Naar boven ↑

Update

Nummer 36, 2015
Uitspraken van 17-10-2015 tot 30-10-2015
Redactie: prof. mr. J.S. Nan en mr. C.L. van der Vis.

Geachte heer/mevrouw,

Bijgaand treft u een nieuwe SR Update aan. Klik hier om de pdf vanaf de website te downloaden.

Rechtspraak
De afgelopen weken is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs:

Oplegging schadevergoedingsmaatregel bij rechterlijk pardon (SR 2015-0488)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie vernieling is bewezenverklaard zonder oplegging van straf, dat het hof ten onrechte een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr heeft opgelegd. Het hof heeft, met aanhaling van artikel 9a Sr, bepaald dat ter zake van het bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd, de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen en, met aanhaling van artikel 36f Sr, een schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer wordt opgelegd tot het bedrag van € 2.970,90 te vermeerderen met de wettelijke rente. De Hoge Raad overweegt dat het middel op de opvatting berust dat de tekst van artikel 36f lid 1 Sr (zoals deze luidt per 1 januari 2014) zich verzet tegen de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel indien de verdachte op de voet van artikel 9a Sr wordt veroordeeld zonder oplegging van straf en voorts dat ingevolge artikel 1, tweede lid, Sr deze voor de verdachte meest gunstige bepaling moet worden toegepast. De Hoge Raad overweegt na het aanhalen van 36f Sr (oud, Stb. 1993, 29) en bijbehorende relevante passages uit de memorie van toelichting (Kamerstukken II 1989/90, 21345, 3, p. 17 en 29), lid 1 van artikel 36f, zoals gewijzigd bij de Wet OM-afdoening (Stb. 2006, 330), vermelding dat lid 3 van artikel 36f Sr niet is gewijzigd tot deze bij wet van 26 juni 2013 werd gewijzigd en weergave van de gewijzigde tekst van dat lid en van het eerste lid van die bepaling, een weergave van de relevante passage uit de memorie van toelichting behorende bij laatstgenoemde wijziging van de bepaling (Kamerstukken II 2011/12, 33295, 3, p. 12) en een weergave van een relevante passage uit het memorie van antwoord aan de Eerste Kamer (Kamerstukken I 2012/13, 33295, C, p. 4-5), dat ingevolge de tot 1 januari 2014 geldende tekst van artikel 36f lid 1 Sr in verbinding met artikel 36f lid 3 Sr de schadevergoedingsmaatregel ook kan worden opgelegd in geval een verdachte wordt veroordeeld zonder oplegging van straf. Blijkens de wetsgeschiedenis strekt de technische wijziging van 26 juni 2013 tot uitbreiding van het toepassingsbereik van artikel 36f in het belang van het slachtoffer, zulks door oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ook mogelijk te maken indien de verdachte van alle rechtsvervolging wordt ontslagen wegens, kort gezegd, ontoerekeningsvatbaarheid. Daartoe zijn aan artikel 36f lid 1 Sr toegevoegd de woorden ‘of aan wie bij de rechterlijke uitspraak een maatregel of een last als bedoeld in artikel 37 wordt opgelegd.’ De Hoge Raad overweegt dat de wetsgeschiedenis geen enkel aanknopingspunt biedt voor de opvatting, die in het middel besloten ligt, dat de wetswijziging tevens strekt tot beperking van het toepassingsbereik van artikel 36f Sr tot die gevallen van veroordeling van de verdachte waarbij straf wordt opgelegd. Gelet op eerdere overwegingen moet worden aangenomen dat de wetgever bij de desbetreffende wetswijziging geenszins de bedoeling had voortaan het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel niet meer mogelijk te maken in het geval de verdachte op de voet van artikel 9a Sr wordt veroordeeld zonder oplegging van straf, en dat de – in de wetsgeschiedenis ook niet nader toegelichte – invoeging in artikel 36f lid 1 Sr na het woord ‘veroordeeld’ van de woorden ‘tot een straf’, op een kennelijke vergissing berust. De Hoge Raad oordeelt dat artikel 36f moet worden gelezen alsof de woorden ‘tot een straf’ daarin niet voorkomen.

Ne bis in idem ontzegging rijbevoegdheid en ongeldigverklaring rijbewijs (SR 2015-0490)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie rijden onder invloed van alcoholhoudende drank is bewezenverklaard, dat de door het hof opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid in strijd is met het ne bis in idem-beginsel, zoals dat ten grondslag ligt aan artikel 14 lid 7 IVBPR en artikel 68 Sr. Het hof heeft ten aanzien van de strafoplegging overwogen dat deze in overeenstemming is met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte en zijn draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken en ten aanzien van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen in aanmerking genomen dat verdachte eerder onherroepelijk voor een soortgelijk feit is veroordeeld. In afwijking van de vordering van de advocaat-generaal is met het door het hof opgelegde voorwaardelijke deel van de bijkomende straf afgezet tegen de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit in voldoende mate rekening gehouden met de belangen van de verdachte. De Hoge Raad overweegt na het aanhalen van de bepaling van artikel 14 lid 7 IVBPR, artikel 68 Sr en artikel 130 lid 1, artikel 131 lid 1 en artikel 134 lid 1 en 2 WVW 1994 dat aan het middel de opvatting dat de door het hof opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid in strijd is met het aan artikel 14 lid 7 en artikel 68 Sr ten grondslag liggende ne bis in idem-beginsel, aangezien (mede) naar aanleiding van het in de onderhavige zaak aan de verdachte ten laste gelegde feit diens rijbewijs op de voet van artikel 134 lid 2 WVW 1994 ongeldig is verklaard, ten grondslag ligt. De Hoge Raad oordeelt dat die opvatting onjuist is en overweegt daaromtrent dat de ongeldigverklaring van het rijbewijs een bestuurlijke maatregel is, waartoe kan worden besloten ingeval de houder van het rijbewijs blijkens de uitslag van een daartoe op grond van artikel 13 WVW1994 ingesteld onderzoek niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven. Deze maatregel wordt dus niet – direct of indirect – opgelegd op grond van het plegen van een strafbaar feit, ook al kan de verdenking van zo een feit wel de aanleiding vormen voor voormeld onderzoek. Hetgeen is overwogen omtrent de strafvervolging ter zake van het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank in gevallen waarin de verdachte op grond van datzelfde feit de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma is opgelegd in ECLI:NL:HR:2015:434, noopt niet tot een ander oordeel, omdat – anders dan in het onderhavige geval – het in dat arrest, kort gezegd, ging om de uitzonderlijke situatie waarin twee procedures over een identieke verweten gedraging hun directe oorsprong vonden in hetzelfde feit met sterk gelijkende gevolgen.

Slagende bewijsklacht diefstal elektriciteit bij hennepkwekerij (SR 2015-0482)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie grootschalige hennepteelt in vereniging en diefstal in vereniging met braak van elektriciteit is bewezenverklaard, dat het hof de bewezenverklaring van de diefstal in vereniging met braak niet uit de bewijsmiddelen kan afleiden. Het hof heeft de bewezenverklaring doen steunen op een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt, door opsporingsambtenaren houdende, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, een mededeling van verbalisanten, een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar houdende, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, de verklaring van de verdachte, een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt houdende, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, de verklaring van een getuige, een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar, forensisch assistent, afdeling forensisch onderzoek, en een geschrift houdende, de aangifte van diefstal en onder meer de constatering van de fraudespecialist dat de zegels van de hoofdaansluiting waren verbroken. De Hoge Raad overweegt dat eerder enige algemene overwegingen over het medeplegen zijn gegeven (ECLI:NL:HR:2014:3474), in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid en meer in het bijzonder met het oog op gevallen waarin het medeplegen niet bestaat in gezamenlijke uitvoering. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), rust op de rechter de taak om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient overigens opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict. De Hoge Raad oordeelt dat het bewezenverklaarde, voor zover inhoudende dat verdachte ‘tezamen en in vereniging met een ander of anderen’ elektriciteit heeft weggenomen, niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

Annotatie
‘In de onderhavige zaak gaat het in de kern om de vraag of een verzoek om getuigen op zitting te horen kan worden afgewezen op grond van het niet (tijdig) voldoen aan voorwaarden. De klacht van de verdediging richt zich dan ook op de afwijzing door het hof van het verzoek tot het horen van een viertal getuigen. De afwijzing werd onder meer gegrond op het niet-naleven van beleid, dat door de raadsheer-commissaris wordt gehanteerd.…’, zo begint de recente geplaatste annotatie van J.H.J. Verbaan bij ECLI:NL:HR:2015:2451, SR-Updates 2015-0346..., waar ik u graag op attendeer.

SR Updates Talk | Weinig tijd maar toch up to date blijven?
SR Talk biedt u de unieke gelegenheid om per kwartaal online te worden bijgepraat over de laatste ontwikkelingen op het gebied van het straf(proces)recht. Graag wijs ik u op de SR Talk-sessie van donderdag 3 december 2015, waarin de actuele jurisprudentie wordt besproken.
Meer informatie en inschrijven

Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar
sr-updates@budh.nl.

Veel leesplezier.

Met vriendelijke groet,

J.H.J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates

Hoge Raad