Naar boven ↑

Update

Nummer 14, 2016
Uitspraken van 26-03-2016 tot 01-04-2016
Redactie: prof. mr. J.S. Nan en mr. C.L. van der Vis.

Geachte heer/mevrouw,

Bijgaand treft u een nieuwe SR Update aan. Klik hier om de pdf vanaf de website te downloaden.
 
Rechtspraak
De afgelopen weken is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs:

Aanzetten tot discriminatie (SR-2016-0160)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie belediging van bevolkingsgroepen en aanzetten tot discriminatie van bevolkingsgroepen, is bewezenverklaard, tegen het oordeel van het hof in het bijzonder dat de bewoordingen ‘Ali B. en Mustapha, ga toch terug naar Ankara’ als beledigend voor een groep mensen wegens hun ras kan worden aangemerkt en dat de bewezenverklaring van de op artikel 137d Sr toegesneden tenlastelegging, onvoldoende met redenen is omkleed. Ten aanzien van eerstgenoemde klacht heeft het hof met betrekking tot de bewezenverklaring overwogen dat de vraag of sprake is van belediging van een groep mensen als omschreven in artikel 137c Sr dient te worden beantwoord aan de hand van drie in de jurisprudentie ontwikkelde toetsingscriteria. De Hoge Raad heeft overwogen dat een uitlating beledigend is wanneer zij de strekking heeft een ander bij het publiek in een kwaad daglicht te stellen (ELCI:NL:HR:2009:AB3143). De uitlating moet daarnaast over een groep mensen of haar kenmerk gaan. De tweede toets betreft de vraag of een uitlating in een bepaalde context is gedaan en zo ja in welke. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat de context waarin een uitlating is gedaan het beledigend karakter van de uitlating weg kan nemen, indien de uitlating een bijdrage levert aan of dienstig is aan een publiek maatschappelijk debat, een geloofsopvatting of als de uitlating onder de bescherming van artistieke expressie valt. De reikwijdte van die context wordt gevormd door verdachtes recht op vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10 EVRM. De derde toets betreft de beoordeling of de beledigende uitlating, die een bijdrage levert aan of dienstig is aan een publiek maatschappelijk debat of een geloofsopvatting of indien deze uitlating onder bescherming van de artistieke expressie valt, niettemin toch onnodig grievend is.
Ten aanzien van de eerste toets heeft de rechtbank in de zaak onder meer overwogen: door verdachte is de volgende uitlating gedaan ‘Ali B en Mustapha, ga toch terug naar Ankara’. De rechtbank oordeelt dat deze uitlating zich richt tot personen die niet blank zijn. Ali B en Mustapha worden hier als representanten van deze groep gebruikt. Met deze uitspraak wordt, mede door de context, duidelijk gemaakt dat personen van niet-Nederlandse afkomst, waaronder meer specifiek personen van Turkse en/of Marokkaanse afkomst, niet welkom zijn. Hun eigenwaarde wordt aangetast en zij worden om hun ras in diskrediet gebracht hetgeen beledigend is. Het hof neemt deze overwegingen over en maakt deze tot de zijne. Ten aanzien van de tweede toets: de demonstratie waaraan verdachte heeft deelgenomen is gehouden in het kader van het maatschappelijk debat over de wenselijkheid van een totale immigratiestop. De medeverdachte heeft de deelnemers aan de demonstratie toegesproken en heeft daarbij onder meer gezegd: ‘Vandaag demonstreren we tegen de multiculturele terreur en voor een totale immigratiestop’. Tijdens deze demonstratie is bovenbeschreven uitlating gedaan door verdachte en andere deelnemers. Het hof vermag niet in te zien op welke wijze het doen van bovenbeschreven uitlating een bijdrage levert of dienstig zou kunnen zijn aan het publiek maatschappelijk debat, een geloofsopvatting of onder de bescherming van artistieke expressie zou vallen. Ten aanzien van de derde toets: nu zich hier de vooromschreven uitzondering van strafbaarheid niet voordoet, komt het hof aan de toetsing van de proportionaliteit niet toe. De Hoge Raad overweegt, na het aanhalen van artikel 137c Sr, artikel 137d Sr en artikel 1 lid 1 IVUR, dat de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende termen ‘beledigend’ en ‘het ras’ klaarblijkelijk zijn gebezigd in de betekenis die daaraan toekomt in artikel 137c Sr. De Hoge Raad overweegt, na het aanhalen van de relevante wetsgeschiedenis bij de invoering van artikel 137c Sr (Kamerstukken II 1969/70, 9724, 6, p.4), dat bij de beoordeling met betrekking tot de term ‘beledigend’ voorop moet worden gesteld dat een uitlating als beledigend kan worden beschouwd wanneer zij de strekking heeft een ander bij het publiek in een ongunstig daglicht te stellen en hem aan te randen in zijn eer en goede naam. Het oordeel dat daarvan sprake is, zal bij een uitlating die in het algemeen op zichzelf niet beledigend is, afhangen van de context waarin de uitlating is gedaan geboden was (vgl. ECLI:NL:HR:2009:BJ9796). De Hoge Raad overweegt voorts dat met betrekking tot de term ‘ras’ moet worden vooropgesteld dat de in artikel 137c en 137d Sr voorkomende term ‘ras’ moet worden uitgelegd overeenkomstig de strekking van de in artikel 1 lid 1 IVUR gegeven opsomming, waarin naast ‘ras’ ook wordt genoemd: huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming (vgl. Kamerstukken II 1967/68, 9724, 3, p. 4). De Hoge Raad overweegt dat het hof heeft vastgesteld dat met de bewezenverklaarde uitlating duidelijk wordt gemaakt dat personen van niet-Nederlandse afkomst, meer specifiek personen van Turkse en/of Marokkaanse afkomst – van wie Ali B. en Mustapha worden gezien als representanten –, niet welkom zijn in Nederland. Deze uitlating heeft naar het oordeel van het hof, mede bezien in de context waarin deze uitlating is gedaan, de strekking om de personen behorende tot deze groep in hun eigenwaarde aan te tasten en hun ras – verstaan in evenvermelde (ruime) zin – in diskrediet te brengen. Op grond daarvan heeft het hof geoordeeld dat de uitlating een voor deze groep mensen wegens hun ras beledigend karakter heeft. De Hoge Raad oordeelt dat dit oordeel, dat is verweven met de aan het hof als feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval, gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is . Met betrekking tot laatstgenoemde klacht overweegt de Hoge Raad dat het hof het in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende begrip ‘aangezet tot discriminatie’ klaarblijkelijk is gebezigd in de betekenis die daaraan toekomt artikel 137d Sr. De Hoge Raad overweegt dat het hof blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft vastgesteld dat de verdachte en zijn mededaders tijdens een demonstratie van de NVU gericht ‘tegen de multiculturele terreur en voor een totale immigratiestop’ meerdere malen hebben geroepen en/of gescandeerd ‘Ali B. en Mustapha, ga toch terug naar Ankara’. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof dat deze uitlating van de verdachte, waarbij het kennelijk – en terecht – ook de context van het geval van betekenis heeft geacht, het aanzetten tot discriminatie oplevert geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk is. Daarbij neemt de Hoge Raad mede in aanmerking dat het hof heeft overwogen dat met de uitlating tot uitdrukking is gebracht dat personen van niet-Nederlandse afkomst niet welkom zijn in Nederland. Zie ook (SR-2016-0161).

Feiten van algemene bekendheid (SR-2016-0162)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie opzettelijke overtreding van artikel 13 lid 1, van de Flora- en faunawet, meermalen gepleegd is bewezenverklaard, dat het hof informatie die van het internet afkomstig is voor het bewijs heeft gebruikt, terwijl die informatie niet ter terechtzitting aan de orde is gesteld. Het hof heeft daartoe overwogen dat de verdediging zich op het standpunt heeft gesteld dat het ingrediënt Aloë capensis, dat in de onder de verdachte in beslag genomen capsules is verwerkt en met zoveel woorden vermeld staat op de verpakking, hetzelfde is als Aloë vera en dus onder de vrijstelling genoemd in Bijlage B van de EG- Basisverordening nr. 338/97 valt. De verdediging heeft ter ondersteuning van dit standpunt onder meer een uitgedraaide e-mailwisseling tussen de raadsvrouw en dr. van Huffelen, Collectiebeheerder van de Hortus Botanicus van de Rijksuniversiteit te Leiden, overgelegd en verwezen naar diverse bronnen op het internet. Van Huffelen deelt daarin mee dat de naam Aloë capensis in geen enkele gangbare wetenschappelijke namenlijst terug te vinden is. Dat de naam op internet meestal te vinden is in combinatie met Aloë vera of Aloë barbadensis; ‘Aloe vera is de huidige wetenschappelijke naam (Aloe barbadensis een synoniem daarvan...)
(...)
We kunnen er dus van uit gaan dat Aloe capensis hoogstwaarschijnlijk hetzelfde is wat botanici en regelgevers Aloe vera noemen, een soort die niet onder CITES-beperking valt.’ Het hof verwerpt dit verweer (eveneens) onder verwijzing naar bronnen op het internet die uit dien hoofde als algemeen bekend worden verondersteld althans in elk geval in onderhavige procedure. De Hoge Raad overweegt, na het aanhalen van artikel 301 lid 4 Sv en artikel 339 lid 2 Sv, dat het hof zijn bewijsvoering voor een belangrijk deel heeft doen steunen op gegevens die het heeft ontleend aan ‘bronnen op het internet die uit dien hoofde als algemeen bekend worden verondersteld althans in elk geval in de onderhavige procedure’. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof voor zover daarin besloten ligt dat gegevens kunnen worden aangemerkt als van algemene bekendheid in de zin van artikel 339 lid 2 Sv op de enkele grond dat zij aan internetbronnen ontleend zijn, onjuist is. De enkele omstandigheid dat een bepaald gegeven aan openbare bronnen op het internet kan worden ontleend, brengt immers op zichzelf nog niet mee dat zo een gegeven daarom een feit of omstandigheid van algemene bekendheid is in de hier bedoelde zin. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof dat de onderhavige gegevens kunnen worden aangemerkt als feiten of omstandigheden van algemene bekendheid overigens ook niet zonder meer begrijpelijk is. Bij dergelijke feiten of omstandigheden gaat het immers in de regel om gegevens die geen specialistische kennis veronderstellen en waarvan de juistheid redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar is. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof voor zover in voormelde overweging besloten ligt dat deze – door het hof kennelijk na de terechtzitting op internet gevonden – gegevens in de onderhavige procedure bij de procesdeelnemers bekend waren zodat deze gegevens niet ter terechtzitting ter sprake behoefden te zijn gebracht, evenmin zonder meer begrijpelijk is.

Strafmotivering (SR-2016-0163)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie verkoop van cocaïne is bewezenverklaard, over de motivering van de opgelegde straf door het hof. Het hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd.
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte. Het hof oordeelt dat gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Ten aanzien van de ernst van het bewezenverklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:
- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
- de omstandigheid dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de handel in harddrugs;
- de omstandigheid dat harddrugs als de onderhavige, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving schade wordt berokkend. Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op:
- de omstandigheid dat verdachte niet eerder ter zake soortgelijke misdrijven door de strafrechter is veroordeeld;
- de inhoud van het hem betreffend reclasseringsadvies van Reclassering Nederland;
- de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Het hof oordeelt gelet hierop dat niet kan worden volstaan met de gevorderde taakstraf, maar dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd. Het hof overweegt dat het acht heeft geslagen op de omstandigheid dat het recht van verdachte op berechting binnen een redelijke termijn is geschonden en stelt vast dat de behandeling in eerste aanleg niet is afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de hiervoor genoemde termijn, terwijl het hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht die deze overschrijding rechtvaardigen. Het hof oordeelt, anders dan de raadsman, dat aan deze geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg geen rechtsgevolgen behoeven te worden verbonden, aangezien de zaak in hoger beroep alsnog met bijzondere voortvarendheid ter terechtzitting is aangebracht en behandeld. De Hoge Raad oordeelt dat het hof met de overwegingen in overeenstemming met artikel 359 lid 6 Sv in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die de opgelegde gevangenisstraf hebben bepaald, en toereikend heeft gemotiveerd waarom niet kan worden volstaan met een straf als door het Openbaar Ministerie is gevorderd of door de verdediging is bepleit. De Hoge Raad merkt daarbij op dat het opleggen van een zwaardere straf dan waarover partijen zich ter terechtzitting hebben uitgelaten niet onverenigbaar is met de in artikel 6 EVRM belichaamde beginselen van een eerlijk proces (vgl. ECLI:NL:HR:2013:BY9985).

Annotatie
‘Verdachte was door het hof veroordeeld wegens het vervaardigen en in bezit hebben van afbeeldingen van seksuele gedragingen van vier minderjarige meisjes, die ten tijde van de bewezenverklaarde gedragingen tussen de 13 en 15 jaar oud waren…’, zo begint de recent geplaatste annotatie van J.M. ten Voorde bij ECLI:NL:HR:2016:213 SR-Updates 2016-0078, waar ik u graag op attendeer.

SR Talk Sessie
Graag wijs ik u op de SR-Talk-sessie van dinsdag 10 mei 2016, donderdag 15 september 2016 en donderdag 15 december 2016, waarin de actuele jurisprudentie wordt besproken. Klik hier voor meer informatie.

Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar sr-updates@budh.nl.

Veel leesplezier.

Met vriendelijke groet,

J.H.J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates

Hoge Raad