Update
Geachte heer/mevrouw,
Bijgaand treft u een nieuwe SR Update aan. Klik hier om de pdf vanaf de website te downloaden.
Rechtspraak
De afgelopen weken is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs:
Overzichtsarrest noodweer (SR-2016-0150)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie doodslag is bewezenverklaard, dat het hof het beroep op noodweer dan wel noodweerexces ten onrechte althans op ontoereikende gronden heeft verworpen. De Hoge Raad overweegt dat noodweer(exces) in de praktijk soms aanleiding geeft tot moeilijkheden en geeft daarom een samenvattend overzicht van mogelijke aandachtspunten dat bij de beoordeling van een beroep op noodweer(exces) handvatten biedt. Daarbij wordt eerst noodweer behandeld, vervolgens noodweerexces, en ten slotte komen kort culpa in causa en verontschuldigbare dwaling ten aanzien van noodweer aan de orde. De Hoge Raad overweegt dat indien een beroep op noodweer, noodweerexces of putatieve noodweer is gedaan, de rechter een gemotiveerde beslissing moet geven op dat verweer. Hij zal dan moeten onderzoeken of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer is voldaan. In dat verband kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten, al behoeft de omstandigheid dat een verdachte de hem tenlastegelegde gedraging ontkent, niet zonder meer aan het slagen van een subsidiair gedaan beroep op noodweer(exces) in de weg te staan (vgl. ECLI:NL:HR:2004:AN9913).
Bij de beoordeling van het beroep kunnen nauwkeurige en consistente feitelijke vaststellingen van belang zijn, waarbij de rechter de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de verdachte mag leggen (vgl. ECLI:NL:HR:1997:ZD0737). Indien de rechter het beroep verwerpt, dient hij duidelijk te maken of hij de door of namens de verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden acht, dan wel of die toedracht het beroep niet kan doen slagen.
Noodweer
De Hoge Raad stelt vervolgens, na het aanhalen van artikel 41 Sr, dat een beroep op noodweer niet kan worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als ‘verdediging’, maar – naar de kern bezien – als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht (vgl. ECLI:NL:HR:2010:BK4788). Uit de omschrijving van noodweer in artikel 41 Sr volgt dat het bij deze strafuitsluitingsgrond gaat om de verdediging van limitatief opgesomde rechtsgoederen: ‘lijf, eerbaarheid of goed’. Onder die rechtsgoederen is het enkele huisrecht niet begrepen (vgl. ECLI:NL:HR:1998:ZD1015). Voorts volgt uit dat artikel dat het beschermde rechtsgoed bij de verdachte zelf of bij een ander kan worden aangerand. Noodweer strekt dus verder dan zelfverdediging. Onder omstandigheden kan ook sprake zijn van de aanranding van een ‘lijf’ indien de bewegingsvrijheid wederrechtelijk wordt beperkt (vgl. ECLI:NL:HR:1996:ZD0604). Het begrip ‘eerbaarheid’ is niet zo ruim dat dat wordt aangerand door een belediging (vgl. HR 8 januari, NJ 1917, p. 175 e.v.). Van het begrip ‘goed’ is een illegaal goed (zoals cocaïne) niet uitgesloten (vgl. ECLI:NL:HR:2015:1786). De Hoge Raad overweegt dat voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ‘ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding’. Van een ‘ogenblikkelijke’ aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding (vgl. ECLI:NL:HR:1976:AB6419). Enkele vrees voor zo’n aanranding is daartoe echter niet voldoende (vgl. HR 8 februari 1932, NJ 1932, p. 617 e.v.). De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 Sr (vgl. ECLI:NL:HR:1989:ZC8183). Er is geen ‘wederrechtelijke’ aanranding wanneer bijvoorbeeld de politie rechtmatig dwangmiddelen toepast of wanneer de verdachte zich op zijn beurt verdedigt tegen iemand die zelf in noodweer handelt als reactie op een daarvóór gepleegde aanranding (vgl. ECLI:NL:HR:2011:BO4475). Wanneer de aanranding is geëindigd, is een beroep op noodweer niet (meer) mogelijk (vgl. ECLI:NL:HR:2007:BA0423).
De Hoge Raad overweegt dat in het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging is ‘geboden door de noodzakelijke verdediging’ zowel de zogenoemde subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking worden gebracht. Deze met elkaar samenhangende en niet altijd scherp te onderscheiden eisen hebben betrekking op de vraag of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, respectievelijk op de vraag of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was (vgl. ECLI:NL:HR:1989:AC3119).
Zeker bij deze eisen kan de persoon van degene die zich op noodweer beroept, van belang zijn. Van de ene persoon mag bijvoorbeeld op grond van zijn hoedanigheid of bijzondere vaardigheden meer worden gevergd op het vlak van de proportionaliteit dan van een ander. Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond. Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien de verdachte zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken. Bij de verwerping van een beroep op noodweer kan dus niet worden volstaan met het enkele argument dat de verdachte zich aan de aanranding had kunnen onttrekken. Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. Dit is bijvoorbeeld niet het geval wanneer de positie van de verdachte en de ruimte waarin hij zich bevindt, redelijkerwijs geen mogelijkheid bieden tot onttrekking aan de aanranding (vgl. ECLI:NL:HR:2009:BK0035). Onttrekking aan de aanranding moet voorts van de verdachte kunnen worden gevergd. Dit behoeft bijvoorbeeld niet het geval te zijn wanneer de situatie zo bedreigend is dat zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is (vgl. ECLI:NL:HR:2009:BI3874 en ECLI:NL:HR:2012:BW7944). Ook bij een aanranding van anderen kan zich het geval voordoen dat men zich niet behoefde te onttrekken aan de aanranding. Bovendien kan iemands hoedanigheid – bijvoorbeeld die van politieambtenaar of van een op basis van artikel 53 Sv optredend persoon – hier van belang zijn. De proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding (vgl. ECLI:NL:HR:2009:BI3895). De in dat verband – tot terughoudendheid nopende – maatstaf luidt of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal. Zo staat in beginsel het met kracht toebrengen van een diepe, potentieel dodelijke steekwond niet in verhouding met een aanval die bestaat uit het slaan met de blote handen dan wel een vuist (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BC5982).
Noodweerexces
Noodweerexces kan in beeld komen bij een ‘overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging’, dus wanneer aan alle voorgaande eisen is voldaan behalve aan de proportionaliteitseis. Wat de subsidiariteitseis betreft, verdient opmerking dat voor een beroep op noodweerexces geldt dat er wel een noodzaak tot verdediging moet zijn of moet zijn geweest (vgl. ECLI:NL:HR:2015:205). Voor noodweerexces geldt in alle gevallen dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:
a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel indien
b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding (vgl. ECLI:NL:HR:1993:ZC9359).
Uit het wettelijke vereiste dat de gedraging het ‘onmiddellijk gevolg’ moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Niet is uitgesloten dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging (vgl. ECLI:NL:HR:2006:AW3569), maar aan het gevolgvereiste is niet voldaan indien de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op een eerder bestaande emotie, zoals een reeds bestaande kwaadheid jegens het slachtoffer (vgl. ECLI:NL:HR:2009:BH0180). Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van het hier bedoelde ‘onmiddellijk gevolg’, kan betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BC4459). Voorts kan het tijdsverloop tussen de aanranding en de verdedigingshandeling van belang zijn (vgl. NJ 1950/179). Niet op voorhand kan worden uitgesloten dat een beroep op noodweerexces mogelijk is in gevallen waarin de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding niet direct van het slachtoffer zelf uitging. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen in situaties waarin het slachtoffer wel een aandeel had in de aanranding of de dreiging daarvan, of waarin sprake was van andere gedragingen van het slachtoffer waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen dat die ertoe hebben geleid dat de verdachte – handelende in een hevige gemoedsbeweging – zich op het slachtoffer richtte (vgl. ECLI:NL:HR:2011:BP0265).
Gedragingen van de verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan, kunnen in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer of noodweerexces, maar slechts onder bijzondere omstandigheden. Van zulke bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de verdachte de aanval heeft uitgelokt door provocatie van het latere slachtoffer en hij aldus uit was op een confrontatie, of wanneer hij willens en wetens de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht en een gewelddadige reactie van het slachtoffer heeft uitgelokt (vgl. ECLI:NL:HR:2005:AU3888). De enkele omstandigheid dat een verdachte zich willens en wetens in een situatie heeft begeven waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten viel of dat een verdachte zich in verband met een mogelijke aanval van het slachtoffer als voorzorgsmaatregel van een illegaal vuurwapen had voorzien, is daartoe evenwel onvoldoende (vgl. ECLI:NL:HR: 2006:AU8087 en ECLI:NL:HR:2003:AF6311).
Culpa in causa en verontschuldigbare dwaling ten aanzien van noodweer
Indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op zogenoemde putatieve noodweer, zal de rechter moeten onderzoeken of sprake was van verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte, bijvoorbeeld omdat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld.
De beoordeling van de klachten
Met betrekking tot de klacht dat het hof het beroep op noodweer ten onrechte, althans op ontoereikende gronden heeft verworpen overweegt de Hoge Raad dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte in de woning van het slachtoffer, nadat hij door hem met een verzwaarde sok was bedreigd, met hem in gevecht is geraakt, in welk gevecht betrokkene zich ook mengde. De voordeur van de woning was inmiddels op slot. De verdachte is met een fles geslagen, met een mes bedreigd en meerdere malen door slachtoffer en betrokkene geschopt. De betrokkene heeft de verdachte een kopstoot gegeven. Vervolgens hebben slachtoffer en betrokkene onder bedreiging met de fles en een mes de verdachte gedwongen zich uit te kleden en zijn spullen af te geven, waaronder een voorraad verdovende middelen. De betrokkene heeft vervolgens de woonkamer verlaten nadat hij had gedreigd dat hij na vijf minuten zou terugkomen en dat hij dan de verdachte zou vermoorden. De verdachte heeft het mes, dat door het slachtoffer op tafel was gelegd, gepakt en is naar het slachtoffer gelopen. Deze draaide zich om en maakte een beweging alsof hij de verdachte wilde aanvallen. Daarop heeft de verdachte het slachtoffer zestien maal gestoken en/of gesneden. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof dat de verdachte ver buiten de grenzen van de noodzakelijke verdediging is getreden, waarin besloten ligt dat gelet op de specifieke omstandigheden van het geval die wijze van verdedigen in een onredelijke verhouding tot de ernst van de aanranding staat, doordat hij met dodelijk gevolg het slachtoffer zestien maal met een mes heeft gestoken en/of gesneden nadat het slachtoffer – die op dat moment kennelijk ongewapend was – een beweging maakte alsof hij de naar hem toelopende verdachte wilde aanvallen, niet onbegrijpelijk is. Dat oordeel draagt immers, gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld, de afwijzing van het beroep op noodweer zelfstandig. De Hoge Raad overweegt met betrekking tot de klacht dat het hof het beroep op noodweerexces ten onrechte, althans op ontoereikende gronden heeft verworpen dat het hof feitelijk en niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat als gevolg van de aanranding bij de verdachte een gemoedsbeweging van beperkte intensiteit is teweeggebracht en dat sprake is geweest van een verregaande mate van overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging. De Hoge Raad oordeelt dat het daarop gegronde oordeel van het hof dat het beroep op noodweerexces moet worden verworpen, gelet op hetgeen is vooropgesteld, niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is en, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder kan worden getoetst.
Annotatie
‘Verdachte was door het hof veroordeeld wegens het vervaardigen en in bezit hebben van afbeeldingen van seksuele gedragingen van vier minderjarige meisjes, die ten tijde van de bewezenverklaarde gedragingen tussen de 13 en 15 jaar oud waren…’, zo begint de recent geplaatste annotatie van J.M. ten Voorde bij ECLI:NL:HR:2016:213 SR-Updates 2016-0078, waar ik u graag op attendeer.
SR Talk Sessie
Graag wijs ik u op de SR-Talk-sessie van dinsdag 10 mei 2016, donderdag 15 september 2016 en donderdag 15 december 2016, waarin de actuele jurisprudentie wordt besproken. Klik hier voor meer informatie.
Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar sr-updates@budh.nl.
Veel leesplezier.
Met vriendelijke groet,
J.H.J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates
Hoge Raad
- Hoge Raad De Hoge Raad geeft in dit arrest – aan de hand van zijn eerdere rechtspraak – een samenvattend overzicht van mogelijke aandachtspunten dat bij de beoordeling van een beroep op noodweer(exces) handvatten biedt. 22-03-2016
- Hoge Raad De beslissing tot gegrondverklaring van het beklag is ontoereikend gemotiveerd, nu de rechtbank met haar overweging niet de ten aanzien van de onderscheiden beslagen aan te leggen maatstaf heeft toegepast. 15-03-2016
- Hoge Raad Slagende bewijsklacht deelneming aan een criminele organisatie. 15-03-2016
- Hoge Raad Alcoholslotprogramma: het oordeel van het hof dat het OM ontvankelijk is in de vervolging getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. 15-03-2016
- Hoge Raad De bewijsvoering van het hof biedt onvoldoende grond voor diens oordeel dat, zoals is bewezenverklaard, verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot het ‘medeplegen’ van diefstal met geweld jegens aangever. 15-03-2016
- Hoge Raad De in beslag genomen voorwerpen zijn aan de klager teruggegeven, zodat het middel geen behandeling in cassatie rechtvaardigt omdat de klager onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep. 15-03-2016
- Hoge Raad Falende bewijsklacht deelname aan een criminele organisatie. 15-03-2016
- Hoge Raad Het hof heeft het bewezenverklaarde terecht gekwalificeerd als ‘als jongere die kwalificatieplichtig is de verplichting tot geregeld volgen van onderwijs niet nakomen’. 15-03-2016
- Hoge Raad De beslissing van het hof om tegen de verdachte verstek te verlenen en het onderzoek ter terechtzitting voort te zetten is achteraf bezien onjuist. 15-03-2016
- Hoge Raad De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening gegrond, nu sprake is van een persoonsverwisseling. 15-03-2016
- Hoge Raad Het oordeel dat de verdachte tijdens het verhoor ‘terecht (...) door de politie als getuige en niet als verdachte [is] aangemerkt’, waarmee het hof tot uitdrukking heeft gebracht dat op het moment dat dit verhoor plaatsvond de verbalisanten in redelijkheid hebben kunnen aannemen dat ten aanzien van de verdachte nog geen redelijk vermoeden van schuld aanwezig was, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. 15-03-2016
- Hoge Raad Falende bewijsklacht deelneming aan een criminele organisatie. 15-03-2016
- Hoge Raad De door de verdediging naar voren gebrachte stelling vergt een onderzoek van feitelijke aard, zodat daarop niet voor het eerst in cassatie met vrucht een beroep kan worden gedaan. 15-03-2016
- Hoge Raad Falende bewijsklacht deelneming aan een criminele organisatie. 15-03-2016
- Hoge Raad Slagende bewijsklacht deelneming aan een criminele organisatie. 15-03-2016
- Hoge Raad Alcoholslotprogramma: het oordeel van het hof dat het OM ontvankelijk is in de vervolging getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. 15-03-2016