schriftelijk uit te kunnen laten. De Hoge Raad stelt een termijn van twee weken en houdt iedere verdere beslissing aan. 17-12-2013
- Hoge Raad Het hof heeft zijn oordeel dat de voorbedachte raad kan worden bewezen verklaard niet toereikend gemotiveerd. De door het hof vastgestelde gang van zaken die heeft geleid tot de dood van het slachtoffer, laat de reële mogelijkheid open dat sprake was van een spontaan ontstane ruzie over drugs, welke ruzie in korte tijd escaleerde, waarbij het besluit tot levensberoving eerst in een latere fase is genomen, terwijl in dat verband ook niet duidelijk is in welke zin het hof betekenis heeft toegekend aan de door hem genoemde tijdspanne tussen de twee schoten. Voorts is uit de bewijsvoering niet af te leiden op welke wijze het hof in zijn oordeel heeft betrokken de omstandigheid dat niet verdachte maar zijn medeverdachte op het slachtoffer heeft geschoten, zodat niet zonder meer begrijpelijk is ’s hofs oordeel dat de door het hof genoemde gedragingen van verdachte – bestaande uit het achtervolgen van het slachtoffer en het gebruik van fysiek geweld tegen het slachtoffer – ‘veeleer [duiden] op een weloverwogen optreden’ van verdachte, met welk ‘optreden’ het hof doelt op de levensberoving. Conclusie A-G: anders. 10-12-2013
Uitspraken zonder ECLI
- Herziening. Geurproef. De Hoge Raad verklaart de aanvraag gegrond.
- Nijmeegse scooterzaak. Het hof heeft vastgesteld dat niet is gebleken ‘van enige samenwerking of overleg tussen de beide verdachten over de wijze waarop zij zich aan de controle door de politie wilden onttrekken vanaf het moment dat zij zich ter hoogte van het hotel door de politie betrapt voelden’. De vrijspraak van het medeplegen heeft het hof vervolgens – nader gemotiveerd doch in de kern genomen – op die vaststelling gebaseerd. In een geval als i.c., waarin het verweten medeplegen van een met de vlucht verband houdend misdrijf is voorafgegaan door het mogelijk daarmee samenhangende medeplegen van een ander strafbaar feit, is geenszins uitgesloten dat de voor het medeplegen van dat misdrijf relevante samenwerking reeds vóórdien – i.c.: in het kader van het medeplegen van de voorbereiding van de overval – is ontstaan. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de wijze waarop beide verdachten met de scooter zijn gevlucht, niet als een zó waarschijnlijke mogelijkheid besloten lag in de eerdere nauwe en bewuste samenwerking met het oog op de voorgenomen overval, dat ook wat betreft die vlucht zo bewust en nauw is samengewerkt dat van medeplegen kan worden gesproken.