Naar boven ↑

Update

Nummer 11, 2016
Uitspraken van 05-03-2016 tot 11-03-2016
Redactie: prof. mr. J.S. Nan en mr. C.L. van der Vis.

Geachte heer/mevrouw,

Bijgaand treft u een nieuwe SR Update aan. Klik hier om de pdf vanaf de website te downloaden.

Rechtspraak
De afgelopen weken is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs:

Kwalificatie vrijheidsberoving en gijzeling (SR-2016-0124)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie diefstal met bedreiging in vereniging, onder strafverzwarende omstandigheden en medeplegen van gijzeling is bewezenverklaard, over de kwalificatie van het feit en de strafoplegging. De Hoge Raad overweegt ten aanzien van de kwalificatie, na het aanhalen van artikel 282 lid 1 Sr en artikel 282a lid 1 Sr, dat de dader van het in laatstgenoemde artikel slechts strafbaar is indien hij handelt met het oogmerk om een ander dan de gijzelaar te dwingen iets te doen of niet te doen. Wanneer de wederrechtelijke vrijheidsberoving strekt tot het dwingen van de gijzelaar zelf en niet van een derde om iets te doen of niet te doen, is geen sprake van gijzeling zoals bedoeld in dat artikel (vgl. ECLI:NL:HR:2015:1695, SR-2015-0289). Met ‘een ander’ in dat artikel wordt echter niet alleen gedoeld op iemand die niet wederrechtelijk van de vrijheid is beroofd (vgl. ECLI:NL:HR:2004:AO0609), zodat de omstandigheid dat ook die ‘ander’ van zijn vrijheid is beroofd, niet aan toepassing van dat artikel in de weg staat. De Hoge Raad verbetert de kwalificatie met vernietiging van de bestreden uitspraak: nu blijkens de bewezenverklaring de tienerdochters opzettelijk wederrechtelijk van hun vrijheid zijn beroofd met het oogmerk om de eveneens wederrechtelijke van hun vrijheid beroofde man en vrouw te dwingen om te zeggen waar het geld en de juwelen waren, had de bewezenverklaring wat betreft de man en vrouw moeten worden gekwalificeerd als: ‘medeplegen van opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd’, en wat betreft de tienerdochters als ‘medeplegen van gijzeling, meermalen gepleegd’. Het hof heeft ten aanzien van de strafoplegging overwogen dat de strafoplegging in overeenstemming is met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De verdachte heeft zich samen met zijn mededaders in de nacht schuldig gemaakt aan een gewelddadige woningoverval. De slachtoffers, een echtpaar en hun twee tienerdochters, zijn ruw uit hun slaap gewekt door vier overvallers die hun gezicht hadden bedekt met bivakmutsen. Het echtpaar werd geslagen, waarbij de vrouw met een scherp voorwerp in haar wang is gestoken en buiten bewustzijn is geraakt. De polsen van het echtpaar zijn met tie-wraps vastgebonden. De slachtoffers zijn gedurende de overval in de badkamer van hun woning vastgehouden met een van de overvallers voor de deur. Door de overvallers werd gedreigd met het afknippen van vingers en het ‘spelen van een spelletje’ met de dochters. De twee dochters konden vanwege hun eigen benarde situatie niets voor hun ouders doen, terwijl de ouders op hun beurt niets voor hun dochters konden doen. De overval vond ’s nachts plaats in een woning waar de vier slachtoffers op dat moment verbleven, een plaats waar zij zich bij uitstek veilig zouden moeten voelen. Het is algemeen bekend dat gebeurtenissen als hiervoor omschreven grote emotionele impact hebben op de slachtoffers. De impact die de overval op hen heeft gehad blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaringen alsook de mondelinge slachtofferverklaring van een van de slachtoffers ter zitting in hoger beroep. Hieruit komt naar voren dat hun leven sindsdien niet meer hetzelfde is. Die nacht werd alles letterlijk en figuurlijk overhoop gegooid. De veiligheid in hun eigen huis is weggeslagen. De impact op hun gezinsleven is groot. De slachtoffers kampen nog steeds met de lichamelijke en geestelijke gevolgen van de overval. De verdachte heeft zich kennelijk laten leiden door de zucht naar financieel gewin zonder stil te staan bij de gevolgen van hun handelen voor de slachtoffers. Een dergelijk feit schokt de rechtsorde en draagt bij aan algemene gevoelens van onveiligheid. Het hof heeft voorts gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie waaruit blijkt dat verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld, onder meer voor vermogensdelicten en geweldsdelicten. Zoals ook door de advocaat-generaal naar voren is gebracht, leiden de LOVS bij een woningoverval tot een (basis)gevangenisstraf van vijf jaren. Er is in dit geval sprake van een aantal strafverhogende factoren, zoals het feit dat sprake was van meerdere overvallers, het toegepaste geweld en de grove bedreigingen, de twee uren durende gijzeling en het strafrechtelijk verleden van verdachte. De Hoge Raad oordeelt dat gelet op de bewezenverklaarde feiten, de door het hof gebezigde kwalificatie en de strafmotivering moet worden aangenomen dat het hof in de verbeterde kwalificatie geen aanleiding zou hebben gevonden tot opleggen van een lagere straf.

Bewijsklacht medeplegen poging moord (SR-2016-0125)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie medeplegen poging moord is bewezenverklaard, over de motivering van de bewezenverklaring. Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring overwogen dat de verdediging heeft gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat verdachte zelf geen uitvoeringshandelingen heeft verricht en medeplegen niet kan worden bewezen aangezien tussen hem en medeverdachte geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Het hof stelt voorop dat uit de gebruikte bewijsmiddelen volgt dat sprake is van een door de medeverdachte gepleegde poging tot moord op het slachtoffer hetgeen door de verdediging ook niet is betwist. De volgende vraag die voorligt, is of verdachte kan worden aangemerkt als medepleger van deze poging tot moord. Het hof stelt allereerst vast, dat niet is gebleken dat verdachte enige uitvoeringshandeling in de zin van het schoppen en/of slaan van het slachtoffer heeft verricht. Echter, ook zonder dat verdachte een uitvoeringshandeling heeft verricht kan sprake zijn van medeplegen. Het hof overweegt ter zake in de eerste plaats dat verdachte weliswaar een aantal malen tegen de medeverdachte heeft gezegd dat hij moest stoppen met het geweld tegen het slachtoffer, maar zich verder passief heeft opgesteld en hij in het tijdsbestek van de uren waarin het geweld werd gepleegd geen enkele feitelijke poging heeft ondernomen om het geweld te (laten) stoppen terwijl hij daartoe wel reële mogelijkheden had. Verdachte had, zoals hij zelf ook heeft verklaard, de politie kunnen bellen, of metterdaad in kunnen grijpen, hetgeen hij niet heeft gedaan. Verdachte heeft gelet op de aard en de duur van het uitgeoefende geweld moeten doorzien wat er dreigde te gebeuren als gevolg daarvan, te weten de dood van het slachtoffer. Toen voor verdachte ook duidelijk werd dat het slachtoffer weerloos was (gemaakt) en daardoor in hulpeloze toestand verkeerde, had verdachte zelfs in móeten grijpen. Verdachte heeft zich ook niet van het geweld gedistantieerd, terwijl hij dat wel had kunnen doen. Verdachte is weliswaar een aantal keren weggelopen naar het toilet, maar ‘meer omdat hij even geen zin had in wat er daar gebeurde’. Dit terwijl niets hem in de weg stond om helemaal weg te gaan en te blijven. Steeds is hij toch weer teruggegaan. Ook uit de omstandigheid dat verdachte het slachtoffer weer op zijn stoel heeft gezet komt naar voren dat verdachte geen afstand heeft genomen van hetgeen voorviel. Volgens verdachte kwam hij telkens weer terug omdat hij in shock was en niet goed kon handelen. Dat acht het hof echter – ook tegen de achtergrond van de door de verdediging gestelde ADHD-problematiek – niet aannemelijk. Daarnaast blijkt uit de bewijsmiddelen – verdachte heeft onder meer verklaard dat het slachtoffer alles maar over zich heen heeft laten komen omdat hij tegen ‘ons’ (bedoeld zal zijn: de medeverdachte en verdachte) toch niet opgewassen was – dat verdachtes aanwezigheid (mede) voorwaarde was om het delict tot uitvoering te brengen. Verder kent het hof betekenis toe aan de omstandigheid dat verdachte en de medeverdachte op een gegeven moment de woning van het slachtoffer gezamenlijk hebben verlaten, terwijl – zoals verdachte wist – het slachtoffer op dat moment bloedend en in elkaar gedoken op de grond lag en niets meer zei. Hij heeft hem naar eigen zeggen ‘voor verrot’ achtergelaten. Toen verdachte en de medeverdachte even later terugkwamen bij die woning en de medeverdachte naar zijn kamer boven in het pand was gegaan, is verdachte naar huis gegaan zonder zich ook maar enigszins te bekommeren om het slachtoffer die door hen in hulpeloze toestand was achtergelaten. Ook thuis heeft verdachte niets gedaan om het slachtoffer alsnog te helpen, bijvoorbeeld door een ambulance te bellen of de politie in te schakelen. De Hoge Raad overweegt dat het hof in zijn bewijsoverweging heeft gemotiveerd op grond waarvan naar zijn oordeel het tenlastegelegde ‘medeplegen’ bewezen is. De Hoge Raad oordeelt dat de door het hof in aanmerking genomen feiten en omstandigheden onvoldoende zijn om te kunnen aannemen dat de verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het delict. Een bijdrage van de verdachte die als een ‘intellectuele of materiële bijdrage’ van voldoende gewicht aan het delict kan worden aangemerkt, kan ook niet uit de bewijsmiddelen volgen.

Verstekverlening (SR-2016-0126)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie bij verstek onder meer medeplegen diefstal en mishandeling is bewezenverklaard, over de verstekverlening tegen de niet verschenen verdachte, aangezien deze ten tijde van de behandeling van zijn zaak uit anderen hoofde was gedetineerd en niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht bij de behandeling aanwezig te zijn. In cassatie is een ‘attest van gevangenschap-vrijstelling’ overlegd van de Belgische Federale Overheidsdienst Justitie. Uit dit stuk blijkt dat de verdachte gedetineerd was in België. De Hoge Raad overweegt dat uitgangspunt is dat indien de dagvaarding van een verdachte die is ingeschreven in de BRP, rechtsgeldig is betekend en de verdachte noch een bepaaldelijk gevolmachtigd raadsman op de terechtzitting is verschenen, de rechter – behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel – kan uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Nochtans bestaat de mogelijkheid dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Dit kan zich voordoen indien de verdachte, zoals naar moet worden aangenomen hier het geval is geweest, ten tijde van de behandeling van zijn zaak in verband met een andere strafzaak was gedetineerd zonder dat dit de rechter bekend was. De Hoge Raad oordeelt dat uit het ‘attest’ – aan de herkomst en betrouwbaarheid waarvan in redelijkheid niet behoeft te worden getwijfeld – moet worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep in verband met een andere zaak in België was gedetineerd, zodat de beslissing van het hof om tegen de verdachte verstek te verlenen en het onderzoek ter terechtzitting voort te zetten, achteraf bezien onjuist was. Het vorenoverwogene brengt, gelet op het grote belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, mee dat de verdachte de mogelijkheid dient te hebben om zijn zaak alsnog in hoger beroep in zijn tegenwoordigheid te doen behandelen.

Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar sr-updates@budh.nl.

Veel leesplezier.

Met vriendelijke groet,

J.H.J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates

Hoge Raad