Naar boven ↑

Update

Nummer 40, 2015
Uitspraken van 28-11-2015 tot 04-12-2015
Redactie: prof. mr. J.S. Nan en mr. C.L. van der Vis.

Geachte heer/mevrouw,

Bijgaand treft u een nieuwe SR Update aan. Klik hier om de pdf vanaf de website te downloaden.

Rechtspraak
De afgelopen weken is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs:

Poging moord (SR-2015-0551)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie poging tot moord is bewezenverklaard, dat het hof de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, ontoereikend heeft gemotiveerd. Het hof ten aanzien van de bewezenverklaring van de voorbedachte raad overwogen dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad om zich te beraden op zijn te nemen of zijn genomen besluit. Dat dit in het bijzonder geldt voor het tijdsverloop tussen het lossen van de schoten en het in brand steken van de auto. Voorts kent het betekenis toe aan de volgorde van de door de verdachte binnen dat tijdsbestek verrichte handelingen, in die zin dat hij na het schieten van kogels in het onderlichaam van het slachtoffer naar de Mercedes ML is gelopen, daaruit een jerrycan heeft gepakt, is teruggelopen naar de Audi waarin het gewonde slachtoffer was gezeten, daarover benzine heeft gesprenkeld en deze heeft aangestoken. Ook de volgorde en de aard van deze handelingen laten geen andere conclusie toe dan dat de verdachte zich daaromtrent heeft beraden. Het hof overweegt dat op grond van het voorgaande niet anders geconcludeerd kan worden dan dat de verdachte zich rekenschap heeft gegeven van de betekenis en de gevolgen van zijn handelen en contra-indicaties niet aannemelijk zijn geworden. De Hoge Raad overweegt dat voor een bewezenverklaring van ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Dat bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad het bij uitstek gaat om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. Dat de vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing vormt dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar de rechter er niet van behoeft te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Dat mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen moeten worden gesteld en de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht dient te geven. Dat de achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven zich immers moeilijk leent voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Dat de vraag of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, dan sterk afhangt van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Dat daarbij opmerking verdient dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad (vgl. ECLI:NL:HR:2013:963). De Hoge Raad oordeelt dat tegen die achtergrond het hof de bewezenverklaring dat de verdachte met voorbedachte raad ‘met een vuurwapen kogels heeft afgevuurd op het slachtoffer, waarbij het slachtoffer door vier kogels in het lichaam is geraakt, en de auto waarin het slachtoffer zich bevond heeft besprenkeld en overgoten met benzine en vervolgens open vuur in aanraking heeft gebracht met die benzine, ten gevolge waarvan het slachtoffer en die auto vlam hebben gevat’. De Hoge Raad neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking dat:
- het hof heeft geoordeeld dat de gelegenheid voor de verdachte om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en om zich daarvan rekenschap te geven, zich in het bijzonder pas voordeed gedurende het tijdsverloop tussen het lossen van de schoten en het in brand steken van de auto,
- niet zonder meer duidelijk is wat de betekenis is van de door het hof in zijn afwegingen betrokken ‘volgorde van de door de verdachte binnen dat tijdsbestek verrichte handelingen’ en de ‘aard van die handelingen’,
- het hof niets heeft vastgesteld omtrent het tijdsverloop dat met een en ander gemoeid is geweest,
- en het hof heeft vastgesteld dat de verdachte ‘woedend’ was en ook heeft overwogen dat sprake was van een ‘oplopend conflict  dat, vlak voordat de verdachte op het slachtoffer schoot, is ‘geëscaleerd’.

Bijzondere voorwaarde aan voorwaardelijke veroordeling (SR-2015-0552)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie ontucht plegen met iemand die zich als cliënt aan zijn zorg heeft toevertrouwd, meermalen gepleegd is bewezenverklaard, dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd aan de voorwaardelijke veroordeling de voorwaarde heeft verbonden dat de verdachte gedurende de proeftijd geen op fysieke en/of geestelijke gezondheid en/of spirituele en/of persoonlijke ontwikkeling gerichte zorg en/of hulp en/of diensten, al dan niet in het kader van zijn hoedanigheid als medium en/of paragnost en/of hypnotiseur en/of mental coach aan vrouwen zal aanbieden en/of verlenen. Het hof heeft ten aanzien van de strafoplegging onder meer overwogen dat op grond van artikel 14b lid 2 Sr een proeftijd van maximaal tien jaren kan worden opgelegd indien er ernstig rekening moet worden gehouden met het feit dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dat de verdachte heeft geen inzicht getoond in het laakbare van zijn gedrag. Dat de verdachte er kennelijk nog steeds niet van is doordrongen dat hij door zijn handelen als hulpverlener de grenzen van het maatschappelijk aanvaardbare in vergaande mate heeft overschreden. De Hoge Raad overweegt dat een bijzondere voorwaarde als bedoeld in artikel 14c lid 2 onder 14 Sr het gedrag van de veroordeelde dient te betreffen. Als zodanig kunnen worden aangemerkt voorwaarden die strekken ter bevordering van een goed levensgedrag van de veroordeelde of die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht (vgl. ECLI:NL:HR:2007:BA7918). De Hoge Raad oordeelt dat de gestelde bijzondere voorwaarde klaarblijkelijk ertoe strekt dat de verdachte gedurende de proeftijd van vijf jaar in zijn hoedanigheid van medium en/of paragnost en/of hypnotiseur en/of mental coach of een soortgelijke hoedanigheid geen werkzaamheden zal verrichten bestaande in het aan vrouwen verschaffen van op fysieke en/of geestelijke gezondheid en/of spirituele en/of persoonlijke ontwikkeling gerichte zorg en/of hulp en/of diensten. Mede in aanmerking genomen dat niet is aangevoerd dat de verdachte – zo blijkt uit het bewijs dat verdachte zich in de vermelde hoedanigheden aan het publiek afficheert – er niet mee bekend is of kan zijn wat de werkzaamheden als hulpverlener in de bedoelde hoedanigheden omvatten, is de gestelde voorwaarde niet zodanig vaag, dat deze ontoelaatbaar is doordat de verdachte zijn gedrag daarop redelijkerwijs niet zou kunnen afstemmen.

Salduz (SR-2015-0550)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie seksueel binnendringen van het lichaam van kleindochter en het vervaardigen en vastleggen van afbeeldingen van seksuele gedragingen, bij welke afbeeldingen een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt is bewezenverklaard, dat het hof in strijd met een gevoerd verweer de verklaring die de verdachte heeft afgelegd bij de politie zonder dat hij voorafgaand aan het verhoor in de gelegenheid was gesteld een advocaat te raadplegen, bij de bewijsvoering heeft betrokken. Het hof heeft de door de verdachte op 3 juli 2008 bij de politie afgelegde verklaring tot het bewijs gebezigd. De Hoge Raad oordeelt dat het hof daarmee heeft miskend dat, naar uit ECLI:NL:HR:2009:BH3079 volgt, een dergelijk verzuim behoudens een tweetal door de Hoge Raad genoemde uitzonderingen zonder meer tot bewijsuitsluiting dient te leiden. Doen die uitzonderingen zich niet voor, dan zal de desbetreffende verklaring van de verdachte dus niet voor het bewijs mogen worden gebruikt. De Hoge Raad oordeelt dat zulks evenwel bij gebrek aan belang niet tot cassatie behoeft te leiden. Het onjuiste gebruik van voormelde verklaring van de verdachte betekent dat de bewezenverklaring van feit 1 alleen voor zover deze inhoudt dat de verdachte ‘over de borsten en de vagina van het slachtoffer [heeft] gewreven’, ontoereikend is gemotiveerd. Gelet op de inhoud van de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen, is de bewezenverklaring van hetgeen onder 1 overigens en onder 2 is tenlastegelegd immers – ook met weglating van voormelde verklaring van de verdachte – toereikend gemotiveerd. De Hoge Raad oordeelt dat de verdachte geen rechtens te respecteren belang heeft bij vernietiging van de bestreden uitspraak en terug- of verwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling in aanmerking genomen dat de aard en de ernst van hetgeen is bewezenverklaard in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast indien het gewraakte onderdeel uit de bewezenverklaring van feit 1 vervalt.

Annotatie
‘Mag het Openbaar Ministerie bewegende beelden openbaar maken van mishandelingen teneinde de daders op te sporen? In januari 2014 schopte een aantal personen een man na een stapavondje. Een filmpje van deze mishandeling werd gebruikt voor het opsporen van de dader(s)…’, zo begint de recent geplaatste annotatie van H. de Doelder bij ECLI:NL:HR:2015:3024, SR-Updates 2015-0468, waar ik u graag op attendeer.

Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar sr-updates@budh.nl.
 
Veel leesplezier.

Met vriendelijke groet,

J.H.J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates

Hoge Raad