Update
Geachte heer/mevrouw,
Bijgaand treft u een nieuwe SR Update aan. Klik hier om de pdf vanaf de website te downloaden.
Rechtspraak
De afgelopen weken is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs:
Niet-ontvankelijkheid door verschuldigbare termijnoverschrijding (SR-2016-0051)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie onder meer feitelijk leidinggeven aan opzettelijk onjuist belastingaangifte doen door een rechtspersoon en valsheid in geschrifte is bewezenverklaard, dat het hof ten onrechte verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het ingestelde hoger beroep. Het hof heeft die niet-ontvankelijkverklaring als volgt gemotiveerd: ‘Verdachte was op 12 december 2013 in persoon aanwezig bij de behandeling van zijn zaak door de rechtbank Gelderland. Vervolgens is op 24 december 2013 door de rechtbank vonnis gewezen. Verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen na de uitspraak van het vonnis, dus tot uiterlijk 8 januari 2014, daartegen hoger beroep instellen. Verdachte heeft eerst op 1 september 2014 hoger beroep tegen dit vonnis ingesteld.’
De verdediging heeft betoogd dat verdachte dient te worden ontvangen in het beroep omdat bij hem door zijn toenmalige raadsman de gerechtvaardigde verwachting was gewekt dat er hoger beroep tegen het vonnis was ingesteld. Naar achteraf is gebleken heeft de toenmalige raadsman verzuimd hoger beroep in te stellen.
Het hof stelt voorop dat de wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden en dat die termijnen van openbare orde zijn. Overschrijding van de termijn voor hoger beroep door de verdachte, zoals in het onderhavige geval, betekent in de regel dat deze niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.
Het hof overweegt vervolgens dat de omstandigheid dat door verdachtes raadsman abusievelijk geen hoger beroep is ingesteld niet een zodanige bijzondere, verdachte niet toe te rekenen, omstandigheid oplevert dat deze de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doet zijn.
Het feit dat verdachte na zijn ontslag uit detentie op 30 augustus 2014 een brief heeft ontvangen waarin vermeld staat dat hij met betrekking tot parketnummer 05-986300-11 zijn opgelegde straffen en maatregelen heeft ondergaan maakt dit niet anders. Een dergelijke mededeling die ruim na afloop van de termijn die openstond voor het instellen van hoger beroep is verstrekt, doet die termijn niet herleven. Het hof laat nog daar of verdachte aan deze mededeling het vertrouwen mocht ontlenen dat er hoger beroep was ingesteld in de onderhavige zaak, waarbij het hof opmerkt dat verdachte óók niet (alsnog) hoger beroep heeft ingesteld toen hij als gevolg van de executie van het onderhavige vonnis gedetineerd raakte.
De Hoge Raad herhaalt de overweging van het hof over het instellen van rechtsmiddelen tegen een rechterlijke uitspraak en de termijnen en vult die overweging aan met de overweging dat daarbij kan worden gedacht aan binnen de beroepstermijn verstrekte ambtelijke informatie waardoor bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de beroepstermijn op een ander tijdstip aanvangt of aan een zodanige psychische gesteldheid dat in verband daarmee het verzuim tijdig hoger beroep in te stellen niet aan de verdachte kan worden toegerekend (vgl. ECLI:NL:HR:2004:AN8587). Uit de met betrekking tot de rechtsgeldigheid van de aanwending van een rechtsmiddel vereiste rechtszekerheid vloeit de noodzaak voort scherpe en vaste grenzen te trekken (vgl. ECLI:NL:HR:2014:231). De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is. De Hoge Raad neemt daarbij in aanmerking dat artikel 449 Sv aan de verdachte de bevoegdheid verschaft zelf hoger beroep of cassatie in te stellen, terwijl artikel 450 Sv hem daarnaast de keuze laat het rechtsmiddel in te stellen door tussenkomst van een gemachtigd raadsman of vertegenwoordiger, en dat, zoals het hof heeft vastgesteld, de verdachte zijn wens om hoger beroep in te stellen slechts aan zijn raadsman – en niet aan de griffie van de rechtbank – kenbaar heeft gemaakt. Dat de raadsman heeft nagelaten tijdig hoger beroep in te stellen, komt onder deze omstandigheden, gelet op de eerdere overweging van de Hoge Raad voor risico van de verdachte. De Hoge Raad merkt daarbij op dat de beslissingen van het EHRM van 10 oktober 2002, nr. 38830/97 (Czekalla tegen Portugal) en van 22 november 2011, nr. 48132/07 (Andreyev tegen Estland) in dit geval niet dwingen tot een ander oordeel, mede in aanmerking genomen dat in het eerste geval centraal stond dat aan de raadsman niet de gelegenheid was geboden vormverzuimen in de schriftuur te herstellen, en in het tweede geval centraal stond dat de verdachte niet zelf, maar alleen zijn raadsman de mogelijkheid had het rechtsmiddel aan te wenden.
Niet-ontvankelijkheid Openbaar Ministerie toereikend verworpen (SR-2015-0053)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie bij verstek vernieling is bewezenverklaard, dat het hof verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep. Het hof heeft daartoe overwogen:
‘Gelijk de advocaat-generaal in zijn vordering is het Hof van oordeel dat het door verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk is, nu verdachte na het instellen van het hoger beroep noch een schriftuur houdende inhoudelijke grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven en het Hof niet van oordeel is dat de strafzaak desalniettemin onderzocht dient te worden. Het Hof beschouwt de enkele schriftelijke opgave van verdachte dat hij wegens een verhuizing niet op de hoogte was van de zitting in eerste aanleg niet als een inhoudelijke grief waardoor het hof zich genoodzaakt zou zien om de zaak inhoudelijk te behandelen.’
De Hoge Raad overweegt dat zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken een appèlakte bevindt met daaraan gehecht een formulier ‘Hoger beroep’ met als aanhef:
‘Dit betreft een standaardformulier waarop u grieven tegen het vonnis en/of redenen voor het instellen van hoger beroep kunt weergeven (art. 410 lid 1 en lid 4 Wetboek van Strafvordering).’
Het formulier houdt voorts onder meer het volgende in:
‘Om één of meer van de volgende redenen kom ik in hoger beroep (aankruisen en invullen wat van toepassing is):
Gang van zaken ter terechtzitting:
( ) Ik ben niet bij de zitting aanwezig geweest, omdat:.’
Op het formulier is het vakje voor de voorgedrukte woorden ‘ik ben niet bij de zitting aanwezig geweest, omdat:’ aangekruist. Daaraan is handgeschreven toegevoegd: ‘ik er niet op de hoogte van was (verhuizing)’. Dit formulier is kennelijk de door het hof genoemde schriftelijke opgave van de verdachte.
De Hoge Raad overweegt, na het aanhalen van artikel 410 lid 1 Sv en artikel 416 lid 2 Sv dat in ECLI:NL:HR:2014:1496, r.o. 2.40 onder meer het volgende is overwogen:
‘Ingevolge artikel 410, eerste lid, Sv dient een appelschriftuur de grieven tegen het vonnis in eerste aanleg te bevatten. In die bepaling worden geen nadere materiële eisen gesteld waaraan de appelschriftuur, die ook door de verdachte zelf kan worden ingediend, dient te voldoen (...) Daarom ligt in de rede aan de formulering van de grieven thans geen hoge eisen te stellen.’
De Hoge Raad overweegt dat het hof klaarblijkelijk toepassing heeft gegeven aan artikel 416 lid 2 Sv en daaraan ten grondslag gelegd dat ‘de enkele schriftelijke opgave van verdachte dat hij wegens een verhuizing niet op de hoogte was van de zitting in eerste aanleg’ niet als een schriftuur houdende grieven kan worden aangemerkt. De Hoge Raad oordeelt dat dat oordeel, gelet op de eerdere overwegingen, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
Annotatie
‘Strafrechtelijk onderzoek naar georganiseerde hennepteelt wordt gecompliceerd doordat zeer verschillende typen werkzaamheden ten behoeve van de hennepteelt kunnen worden verricht. Zij roepen de vraag op welke van deze werkzaamheden als strafbare deelneming aan hennepteelt kunnen worden beschouwd…’, zo begint de recent geplaatste annotatie van J.M. ten Voorde bij ECLI:NL:HR:2015:3490, SR-Updates 2016-0039., waar ik u graag op attendeer.
Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar sr-updates@budh.nl.
Veel leesplezier.
Met vriendelijke groet,
J.H.J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates
Hoge Raad
- Hoge Raad De enkele omstandigheid dat een advocaat-generaal een beklag in de zin van artikel 12 Sv ondersteunt, kan niet een ernstig vermoeden wekken als bedoeld in artikel 457 lid 1 aanhef en onder c Sv. 12-01-2016
- Hoge Raad Het oordeel van het hof dat ‘de enkele schriftelijke opgave van verdachte dat hij wegens een verhuizing niet op de hoogte was van de zitting in eerste aanleg’ niet als een schriftuur houdende grieven kan worden aangemerkt geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. 12-01-2016
- Hoge Raad Het hof heeft de verdachte niet ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. 12-01-2016
- Hoge Raad De beslissing van de rechtbank met betrekking tot de voorwerpen waarop op de voet van artikel 94 Sv beslag is gelegd is ontoereikend gemotiveerd. 12-01-2016
- Hoge Raad Het middel klaagt terecht dat de rechtbank de ongegrondverklaring van het beklag ontoereikend heeft gemotiveerd. 12-01-2016
- Hoge Raad De aanvraag tot herziening wordt afgewezen, nu geen sprake is van een novum. 12-01-2016
- Hoge Raad Verwerping beroep op noodweer niet zonder meer begrijpelijk. 05-01-2016
- Hoge Raad De Hoge Raad doet de zaak af met toepassing van artikel 80a RO, nu sprake is van een voor eenieder evidente vergissing. 05-01-2016
- Hoge Raad Het hof heeft de officier van justitie ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep. 05-01-2016
- Hoge Raad De rechtbank heeft met haar oordeel dat de in beslag genomen stukken geen geheimhouderstukken betreffen en kunnen bijdragen aan de waarheidsvinding ter zake van de gerezen verdenking van witwassen, onvoldoende inzicht gegeven in haar gedachtegang. 05-01-2016
- Hoge Raad Slagende bewijsklachten oplichting en witwassen. 05-01-2016
- Hoge Raad De aanvraag tot herziening wordt gegrond verklaard, nu sprake is van een persoonsverwisseling. 05-01-2016
- Hoge Raad Het hof heeft een verzoek tot voeging van een stuk aan het dossier ten onrechte afgewezen. 05-01-2016
- Hoge Raad Het hof heeft de officier van justitie ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep. 05-01-2016
- Hoge Raad Het hof heeft de officier van justitie ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep. 05-01-2016
- Hoge Raad Het hof heeft de officier van justitie ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep. 05-01-2016