Naar boven ↑

Update

Nummer 10, 2016
Uitspraken van 27-02-2016 tot 04-03-2016
Redactie: prof. mr. J.S. Nan en mr. C.L. van der Vis.

Geachte heer/mevrouw,

Bijgaand treft u een nieuwe SR Update aan. Klik hier om de pdf vanaf de website te downloaden.

Rechtspraak
De afgelopen weken is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs:

Uitlokken (SR-2016-0106)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie opzettelijk uitlokken van het verkrijgen van gegevens door het beperkt verschaffen van inlichtingen van een aantal personen met als doel aanvullende gegevens te verkrijgen is bewezenverklaard, over het oordeel van het hof dat de door de verdachte verstrekte gegevens kunnen worden aangemerkt als ‘inlichtingen’ als bedoeld in artikel 47 lid 1 onder 2 Sr. Daarnaast klaagt de verdediging over de motivering van het oordeel dat sprake is van uitlokking. Ten aanzien van het eerstgenoemde heeft het hof overwogen dat, blijkens de jurisprudentie, onder het verschaffen van inlichtingen gezien kan worden het doen van mededelingen van feitelijke aard die van belang zijn met het oog op het te plegen delict, in die zin dat zij geschikt zijn om in de omstandigheden van het geval te bewerkstelligen dat het delict wordt gepleegd. Het hof oordeelt dat van een dergelijke situatie sprake was op het moment dat verdachte een concreet verzoek om informatie indiende en verdachte met die bedoeling de namen van de personen, waar de gewenste informatie betrekking op moest hebben, aan betrokkene gaf. De Hoge Raad overweegt dat onder inlichtingen als bedoeld in genoemde bepaling zijn begrepen mededelingen van feitelijke aard die van belang zijn met het oog op het te plegen delict, in die zin dat deze geschikt zijn om in de omstandigheden van het geval te bewerkstelligen dat het delict wordt gepleegd (vgl. ECLI:NL:HR:2001:AB0260). De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof dat, met inachtneming van hetgeen is vooropgesteld, de door de verdachte verstrekte gegevens over de personen over wie hij nadere informatie wenste te verkrijgen, als inlichtingen in de zin van artikel 47 lid 1 onder 2 Sr kunnen worden aangemerkt, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en ook niet onbegrijpelijk is. Ten aanzien van de motivering heeft het hof overwogen dat de omstandigheid dat de betrokkene in een eerder stadium in algemene zin te kennen had gegeven open te staan voor dit soort verzoeken, niet afdoet aan de ten laste gelegde uitlokking. De Hoge Raad overweegt dat een zekere bereidheid in algemene zin tot het plegen van – mogelijk soortgelijke – strafbare feiten bij degene die zou zijn uitgelokt, aan uitlokking niet in de weg staat, omdat het er bij uitlokking om gaat dat de uitgelokte door de uitlokker met gebruikmaking van één of meer uitlokkingsmiddelen wordt aangezet tot het plegen van een specifiek strafbaar feit (vgl. ECLI:NL:HR:1975:AB4660). De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof dat de omstandigheid dat de betrokkene in een eerder stadium in algemene zin te kennen had gegeven open te staan voor informatieverzoeken, aan de ten laste gelegde uitlokkingen niet af doet, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk is.

Betekeningsperikelen (SR-2016-0117)
De verdediging klaagt namens verdachte over het oordeel van het hof dat de appèldagvaarding rechtsgeldig is betekend. De verdediging voert daartoe aan dat getracht had moeten worden de appëldagvaarding uit te reiken op het adres dat de verdachte in de appèlakte heeft doen opnemen. Het hof heeft ten aanzien van de betekening overwogen dat, bij gebreke van een inschrijving van de verdachte in een BRP en dat het door de verdachte in de appèlakte opgegeven adres was achterhaald door het later opgegeven adres, het later opgegeven adres als verdachtes feitelijke woon- of verblijfplaats had te gelden. De Hoge Raad overweegt dat, indien op grond van het daartoe ingestelde onderzoek als vaststaand kan worden aangenomen dat de verdachte niet is ingeschreven in een BRP en niet in Nederland is gedetineerd, de betekening in elk geval geldig is indien de dagvaarding is aangeboden aan de feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte en – omdat hij aldaar niet werd aangetroffen – is uitgereikt aan iemand die zich op dat adres bevond en zich bereid verklaarde de dagvaarding onverwijld aan de verdachte te doen toekomen (artikel 588 lid 3 sub a Sv) (vgl. ECLI:NL:HR:2002:AD5163, r.o 3.17). De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof dat de appèldagvaarding rechtsgeldig is betekend, gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld, ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk is.

Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar sr-updates@budh.nl.

Veel leesplezier.

Met vriendelijke groet,

J.H.J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates