Naar boven ↑

Update

Nummer 37, 2015
Uitspraken van 31-10-2015 tot 13-11-2015
Redactie: prof. mr. J.S. Nan en mr. C.L. van der Vis.

Geachte heer/mevrouw,

Bijgaand treft u een nieuwe SR Update aan. Klik hier om de pdf vanaf de website te downloaden.

Rechtspraak
De afgelopen weken is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs:

Voorwaardelijk opzet op de dood van het ongeboren kind (SR 2015-0493)
De advocaat-generaal klacht over de door het hof gegeven vrijspraak voor het subsidiair tenlastegelegde poging doodslag. Het hof heeft omtrent die vrijspraak overwogen dat vaststaat dat op 28 juni 2007 een confrontatie heeft plaatsgevonden tussen verdachte en aangeefster en dat verdachte aangeefster een trap heeft gegeven. Dat voorts vaststaat dat het ongeboren kind van aangeefster op of omstreeks 7 juli 2007 is overleden ten gevolge van placentaloslating. Dat verdachte heeft bekend dat zij aangeefster heeft getrapt, maar heeft ontkend aangeefster in de buik te hebben getrapt. Dat zij heeft verklaard dat zij aangeefster op het dijbeen heeft getrapt. Dat de aangeefster heeft verklaard dat zij in haar buik werd getrapt en dat zij pijn voelde in haar buik. Dat de enige getuige, die ook iets heeft verklaard over trappen door verdachte, de vriendin van aangeefster is. Dat zij heeft verklaard dat ze heeft gezien dat verdachte aangeefster in de buik heeft getrapt. Het hof oordeelt ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde dat het door verdachte eenmaal schoppen of trappen tegen of in de richting van de buik van aangeefster, op de wijze zoals zij dat gedaan heeft, niet zodanig is geweest dat uit de aard van deze handeling kan worden afgeleid dat het opzet van verdachte (al dan niet in voorwaardelijke vorm) gericht was op het doden van het ongeboren kind van aangeefster. Derhalve dient ook vrijspraak te volgen van hetgeen subsidiair aan verdachte wordt verweten. De Hoge Raad overweegt dat bij de beoordeling van het middel dient te worden vooropgesteld dat in cassatie niet kan worden onderzocht of de feitenrechter die de verdachte op grond van zijn feitelijke waardering van het bewijsmateriaal heeft vrijgesproken terecht tot dat oordeel is gekomen. Dat ingeval de rechter die over de feiten oordeelt het tenlastegelegde bewezen acht, het aan die rechter voorbehouden is om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake die selectie en waardering, die – behoudens bijzondere gevallen – geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Hetzelfde heeft te gelden in het tegenovergestelde geval dat de rechter op grond van de aan hem voorbehouden selectie en waardering van het bewijsmateriaal tot de slotsom komt dat vrijspraak moet volgen. Hieruit volgt dat het oordeel betreffende het al dan niet bewezen zijn van het tenlastegelegde, met de daartoe gegeven motivering, niet onbegrijpelijk genoemd zal kunnen worden op de grond dat het beschikbare bewijsmateriaal – al dan niet in verband met een andere uitleg van gegevens van feitelijke aard – een andere (bewijs)beslissing toelaat (vgl. ECLI:NL:HR: 2004:AO5061). De Hoge Raad overweegt voorts dat moet worden vooropgesteld dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van het ongeboren kind van aangeefster – aanwezig is indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht (vgl. ECLI:NL:HR:2005:AR1860). De Hoge Raad overweegt dat het hof heeft geoordeeld dat het door de verdachte eenmaal schoppen of trappen tegen of in de richting van de buik van aangeefster in het onderhavige geval niet zodanig is geweest dat uit de aard van deze handeling kan worden afgeleid dat het opzet van de verdachte gericht was op het doden van het ongeboren kind van aangeefster. De Hoge Raad oordeelt dat het hof aldus tot uitdrukking heeft gebracht dat de verdachte met haar handelen niet bewust de aanmerkelijke kans op de dood van het ongeboren kind van aangeefster heeft aanvaard en dat dat niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is volgens de Hoge Raad ook niet onbegrijpelijk, mede gelet op de eerdere overwegingen en op de omstandigheid dat het hof niets heeft vastgesteld omtrent de kracht van de schop of trap.

Toelaatbaarheid vordering wijziging tenlastelegging (SR 2015-0494)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie diefstal in vereniging is bewezenverklaard, dat het hof heeft geoordeeld dat de, door de politierechter toegewezen vordering van de officier van justitie tot wijziging van de tenlastelegging, toelaatbaar is. Het verzoek tot wijziging volgde op het door de verdachte ingestelde verzet tegen een strafbeschikking. De vordering tot wijziging betreft het wijzigen van het tenlastegelegde diefstal door twee of meer personen in medeplegen oplichting. Het hof heeft daarover overwogen dat de stelling van de raadsvrouw dat het in het algemeen niet is toegestaan om na intrekking van een strafbeschikking een vordering wijziging tenlastelegging in te dienen geen steun vindt in het recht. De vereisten voor de behandeling van de zaak na verzet zijn neergelegd in artikel 257f lid 3 Sv. Het hof oordeelt dat de vordering wijziging tenlastelegging kon worden toegestaan door de politierechter nu de grenzen van artikel 68 Sr niet zijn overschreden. Het late stadium waarin de wijziging tenlastelegging is gevorderd en het feit dat in eerste instantie andere informatie is verstrekt over de aanwezigheid van de camerabeelden doet aan dit oordeel niet af. Het hof oordeelt dat geen sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel of dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de rechten van de verdachte tekortgedaan is aan diens recht op een eerlijke behandeling. De Hoge Raad overweegt dat bij de beoordeling van het middel de bepaling van artikel 257e lid 8, artikel 257f lid 3 en artikel 313 Sv en artikel 68 Sr van belang zijn en haalt deze tezamen met de relevante passage uit de memorie van toelichting bij de Wet OM-afdoening (Stb. 2006, 330) over artikel 257f Sv (Kamerstukken II 2004/05, 29849, 3, p. 74-75) aan. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting onder de overweging dat de aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat een op de voet van artikel 257f lid 3, in verbinding met artikel 313 Sv voorgestelde wijziging van de tenlastelegging in een zaak waarin aanvankelijk een strafbeschikking is uitgevaardigd, beperkt dient te blijven tot wijzigingen van ondergeschikte dan wel redactionele aard, geen steun vindt in het recht, nu ook in dat verband immers bepalend is of de grenzen van artikel 68 Sr in acht zijn genomen.

Intimidatie als bedoeld in artikel 285a Sr louter mondeling? (SR 2015-0492)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie medeplegen van opzettelijk mondeling zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid om een verklaring naar waarheid of geweten ten overstaan van een ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd, en diefstal door twee of meer verenigde personen is bewezenverklaard, dat het hof ten onrechte de heeft geoordeeld dat sprake is van ‘ten overstaan van een (politie)ambtenaar een verklaring af te leggen’, zoals is bewezenverklaard. Aangezien het hof het (door een derde) afgeven van een schriftelijke verklaring op het politiebureau daaronder heeft geschaard. Daarnaast klaagt de verdediging dat de bewezenverklaring van het medeplegen van het bewezenverklaarde diefstal in vereniging ontoereikend is gemotiveerd. De Hoge Raad overweegt ten aanzien van de eerste klacht dat de tenlastelegging is toegesneden op artikel 285a Sr en dat daarom de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende woorden ‘ten overstaan van een (politie)ambtenaar een verklaring af te leggen’, geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in die bepaling. De Hoge Raad haalt artikel 285a lid 1 Sr en de relevante passage uit de memorie van toelichting (Kamerstukken II, 1991/92, 22483, 3, p. 39) bij de wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten (Stb. 1993, 603) aan. De Hoge Raad overweegt dat de klacht berust op de opvatting dat het afleggen van een verklaring in de zin van artikel 285a Sr louter mondeling kan geschieden. De Hoge Raad oordeelt dat die opvatting, mede gelet op de strekking van deze bepaling zoals daarvan uit de wetsgeschiedenis blijkt, onjuist is. Ten aanzien van de motivering van het bewezenverklaarde diefstal in vereniging overweegt de Hoge Raad dat voor zover de bewezenverklaring behelst dat de verdachte ten aanzien van het wegnemen van blikjes drank ‘tezamen en in vereniging met een ander’ heeft gehandeld, en dat hij betrokken is geweest bij het wegnemen van een pakje scheermesjes, de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen is omkleed nu dit niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. De Hoge Raad spreekt de verdachte om redenen van doelmatigheid, nu uit de bewijsvoering wel volgt dat de verdachte blikjes drank (red bull) heeft weggenomen, met vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre, de verdachte alsnog vrij van die onderdelen en kwalificeert het bewezenverklaarde als diefstal.

SR Updates Talk | Weinig tijd maar toch up to date blijven?
SR Talk biedt u de unieke gelegenheid om per kwartaal online te worden bijgepraat over de laatste ontwikkelingen op het gebied van het straf(proces)recht. Graag wijs ik u op de SR Talk-sessie van donderdag 3 december 2015, waarin de actuele jurisprudentie wordt besproken.
Meer informatie en inschrijven

Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar
sr-updates@budh.nl.

Veel leesplezier.

Met vriendelijke groet,

J.H.J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates

Hoge Raad