Update
Geachte heer/mevrouw,
Bijgaand treft u een nieuwe SR Update aan. Klik hier om de pdf vanaf de website te downloaden.
Rechtspraak
De afgelopen weken is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs:
Omzetting jeugddetentie in gevangenisstraf (SR-2016-0064)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie poging tot diefstal met geweld in vereniging en medeplegen opzetheling is bewezenverklaard, over de last van het hof tot tenuitvoerlegging van de opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie. Het hof heeft daartoe overwogen dat het van oordeel is dat – nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt – het ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van het bij vonnis opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van zes maanden, de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis, dient te worden gelast. Het hof overweegt dat verdachte inmiddels ouder dan achttien jaar is en ziet geen aanleiding te oordelen dat de tenuitvoerlegging toch dient te geschieden in de vorm van jeugddetentie. Derhalve zal de jeugddetentie als gevangenisstraf worden ten uitvoer gelegd. De Hoge Raad overweegt dat het hof de tenuitvoerlegging heeft gelast van de eerder voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie van zes maanden en daarbij – met vermelding van onder meer artikel 77dd Sr als toepasselijke bepaling – bepaald dat de jeugddetentie als gevangenisstraf zal worden ten uitvoer gelegd. De Hoge Raad oordeelt, na het aanhalen van artikel 77k Sr, 77dd lid 1 Sr en 77dd lid 3 Sr (zoals luidend in de periode 1 februari 2008 tot 1 april 2014) en de relevante passage uit de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2005/06, 30332, 3, p. 19, 20 en 23) bij laatstgenoemde bepaling (Wet gedragsbeïnvloeding jeugdigen van 20 december 2007, Stb. 2007, 575), dat de klacht dat het hof ingevolge artikel 77k Sr niet bevoegd was reeds bij zijn last tot tenuitvoerlegging te bepalen dat de jeugddetentie als gevangenisstraf wordt ten uitvoer gelegd, miskent dat – gelet op de wetsgeschiedenis – sedert de inwerkingtreding van artikel 77dd lid 3 Sr op 1 februari 2008 een vordering in de zin van artikel 77k Sr niet meer is vereist voor de omzetting van jeugddetentie in gevangenisstraf indien het gaat om de tenuitvoerlegging van voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie. Zo een vordering is sedertdien alleen nog vereist voor de omzetting van onvoorwaardelijk opgelegde jeugddetentie. De Hoge Raad oordeelt dat de klacht dat het hof zijn beslissing dat de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie wordt ten uitvoer gelegd als gevangenisstraf ontoereikend heeft gemotiveerd, eveneens faalt. De Hoge Raad neemt daarbij in aanmerking dat uit niets blijkt dat bij de behandeling van de zaak in hoger beroep is aangevoerd dat, ondanks het bereiken van de leeftijd van achttien jaren, de verdachte in aanmerking komt voor jeugddetentie, waardoor het hof niet was gehouden zijn beslissing breder te motiveren.
(Putatief) noodweer en noodweerexces (SR-2016-0065)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie doodslag is bewezenverklaard, over de verwerping van een beroep op (putatief) noodweer en op noodweerexces. De Hoge Raad overweegt dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte een persoon heeft doodgeschoten, dat verdachte kort daarvoor door onder anderen het slachtoffer, die deel uitmaakte van een groep van negen personen die de confrontatie met de verdachte was komen zoeken, in een portiek was mishandeld, waarna hij zijn belagers naar buiten had weten te werken (17.35.35 u), dat de verdachte zich vervolgens naar een opslagruimte had begeven, waarvandaan hij met een vuurwapen weer naar buiten was gekomen (17.36.27 u) en dat hij, na eerst met een schot in de lucht te hebben getracht de anderen af te schrikken, op het slachtoffer had geschoten (17.36.41 u) die daardoor dodelijk werd getroffen. De Hoge Raad overweegt vervolgens dat het hof, blijkens zijn overwegingen, van het bestaan van een noodweersituatie is uitgegaan op het moment dat de verdachte zich in de portiek heeft moeten verweren, dat die noodweersituatie, volgens het hof, was geëindigd toen de verdachte erin was geslaagd om de anderen de portiek uit te werken. De Hoge Raad stelt vast dat het hof vervolgens heeft geoordeeld dat zich niet opnieuw een noodweersituatie heeft voorgedaan. De Hoge Raad overweegt dat het bij noodweer, blijkens de wettelijke omschrijving, gaat om de ‘verdediging’ van bepaalde rechtsgoederen tegen een (wederrechtelijke) aanranding. Dit betekent dat een beroep op noodweer niet kan worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging kan worden aangemerkt als verdedigend, maar – naar de kern bezien – als aanvallend, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht. In zo een geval kan ook een beroep op noodweerexces of op putatief noodweer niet slagen (vgl. ECLI:NL:HR:2010:BK4788). De Hoge Raad overweegt dat het hof, blijkens zijn overwegingen, is uitgegaan van hetgeen hiervoor is vooropgesteld en heeft geoordeeld dat zowel het beroep op (putatief) noodweer als op noodweerexces moet worden verworpen aangezien de gedraging van de verdachte ‘naar de uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als aanvallend’. De Hoge Raad oordeelt dat dat oordeel gelet op de feitelijke vaststellingen van het hof niet onbegrijpelijk is en dat de in diezelfde vaststellingen besloten liggende oordeel dat ook op grond van de bedoeling van de verdachte zijn gedraging als aanvallend moet worden aangemerkt, de verwerping van de verweren zelfstandig draagt.
Corpora of instrumenti delicti (SR-2016-0066)
In deze zaak zijn stukken in beslag genomen, afkomstig uit doorzoekingen bij twee bv’s en uit een vordering uitlevering ter inbeslagneming. Aan de beslagenen wordt onder meer verweten: het opmaken van een vervalste overeenkomst (de Realisatieovereenkomst) en het opmaken en gebruikmaken van valse facturen. De klager is notaris. Hij heeft aangevoerd dat zich geheimhouderstukken bevinden tussen de in beslag genomen stukken en heeft verzocht het beslag in zoverre op te heffen met een last tot teruggave. De klager heeft als klacht dat de rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift is uitgegaan van een onjuiste opvatting omtrent ‘brieven of geschriften die tot het begaan van het strafbare feit hebben gediend’ als bedoeld in artikel 98 lid 5 Sv. Daartoe is onder meer aangevoerd dat voor de vraag of sprake is van een instrumentum delicti enkel relevant is of het document direct onderdeel uitmaakt van het vermeende strafbare feit. Volgens de klager heeft de rechtbank ten onrechte niet alleen van belang geacht of een document ‘zelfstandige betekenis’ heeft gehad bij het plegen van het strafbare feit dat zou zijn begaan, maar tevens betekenis toegekend aan de bijzondere omstandigheden van het geval, waaronder de aard en de complexiteit van de verdenking. Daarnaast klaagt verdediging dat de rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat een aantal stukken de ‘instrumenta delicti’ zijn. De Hoge Raad overweegt dat ingevolge artikel 98 lid 1 Sv brieven of andere geschriften bij personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in artikel 218 Sv, tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, niet zonder hun toestemming in beslag mogen worden genomen. Wel mogen ook zonder hun toestemming, zoals volgt uit artikel 98 (thans) lid 5 Sv, brieven of geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, in beslag worden genomen. Dergelijke brieven en geschriften zijn geen object van de aan bedoelde personen toekomende bevoegdheid tot verschoning. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank met juistheid tot uitgangspunt heeft genomen dat de aard van die bevoegdheid tot verschoning meebrengt dat het oordeel omtrent de vraag of brieven of geschriften object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken in beginsel toekomt aan de verschoningsgerechtigde. Wanneer deze zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven of geschriften die noch voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan hebben gediend en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is (vgl. ECLI:NL:HR:2002:AD9162). De Hoge Raad oordeelt vervolgens dat de rechtbank juist heeft geoordeeld door te overwegen dat ‘wat als instrumentum delicti moet worden aangemerkt (...) mede afhankelijk is van de bijzondere omstandigheden van het geval, waaronder de aard en complexiteit van de verdenking’ en als haar oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat de vraag of een in beslag te nemen of een in beslag genomen stuk tot het begaan van het strafbare feit heeft gediend, zich niet in het algemeen laat beantwoorden, maar afhankelijk is van de aard van het in beslag te nemen of in beslag genomen stuk en van de aard van het delict dat zou zijn begaan door de (rechts)persoon jegens wie de verdenking is gericht, alsmede de feitelijke gedragingen die aan deze in dat verband worden verweten. Voorts oordeelt de Hoge Raad dat ook het oordeel van de rechtbank dat, in aanmerking genomen dat in de onderhavige zaak sprake is van verdenking van het (mede)plegen van een ‘intellectueel delict dat in enige tijdspanne en in onderlinge samenwerking tot stand is gekomen’, documenten als e-mailberichten of notulen die betrekking hebben op overleg over of het uitdenken van de strafbare gedragingen, of concepten van (valse) overeenkomsten, als instrumenta delicti kunnen worden aangemerkt indien die strafbare feiten geacht kunnen worden met behulp van dan wel door middel van deze documenten tot stand te zijn gekomen, geen blijk geeft van een onjuiste opvatting omtrent het begrip ‘instrumentum delicti’ als bedoeld in artikel 98 lid 5 Sv. De Hoge Raad overweegt vervolgens dat de rechtbank, blijkens de bestreden beschikking, heeft overwogen welke stukken in het onderhavige geval gezien de gerezen verdenking ‘instrumenta delicti’ kunnen zijn en heeft vervolgens, aan de hand van de door haar geformuleerde criteria, geoordeeld dat van de in beslag genomen stukken de in het derde middel bedoelde stukken ‘instrumenta delicti’ zijn. De Hoge Raad overweegt dat het oordeel van de rechtbank kennelijk enkel betrekking heeft op de stukken waarvan de rechters-commissarissen niet reeds hebben gelast dat zij aan de beslagene zullen worden teruggeven en waarop het beslag dus is voorgezet. De Hoge Raad oordeelt dat voor zover de klacht (mede) betrekking heeft op de andere dan die stukken – en dus stukken betreffen waarop geen beslag (meer) rust – de klager geen te respecteren belang meer heeft.
Annotatie
‘Strafrechtelijk onderzoek naar georganiseerde hennepteelt wordt gecompliceerd doordat zeer verschillende typen werkzaamheden ten behoeve van de hennepteelt kunnen worden verricht. Zij roepen de vraag op welke van deze werkzaamheden als strafbare deelneming aan hennepteelt kunnen worden beschouwd…’, zo begint de recent geplaatste annotatie van J.M. ten Voorde bij ECLI:NL:HR:2015:3490, SR-Updates 2016-0039, waar ik u graag op attendeer.
Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar sr-updates@budh.nl.
Veel leesplezier.
Met vriendelijke groet,
J.H.J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates
Hoge Raad
- Hoge Raad Instrumenta delicti en de reikwijdte van het verschoningsrecht van de notaris. 26-01-2016
- Hoge Raad De middelen, die zich zich keren tegen de verwerping van een beroep op (putatief) noodweer en op noodweerexces, falen. 26-01-2016
- Hoge Raad Omzetting jeugddetentie in gevangenisstraf. 26-01-2016
- Hoge Raad De pleitnota is in het ongerede geraakt, zodat het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak nietig zijn. 19-01-2016
- Hoge Raad De rechtbank had bij haar oordeel niet mogen vooruitlopen op de mogelijke uitkomst van de strafzaak. 19-01-2016
- Hoge Raad De rechtbank had bij haar oordeel niet mogen vooruitlopen op de mogelijke uitkomst van de strafzaak. 19-01-2016
- Hoge Raad De rechtbank had bij haar oordeel niet mogen vooruitlopen op de mogelijke uitkomst van de strafzaak. 19-01-2016