Naar boven ↑

Update

Nummer 35, 2015
Uitspraken van 17-10-2015 tot 23-10-2015
Redactie: prof. mr. J.S. Nan en mr. C.L. van der Vis.

Geachte heer/mevrouw,

Bijgaand treft u een nieuwe SR Update aan. Klik hier om de pdf vanaf de website te downloaden.

Rechtspraak
De afgelopen weken is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs:

Beklagprocedure verschoningsgerechtigden voor niet verschoningsgerechtigden (SR 2015-0450)
Namens klager is bij de rechtbank een klaagschrift ingediend dat - kort gezegd – strekt tot opheffing van het beslag op onder hem inbeslaggenomen stukken op de grond dat deze stukken object zijn van het (afgeleide) verschoningsrecht van een B.V. De Hoge Raad overweegt dat voor de beoordeling van een klacht als de onderhavige het van belang is dat de wetgever heeft voorzien in een nieuwe wettelijke regeling, van 19 november 2014 (Stb. 2014, 445) met betrekking tot een versnelde beklagprocedure voor verschoningsgerechtigden. Daarbij komt de kwestie aan de orde of en in hoeverre deze versnelde beklagprocedure ook van toepassing is in een geval, zoals thans, waarin de beslagene niet de verschoningsgerechtigde is en dat daarbij de artikel 98, 552a en 552d Sv zijn gewijzigd. De Hoge Raad overweegt na het aanhalen van die bepalingen en de relevante passages uit de bijbehorende wetgeschiedenis (Kamerstukken II 2012/13, 33685, 3, p. 10-11) en Kamerstukken II 2012/13, 33685, 4, p. 18-19) dat de versnelde beklagprocedure geldt voor de behandeling van een klaagschrift dat is ingediend door een persoon met bevoegdheid tot verschoning. De artikelen 98, 552a lid 7 en 552d lid 3 Sv voorzien in de alsdan te volgen procesgang. De Hoge Raad overweegt dat in het geval dat een beslagene, niet zijnde de verschoningsgerechtigde, in een beklagprocedure aanvoert dat zich bij de onder hem in beslaggenomen bescheiden, brieven of andere stukken bevinden ten aanzien waarvan een geheimhouder de bevoegdheid tot verschoning kan uitoefenen, een redelijke wetstoepassing meebrengt dat ook in dat geval de rechter-commissaris bevoegd is ter zake te beslissen. Beslist hij dat de inbeslagneming is toegestaan, dan dient gehandeld te worden zoals in artikel 98 lid 3 Sv is bepaald. De beschikking van de rechter-commissaris zal aan de betrokken verschoningsgerechtigde moeten worden betekend, onder mededeling dat deze binnen veertien dagen tegen deze beschikking een klaagschrift kan indienen bij een in die mededeling aangeduid gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd en tevens dat niet tot kennisneming van de stukken wordt overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beklag van de verschoningsgerechtigde is beslist. In bovenstaande geval doet zich de situatie voor dat in twee beklagprocedures het verschoningsrecht aan de orde is. In de beklagzaak van de beslagene die niet de verschoningsgerechtigde is, dient het oordeel in de beklagprocedure van de verschoningsgerechtigde, als dat onherroepelijk is geworden, tot uitgangspunt te worden genomen. Indien in die laatste procedure onherroepelijk is beslist dat inbeslagneming van de desbetreffende brieven of andere stukken in strijd is met het verschoningsrecht, is het klaagschrift van de beslagene in zoverre gegrond en is kennisneming van die bescheiden niet toegestaan. In het geval dat het beroep van de verschoningsgerechtigde op zijn verschoningsrecht ongegrond wordt verklaard, moet de beslagene niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn klaagschrift voor zover het de klachten met betrekking tot het verschoningsrecht betreft.
Indien de verschoningsgerechtigde geen klaagschrift indient tegen de beslissing van de rechter-commissaris dat inbeslagneming is toegestaan, moet het ervoor worden gehouden dat door de verschoningsgerechtigde geen beroep wordt gedaan op zijn verschoningsrecht. Ook in dat geval moet de beslagene niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn klaagschrift voor zover het de klachten met betrekking tot het verschoningsrecht betreft. In deze gevallen geldt dat, zodra vaststaat dat een beroep op het verschoningsrecht niet is gedaan of niet opgaat, van de desbetreffende brieven of andere stukken kan worden kennisgenomen. In het geval dat de beslagene in zijn klaagschrift ook andere klachten heeft opgeworpen tegen de inbeslagneming van die brieven of andere stukken dan die betreffende het verschoningsrecht, zal over de gegrondheid daarvan nog moeten worden beslist in de beklagprocedure van de beslagene.
De Hoge Raad overweegt vervolgens dat in de onderhavige zaak door de klager, de beslagene, is aangevoerd dat het verschoningsrecht is geschonden. Namens de vermeend verschoningsgerechtigde is, gelijktijdig met het klaagschrift van de klager, bij de rechtbank een klaagschrift ingediend dat eveneens strekt tot opheffing van het beslag op die onder de klager inbeslaggenomen stukken en waartoe is aangevoerd dat deze stukken onder zijn (afgeleide) verschoningsrecht vallen. Nu in de beklagzaak van die laatste nog niet onherroepelijk is beslist – bij beschikking (ECLI:NL:HR:2015:2636), heeft de Hoge Raad in die zaak de bestreden uitspraak vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank – heeft de klager zijn belang bij zijn klacht niet verloren. De klager is derhalve ontvankelijk in het cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelt dat de klacht dat de rechtbank bij haar beslissing een onjuiste maatstaf heeft toegepast, op de gronden die de advocaat-generaal in zijn conclusie heeft vermeld, terecht is voorgesteld.

Witwassen van pseudo-koopgeld (SR 2015-0467)
De verdediging klaagt in het tweede middel namens verdachte, ten aanzien van wie onder meer medeplegen witwassen is bewezenverklaard, onder meer over het oordeel van het hof dat de bewezenverklaring onder 1 voor zover inhoudende dat de verdachte (tezamen en in vereniging met anderen) geldbedragen heeft verworven en voorhanden heeft gehad, (medeplegen van) ‘witwassen’ oplevert. De Hoge Raad overweegt dat de klacht een beroep doet op recente rechtspraak over in het bijzonder de kwalificeerbaarheid als witwassen van het ‘verwerven of voorhanden hebben’ van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen (vgl. ECLI:NL:HR:2014:702). Met die rechtspraak wordt gedoeld op het ‘verwerven of voorhanden hebben’ als bedoeld in het eerste lid onder b van artikel 420bis Sr. De bewezenverklaring houdt evenwel ook in dat de verdachte van de geldbedragen ‘de vindplaats en de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld’ als bedoeld onder a van het genoemde artikellid. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het hof bij de kwalificatie van het bewezenverklaarde kennelijk geen zelfstandige betekenis heeft toegekend aan het ‘verwerven’ en ‘voorhanden hebben’ van de geldbedragen, zou de mogelijke gegrondheid van deze klacht niet tot cassatie behoeven te leiden wegens het ontbreken van voldoende belang van de verdachte bij deze klacht. De Hoge Raad merkt op dat voor zover aan het middel de opvatting ten grondslag ligt dat bedoelde recente rechtspraak van de Hoge Raad ook betrekking heeft op het bewezenverklaarde verbergen en verhullen als bedoeld in artikel 420bis lid 1 onder a Sr dat die opvatting in haar algemeenheid onjuist is (vgl. ECLI:NL:HR:2014:956, r.o. 3.3) en oordeelt dat het middel in zoverre tevergeefs is ingesteld.

SR Updates Talk | Weinig tijd maar toch up to date blijven?
SR Talk biedt u de unieke gelegenheid om per kwartaal online te worden bijgepraat over de laatste ontwikkelingen op het gebied van het straf(proces)recht. Graag wijs ik u op de SR Talk-sessie van donderdag 3 december 2015, waarin de actuele jurisprudentie wordt besproken.
Meer informatie en inschrijven

Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar
sr-updates@budh.nl.

Veel leesplezier.

Met vriendelijke groet,

J.H.J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates

Hoge Raad