Naar boven ↑

Update

Nummer 42, 2015
Uitspraken van 15-12-2015 tot 21-12-2015
Redactie: prof. mr. J.S. Nan en mr. C.L. van der Vis.

Geachte heer/mevrouw,

Bijgaand treft u een nieuwe SR Update aan. Klik hier om de pdf vanaf de website te downloaden.

Rechtspraak
De afgelopen weken is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs:

Afwijzing verzoek om postbode te horen (SR-2015-0590)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie overtreding van artikel 107 WVW 1994 en overtreding artikel 30 lid 4 WAM is bewezenverklaard, over de afwijzing van het hof van het verzoek een getuige te horen. Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep met daarbij de overweging dat de kantonrechter bij verstek een vonnis heeft gewezen, dat zich in het dossier een akte van uitreiking mededeling uitspraak 12 november 2012, waaruit blijkt dat de verdachte op 21 januari 2013 geweigerd heeft deze akte in ontvangst te nemen, bevindt. Waaruit wordt afgeleid dat verdachte op 21 januari 2013 bekend is geworden met het feit dat de kantonrechter op 12 november 2012 uitspraak in zijn zaak heeft gedaan. Dat verdachte geen kennis heeft genomen van de inhoud van het vonnis daar niet aan af doet, nu verdachte daarvan wel kennis had kunnen nemen indien hij de akte aangenomen had. Het hof oordeelt dat verdachte gelet daarop binnen een termijn van veertien dagen na 21 januari 2013 hoger beroep diende in te stellen. De verdachte heeft echter eerst op 19 september 2014 tegen voornoemd vonnis hoger beroep ingesteld en nu het niet tijdig is ingesteld en niet is gebleken van omstandigheden die deze termijnoverschrijding verontschuldigbaar doen zijn, verklaart het hof verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep. De verdediging betwist hierop dat verdachte de uitreiking van de gerechtelijke brief heeft geweigerd, met als onderbouwing dat verdachte niet op het bewuste adres woonachtig was en de postbode wellicht de verdachte van de verdachte heeft gesproken. Daarop doet de verdediging het verzoek de postbode te horen. Het hof deelt daarop mede dat vaststaat dat de postbode op de uitreikingsakte heeft aangetekend dat de geadresseerde, zijnde verdachte, geweigerd heeft de gerechtelijke brief in ontvangst te nemen. Dat de enkele mededeling dat het niet verdachte was die de brief heeft geweigerd onvoldoende is, nu verdachte en zijn vader evenmin ter terechtzitting aanwezig zijn. Dat nergens uit blijkt dat het niet verdachte was die de brief heeft geweigerd. Dat verdachte de inhoud van de brief niet heeft bekeken niet daaraan afdoet dat hij daarvan kennis had kunnen nemen. Het hof wijst gelet daarop het verzoek van de raadsman tot het horen van de postbode, mede gelet op het tijdsverloop, af. De Hoge Raad overweegt na vaststelling van de stukken, dat het hof het verzoek van de raadsman van de verdachte om de postbode die op 21 januari 2013 tevergeefs de door het hof vermelde mededeling uitspraak heeft aangeboden op het eerder genoemde adres, als getuige te horen, heeft afgewezen. Dat het hof is gekomen tot de afwijzing mede gelet op het tijdsverloop en op de grond dat de verdachte en zijn vader evenmin ter terechtzitting aanwezig waren en nergens uit blijkt dat het niet verdachte was die de brief heeft geweigerd. De Hoge Raad overweegt dat het verzoek van de raadsman van de verdachte tegen de achtergrond van de ontvankelijkheid in het hoger beroep is gedaan en dat het hof de verdachte, mede gelet op hetgeen de postbode heeft gerelateerd in de akte van uitreiking, niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep. De Hoge Raad oordeelt dat de afwijzing van het hof van het verzoek de postbode op te roepen als getuige, gelet daarop en in het licht van hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd alsmede in aanmerking genomen dat de verdachte ten tijde van de aanbieding van de mededeling uitspraak in de GBA stond ingeschreven op een adres in ander plaats en niet op het bewuste adres waar de mededeling is aangeboden, niet zonder meer begrijpelijk is.

Radarontvangstapparaat (SR-2015-0591)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie overtreding van artikel 3 van het Besluit voertuigen is bewezenverklaard, over de motivering van de bewezenverklaring voor zover inhoudende dat [het in de auto aanwezige radarontvangst-apparaat] geschikt was om de aanwezigheid aan te tonen van een apparaat dat tot doel had om een overschrijding van de maximumsnelheid vast te stellen. Het hof heeft overwogen dat uit het proces-verbaal van verbalisant is komen vast te staan dat in of aan het motorvoertuig van de verdachte een zogenaamd radarontvangst apparaat was gebouwd, als bedoeld in artikel 3 Besluit voertuigen en verdachte dit ter zitting in hoger beroep ook heeft bekend. Vervolgens overweegt het hof dat de stelling van de verdachte dat van een zodanig apparaat geen sprake was omdat de software er niet op was geïnstalleerd zodat het apparaat feitelijk niet functioneerde geen grondslag vindt in het recht, dat voor het bewijs van geschiktheid als bedoeld in artikel 3 van het Besluit, immers niet hoeft vast te staan dat het apparaat ten tijde van het constateren van de overtreding, functioneerde. Het hof oordeelt dat in dit verband de technische bestemming van het apparaat in die zin dat het apparaat kennelijk is ontworpen beslissend is en tot doel heeft de aanwezigheid te signaleren van in gebruik zijnde radarapparatuur waarmee snelheden worden vastgesteld. De Hoge Raad overweegt dat uit de vaststellingen van het hof blijkt dat in zijn auto een zogenoemde Spectrum Analyzer aanwezig was die als antenne-eenheid was aangesloten op een zogenoemde Stinger DSI en dat een Spectrum Analyzer radarsignalen kan opvangen en dat het hof de tenlastelegging kennelijk aldus heeft verstaan dat met het tenlastegelegde ‘radarontvangstapparaat’ de combinatie van de beide apparaten is bedoeld. De Hoge Raad overweegt vervolgens dat hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd door de verdachte die niet van rechtsbijstand was voorzien, in het bijzonder dat ‘in zijn auto geen radarontvangstapparaat aanwezig was’, niet louter van feitelijke aard is maar daarnaast de rechtsvraag aan de orde stelt of de aangetroffen apparatuur op zichzelf beschouwd kan worden aangemerkt als een radarontvangstapparaat als bedoeld in artikel 2 lid 1 van voormeld Besluit, omdat het tot radardetectie geschikt is. Daarmee is een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van artikel 359 lid 2 tweede volzin Sv ingenomen en dienen bij niet aanvaarding daarvan in het bijzonder de redenen die daartoe hebben geleid in het arrest te worden opgenomen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof het verweer van de verdachte dat niet van een radarontvangstapparaat in de hier bedoelde zin sprake was omdat het apparaat feitelijk niet functioneerde vanwege het ontbreken van de benodigde software, toereikend gemotiveerd heeft verworpen. De verwerping daarvan op de grond dat voor het bewijs van geschiktheid als bedoeld in artikel 3 Besluit voertuigen niet hoeft vast te staan dat het apparaat ten tijde van het constateren van de overtreding functioneerde, is juist (vgl. ECLI:NL:HR:2006:AX6420). Met betrekking tot het verweer van de verdachte, dat erop neerkomt dat vanwege het ontbreken van de vereiste hardware geen sprake is van een – kort gezegd – voor radardetectie geschikt apparaat, oordeelt de Hoge Raad dat het hof nader had behoren te motiveren waarom het van oordeel was dat dat verweer moest worden verworpen. Derhalve is de bewezenverklaring niet naar de eis van de wet met redenen omkleed.

Stafford Annie gevaarlijk dier? (SR-2015-0592)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie het onvoldoende zorg dragen voor een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier, is bewezenverklaard, over de motivering van de bewezenverklaring door het hof, in het licht van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt inhoudende dat de hond van de verdachte niet reeds ten tijde van het tenlastegelegde als gevaarlijk kon worden beschouwd. Het hof heeft dat standpunt als volgt verworpen: vooropgesteld dient te worden dat een hond niet eerst dan als ‘gevaarlijk’ in de zin van artikel 425 Sr kan worden aangemerkt als die hond bij eerdere bijtincidenten betrokken is geweest. Ook een hond waarvan op grond van andere feiten of omstandigheden kan worden aangenomen dat hij gevaren oplevert welke voormelde wetsbepaling in het algemeen heeft willen voorkomen, moet als gevaarlijk in de zin die wetsbepaling worden aangemerkt. Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat hond Annie een mishandelde en verwaarloosde hond was en dat zij na het vroegtijdig afbreken van de trainingen kennelijk nog steeds mentaal onzeker/niet weerbaar was en op straat in conflictsituaties geraakte. Ook vertoonde de hond kort voorafgaand aan het bijtincident gedrag dat door getuige Batenburg, zelf bezitter van een Stafford, als opvallend ‘opgefokt’ werd aangeduid. Het hof oordeelt dan ook dat op grond van deze feiten en omstandigheden aangenomen kan worden dat er een aanmerkelijk risico bestond dat hond Annie zonder voorzorgsmaatregelen gevaarlijk voor personen en/of andere dieren kon zijn en derhalve als ‘gevaarlijk’ in de zin van artikel 425 Sr moet worden aangemerkt. De Hoge Raad overweegt, na het aanhalen van artikel 425 aanhef en onder 2° Sr, dat het hof met juistheid heeft geoordeeld dat een hond niet eerst dan als ‘gevaarlijk’ in de zin van artikel 425 Sr kan worden aangemerkt als die hond bij eerdere bijtincidenten betrokken is geweest. Ook een hond waarvan op grond van andere feiten of omstandigheden kan worden aangenomen dat hij gevaren oplevert welke voormelde wetsbepaling in het algemeen heeft willen voorkomen, moet als gevaarlijk in de zin van die wetsbepaling worden aangemerkt (vgl. ECLI:NL:HR:1992:ZC8999). De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof, gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van de verdachte, dat de hond reeds vóór de overtreding gevaarlijk voor personen kon zijn en derhalve een gevaarlijke dier in de zin van artikel 425 aanhef en onder 2° Sr, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en toereikend gemotiveerd is.

Annotatie
‘Voor de toepassing van artikel 184 Sr weten we (voorlopig) zeker dat de algemene taakstelling van de politie in (thans) artikel 3 PolW geen basis kan zijn voor een “krachtens wettelijk voorschrift gegeven bevel of vordering” in de zin van artikel 184 lid 1 eerste tekstdeel Sr: HR 29 januari 2008, NJ 2008/206. Die bepaling houdt immers niet uitdrukkelijk in dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is een bevel te geven of vordering te doen.’, zo begint de recent geplaatste annotatie van P.A.M. Mevis bij ECLI:NL:HR:2015:3325 en ECLI:NL:HR:2015:3365, SR-Updates 2015-0516, waar ik u graag op attendeer.

Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar sr-updates@budh.nl.

Veel leesplezier.

Met vriendelijke groet,

J.H.J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates

Hoge Raad