Update
Geachte heer/mevrouw,
Bijgaand treft u een nieuwe SR Update aan. Klik hier om de pdf vanaf de website te downloaden.
Rechtspraak
De afgelopen weken is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs:
‘Zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat’ als bedoeld in artikel 6 WVW 1994 (SR-2016-0115)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie de eendaadse samenloop van overtreding van artikel 6 van de WVW 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8 lid 1 van deze wet en overtreding van artikel 8 lid 2 onderdeel a van de WVW 1994 is bewezenverklaard, over de motivering van bewezenverklaring van het hof van het onder 1 ten laste gelegde, nu uit de gebezigde bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat aan het slachtoffer zodanig letsel is toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Het hof heeft daartoe overwogen dat uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgt dat het slachtoffer door de aanrijding een scheur in zijn borstbeen heeft opgelopen. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij gedurende twee weken verhinderd was om zwaardere klussen en huis-, tuin- en keukenbezigheden te doen. Hij verrichtte tevens diverse soorten vrijwilligerswerk en heeft dit gedurende een aantal weken niet kunnen doen, zoals hij ter zitting van de rechtbank heeft verklaard. Naar het oordeel van het hof is dit letsel wel degelijk aan te merken als ‘zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan’ in de zin van artikel 6 WVW 1994. Het criterium van dit artikel is immers ruimer dan het criterium van artikel 308 Sr, aangezien het niet alleen zwaar lichamelijk letsel omvat. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de periode waarin het slachtoffer verhinderd is geweest zijn normale bezigheden uit te voeren van voldoende importantie is om van het letsel te spreken als bedoeld in artikel 6 WVW 1994. De Hoge Raad overweegt na het aanhalen van artikel 6 WVW 1994 dat de tenlastelegging en bewezenverklaring wat heeft betreft feit 1 zijn toegesneden op die bepaling. Daarom moeten de in de tenlastelegging en bewezenverklaring gebezigde woorden ‘zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat’ geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in deze bepaling. De Hoge Raad overweegt dat onder normale bezigheden als bedoeld in artikel 6 WVW 1994 bezigheden die kunnen worden aangemerkt als ambts- of beroepsbezigheden of bezigheden die daarmee vergelijkbaar zijn dienen te worden verstaan (vgl. ECLI:NL:HR:2001:AA9370, r.o. 3.4 en 3.5). De Hoge Raad overweegt dat het hof blijkens de gebezigde bewijsvoering heeft vastgesteld dat het slachtoffer door de aanrijding een scheur in zijn borstbeen heeft opgelopen en dat deze als gevolg daarvan gedurende een aantal weken geen vrijwilligerswerk – bestaande uit het als bestuurslid van twee musea en van de Stichting Studiecentrum bijwonen van vergaderingen en activiteiten – heeft kunnen verrichten. Daaruit heeft het hof kunnen afleiden dat sprake was van tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden als bedoeld in artikel 6 WVW 1994 en oordeelt dat de bewezenverklaring in dit opzicht toereikend is gemotiveerd.
Bijzondere voorwaarde strijdig met artikel 14c lid 2 onder 14° Sr (SR-2016-0114)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie het in het bezit hebben en vervaardigen van kinderporno en het met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen is ten laste gelegd, over de door het hof opgelegde bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd zal meewerken aan politiële controles van zijn computer(s) en andere apparatuur waarop afbeeldingen (kunnen) zijn opgeslagen. Het hof heeft ten aanzien van de straf overwogen dat de rechtbank bij de bepaling van de straf de oriëntatiepunten van het LOVS als uitgangspunt heeft genomen. Het LOVS geeft als oriëntatiepunt voor straftoemeting ten aanzien van het bezit van kinderporno een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en een werkstraf voor de duur van 240 uren en ten aanzien van het vervaardigen van kinderporno een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één jaar. Daarbij is echter vermeld dat moet worden gedacht aan een persoon die niet eerder is veroordeeld voor zedendelicten en die een geringe hoeveelheid kinderporno in bezit heeft gehad. In het geval van verdachte kan niet meer van een geringe hoeveelheid worden gesproken. Daarbij komt dat verdachte ook daadwerkelijk ontuchtige handelingen heeft gepleegd met een minderjarige terwijl hij in de positie van buurman en als vriend van de familie verkeerde. De rechtbank is in dit geval dan ook van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Alles afwegend en rekening houdend met de ouderdom van de feiten acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk, met de bijzondere voorwaarde zoals door de officier van justitie is geëist, passend en geboden. De Hoge Raad overweegt na het verwijzen naar het wettelijke kader en het aanhalen van de relevante passage bij de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2010/11, 32319, 8, p. 8) bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 17 november 2011, Stb. 2011, 545 (Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met wijzigingen van regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling) dat een bijzondere voorwaarde als bedoeld in artikel 14c lid 2 onder 5º (oud) Sr (thans artikel 14c lid 2 onder 14° Sr) het gedrag van de veroordeelde dient te betreffen. Als zodanig kunnen worden aangemerkt voorwaarden die strekken ter bevordering van een goed levensgedrag van de veroordeelde of die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht (vgl. ECLI:NL:HR:1968:AB6079). De Hoge Raad oordeelt dat de door het hof gestelde bijzondere voorwaarde dat ‘de verdachte gedurende de proeftijd zal meewerken aan politiële controles van zijn computer(s) en andere apparatuur waarop afbeeldingen (kunnen) zijn opgeslagen’, in strijd is met genoemde bepaling omdat deze voorwaarde niet voldoet aan de weergegeven maatstaven. Daarbij heeft de Hoge Raad mede in aanmerking genomen dat het hof weliswaar kennelijk het oog had op gedrag dat met – kort gezegd – kinderporno verband houdt, maar daartoe niet een voldoende precies gedragsvoorschrift heeft geformuleerd, alsmede dat het toezicht op de naleving van voorwaarden separaat is geregeld en een bijzondere voorwaarde in de zin van artikel 14c lid 2 onder 14º Sr, niet geacht kan worden gedrag te omvatten dat in feite overeenkomt met het meewerken aan door de politie uit te oefenen dwangmiddelen op de veelomvattende en ingrijpende wijze zoals in de onderhavige voorwaarde is geformuleerd.
Annotatie
‘Strafrechtelijk onderzoek naar georganiseerde hennepteelt wordt gecompliceerd doordat zeer verschillende typen werkzaamheden ten behoeve van de hennepteelt kunnen worden verricht. Zij roepen de vraag op welke van deze werkzaamheden als strafbare deelneming aan hennepteelt kunnen worden beschouwd…’, zo begint de recent geplaatste annotatie van J.M. ten Voorde bij ECLI:NL:HR:2015:3490, SR-Updates 2016-0039, waar ik u graag op attendeer.
Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar sr-updates@budh.nl.
Veel leesplezier.
Met vriendelijke groet,
J.H.J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates
Hoge Raad
- Hoge Raad De door het hof gestelde bijzondere voorwaarde betreft niet het gedrag van de veroordeelde. 23-02-2016
- Hoge Raad De vaststelling dat ‘de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, zij het andersoortige feiten’ en dat dit de verdachte ‘er kennelijk niet van [heeft] weerhouden de onderhavige feiten te plegen’ is niet zonder meer begrijpelijk aangezien voormeld uittreksel daarvoor geen steun biedt. 23-02-2016
- Hoge Raad Het hof heeft uit de omstandigheden kunnen afleiden dat sprake was van tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden als bedoeld in artikel 6 WVW 1994. 23-02-2016
- Hoge Raad De officier van justitie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging, nu blijkt dat de verdachte is overleden. 16-02-2016
- Hoge Raad Het oordeel dat het voorschrift vervat in de tweede volzin van artikel 51 Sv ten aanzien van de inleidende dagvaarding en de oproeping voor de nadere terechtzitting in eerste aanleg niet is geschonden, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. 16-02-2016
- Hoge Raad Het oordeel van de rechtbank dat artikel 13e lid 1 aanhef en onder c WOTS ‘ziet op mogelijke belangen van derden op de inbeslaggenomen voorwerpen, niet zijnde de beslagenen zelf’ en dat zij ten aanzien van de klager ‘niet ten gronde [treedt] in de vraag of de Italiaanse rechter op juiste gronden de (...) wanverhouding tussen inkomsten en aangetroffen vermogen/goederen heeft aangenomen’ getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. 16-02-2016
- Hoge Raad Het oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer zal bevelen is niet onbegrijpelijk voor zover het betrekking heeft op die in beslag genomen voorwerpen. Voor zover het oordeel van de rechtbank betrekking heeft op de iPhone 4 is het niet toereikend gemotiveerd. 16-02-2016
- Hoge Raad De bewijsvoering van het hof biedt onvoldoende grond voor diens oordeel dat verdachte zo nauw en bewust met een ander heeft samengewerkt dat, zoals is bewezenverklaard, sprake is van tezamen en in vereniging met een ander bewerken en verwerken van hennep. 16-02-2016
- Hoge Raad Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat de voortduring van het beslag noodzakelijk is voor het aan de dag brengen van de waarheid, behoefde zij zich niet uit te laten over de door de raadsman van de klaagsters aan de orde gestelde (on)mogelijkheid dat de auto’s worden verbeurdverklaard. 16-02-2016
- Hoge Raad Zo al moet worden aangenomen dat de rechtbank met haar oordeel dat het klaagschrift gegrond is de juiste maatstaf heeft toegepast, is dat oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. 16-02-2016
- Hoge Raad De stukken bieden voldoende grond voor het ernstige vermoeden dat namens de verdachte een schriftuur houdende grieven is ingediend, zodat de zaak wordt teruggewezen. 09-02-2016
- Hoge Raad De stukken bieden voldoende grond voor het ernstige vermoeden dat namens de verdachte een schriftuur houdende grieven is ingediend, zodat de zaak wordt teruggewezen. 09-02-2016
- Hoge Raad De verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep, nu geen schriftuur houdende middelen van cassatie is ingediend. 09-02-2016
- Hoge Raad Hoge Raad ambtshalve: middelen zonder ‘therapeutische’ werking kunnen niet worden gekwalificeerd als geneesmiddel. 09-02-2016
- Hoge Raad Voltooide diefstal of poging tot gekwalificeerde diefstal? 09-02-2016
- Hoge Raad Het oordeel van het hof dat het verzoek twee getuigen te horen heeft afgewezen omdat het dit verzoek onvoldoende gemotiveerd achtte en omdat ook overigens de noodzaak daartoe niet was gebleken, is niet onbegrijpelijk. 09-02-2016
- Hoge Raad Slagende bewijsklachten diefstal met geweld en heling. 09-02-2016
- Hoge Raad De verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep, nu geen schriftuur houdende middelen van cassatie is ingediend. 09-02-2016
- Hoge Raad Hoge Raad ambtshalve: middelen zonder ‘therapeutische’ werking kunnen niet worden gekwalificeerd als geneesmiddel. 09-02-2016
- Hoge Raad Hoge Raad ambtshalve: middelen zonder ‘therapeutische’ werking kunnen niet worden gekwalificeerd als geneesmiddel. 09-02-2016
- Hoge Raad Slagende klachten over de kwalificatie van mCPP, efedrine en pseudo-efedrine. 09-02-2016
- Hoge Raad Falende klachten over uitlokking. 09-02-2016
- Hoge Raad De Hoge Raad herstelt de kennelijke misslag van de rechtbank ten aanzien van de ingangsdatum van de wettelijke rente. 09-02-2016