Naar boven ↑

Update

Nummer 8, 2015
Uitspraken van 28-02-2015 tot 06-03-2015
Redactie: prof. mr. J.S. Nan en mr. C.L. van der Vis.

Geachte heer/mevrouw,

Bijgaand treft u een nieuwe SR Update aan.

Rechtspraak
De afgelopen weken is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs:

Cassatie in het belang van de wet: verhouding tussen de zittingsrechter en de Rechter-Commissaris (SR 2015-0104)
De Hoge Raad overweegt dat de onduidelijkheid die sinds de invoering van de Wet versterking positie rechter-commissaris in de praktijk blijkt te bestaan omtrent taken en bevoegdheden van de rechter-commissaris ingeval deze zijn onderzoek op de voet van art. 181 e.v. Sv nog niet heeft voltooid op het moment waarop de verdachte is of zal worden gedagvaard, wat de achtergrond van deze vordering is en dat de procureur-generaal heeft gewezen op de volgende drie vragen die in het bijzonder beantwoording zouden behoeven:

  1. In hoeverre is de rechter-commissaris nog bevoegd onderzoekshandelingen te verrichten en te beslissen op vorderingen of verzoeken om nader onderzoek indien de verdachte is gedagvaard?
  2. Kunnen de officier van justitie en de verdachte na verwijzing door de zittingsrechter op de voet van art. 316 Sv op grond van art. 185 Sv de in art. 181 Sv en 183 Sv bedoelde vorderingen respectievelijk verzoeken tot het verrichten van onderzoekshandelingen doen?
  3. Staat een rechtsmiddel open tegen afwijzende beslissingen die de rechter-commissaris na dagvaarding of na verwijzing neemt op wensen tot het verrichten van onderzoekshandelingen?

Ten aanzien van de vraag naar de bevoegdheid van de rechter-commissaris tot voortzetting onderzoek na dagvaarding overweegt de Hoge Raad dat in de eerste plaats de vraag of de rechter-commissaris bevoegd is nog onderzoekshandelingen te verrichten en te beslissen op verzoeken of vorderingen om nader onderzoek in het geval dat de officier van justitie de rechter-commissaris op de voet van art. 238, tweede lid, Sv in kennis heeft gesteld dat tot dagvaarding van de verdachte zal worden overgegaan ter behandeling staat. De Hoge Raad stelt voorop dat het onderzoek ter terechtzitting een aanvang neemt door het doen uitroepen van de zaak door de voorzitter en dat vanaf dat moment de zaak in handen is van de zittingsrechter, de zaak niet meer bij hem kan worden weggehaald en dat hij de regie heeft over de behandeling van de zaak. Na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting is het de zittingsrechter die op de voet van art. 316 Sv moet beslissen of enig (nader) onderzoek door de rechter-commissaris noodzakelijk is. Een redelijke uitleg van art. 238, tweede lid, Sv brengt mee dat na de kennisgeving van de officier van justitie dat tot dagvaarding zal worden overgegaan, de rechter-commissaris bevoegd is tot voortzetting van zijn reeds lopende onderzoek zolang het onderzoek ter terechtzitting nog niet is aangevangen. De bevoegdheid tot voortzetting van het onderzoek na (mededeling van het voornemen tot) dagvaarding is beperkt tot het onderzoek dat de rechter-commissaris noodzakelijk acht. Na die kennisgeving is voor vorderingen of verzoeken om onderzoekshandelingen te verrichten geen plaats. Tegen afwijzing door de rechter-commissaris van na (kennisgeving van) dagvaarding naar voren gebrachte wensen tot onderzoek staat dientengevolge voor de verdachte geen bezwaarschrift (art. 183, derde lid, Sv) en voor de officier van justitie geen hoger beroep (art. 446, eerste lid, Sv) open. Ten aanzien van de vorderingen of verzoeken aan de rechter-commissaris tot onderzoekshandelingen na verwijzing overweegt de Hoge Raad dat de tweede opgeworpen vraag is of na verwijzing uit hoofde van art. 316 Sv naar de rechter-commissaris de toepasselijkheid van art. 185, tweede lid, Sv op het onderzoek van de rechter-commissaris impliceert dat de officier van justitie kan vorderen (art. 181, eerste lid, Sv) en de verdachte kan verzoeken (art. 183, eerste lid, Sv) dat de rechter-commissaris onderzoekshandelingen verricht. De Hoge Raad overweegt dat de art. 181 en 183 Sv niet van overeenkomstige toepassing zijn op het onderzoek door de rechter-commissaris na verwijzing (art. 316, derde lid, Sv). Voor vorderingen van de officier van justitie of verzoeken van de verdachte als in die bepalingen bedoeld, is na verwijzing (art. 316 Sv) dan ook geen plaats. Aan de bevoegdheid van de rechter-commissaris om een regiebijeenkomst te beleggen van (het wel van overeenkomstige toepassing verklaarde) art. 185, tweede lid Sv, kan dan ook niet worden ontleend dat de bedoelde vorderingen of verzoeken toch kunnen worden gedaan. Ten aanzien van het beroep of bezwaar tegen beslissingen van de rechter-commissaris na dagvaarding of verwijzing overweegt de Hoge Raad dat na (kennisgeving van) dagvaarding of na verwijzing (art. 316 Sv) geen plaats is voor vorderingen of verzoeken aan de rechter-commissaris als bedoeld in art. 181 en 183 Sv. Dat brengt mee dat tegen een in die fase door de rechter-commissaris gegeven afwijzing van aan hem door de officier van justitie of de verdachte kenbaar gemaakte onderzoekswensen geen hoger beroep (art. 446, eerste lid, Sv) openstaat, respectievelijk geen bezwaarschrift (art. 183, derde lid, Sv) kan worden ingediend. Een andere opvatting zou afbreuk doen aan de sturende positie van de zittingsrechter en nodeloze complicaties kunnen veroorzaken.

Alcoholslot (SR-2015-0101)
In de kern gaat het in deze zaak om de vraag in hoeverre het door het CBR opgelegde alcoholslot gevolgd kan worden door een veroordeling van de strafrechter voor hetzelfde feit, namelijk het (nogmaals) rijden onder invloed. Het middel van het Openbaar Ministerie klaagt over het oordeel van het hof dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte wegens overtreding van art. 8 WVW 1994. Het hof heeft geoordeeld dat het ne bis in idem-beginsel van art. 68 Sr in de weg staat aan de strafrechtelijke vervolging van de verdachte nadat aan verdachte de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma (hierna: ASP) was opgelegd. Tevens heeft het Openbaar Ministerie geklaagd dat ten onrechte de oplegging van de alcoholslotmaatregel als een 'criminal charge' in de zin van art. 6 EVRM wordt aangemerkt. Het hof is van oordeel dat de oplegging van de maatregel van het alcoholslot door het CBR een criminal charge in de zin van art. 6, eerste lid van het EVRM is, en dat deze maatregel als zodanig gelijk moet worden gesteld aan in de strafrechtspleging op te leggen sancties. Naar het oordeel van het hof is een strafrechtelijke vervolging voor hetzelfde feitencomplex als waarvoor reeds de maatregel van het alcoholslot is opgelegd in strijd met het wettelijk stelsel. Hieraan moet de conclusie worden verbonden dat het Openbaar Ministerie op grond van art. 68 van het Wetboek van Strafrecht niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Het oordeel van het hof dat in de onderhavige zaak het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel faalt en de Hoge Raad bevestigt de uitspraak van het hof. Bij de huidige Nederlandse regelgeving is de strafvervolging van een verdachte ter zake van het rijden onder invloed in strijd met de beginselen van een goede procesorde in die gevallen waarin de verdachte op grond van datzelfde feit de onherrroepelijk geworden verplichting tot deelname aan het ASP is opgelegd. Die beginselen van een goede procesorde kunnen immers meebrengen dat een inbreuk op het beginsel dat iemand niet tweemaal kan worden vervolgd en bestraft voor het begaan van hetzelfde feit, de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging tot gevolg heeft. De Hoge Raad merkt tevens alvast op dat zowel de oplegging van het alcoholslot, de daaraan ten grondslag liggende regelgeving en het in dit arrest gegeven oordeel niet kan worden aangemerkt als een novum als vereiste voor herziening.

Vanaf 5 maart: LIVE WEBINAR SR Updates Talk – Jurisprudentie actueel en verdiept
SR Talk biedt u de unieke gelegenheid om per kwartaal online te worden bijgepraat over de laatste ontwikkelingen op het gebied van het straf(proces)recht. Het betreft vooral actuele jurisprudentie. U kunt daarnaast ook denken aan wetsvoorstellen of belangwekkende tijdschriftartikelen. Bij terugkerende thema's in de jurisprudentie van het besproken kwartaal zal de docent in het tweede uur van de cursus dit thema specifiek verder uitdiepen.

Docenten: Prof. mr. Paul Mevis, mr. Joost Verbaan en mr. dr. Joost Nan, verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam
Data: 4 juni, 3 sept, 3 dec 2015. Meer informatie en inschrijven.
Prijs: € 138,- ex BTW per webinar incl. 2 PO-punten
Organisatie: Law At Web, onderdeel van Boom Juridische uitgevers.
www.lawatweb.nl

Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar sr-updates@budh.nl.

Veel leesplezier.

Met vriendelijke groet,

J.H.J. Verbaan

Hoofdredacteur SR Updates

Hoge Raad