Update
Geachte heer/mevrouw,
Bijgaand treft u een nieuwe SR Update aan. Klik hier om de pdf vanaf de website te downloaden.
Rechtspraak
De afgelopen weken is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs:
Blowverbod artikel 3.3.4 APV Rotterdam (SR 2015-0457)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie overtreding van het blowverbod is bewezenverklaard, dat het hof ten onrechte artikel 3.3.4 APV Rotterdam 2008 verbindend heeft geacht, althans dat het oordeel daaromtrent ontoereikend is gemotiveerd. Het hof heeft overwogen dat gelet op de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie, onder andere in ECLI:NL:HR:2013:BY5725, het tot het oordeel komt dat artikel 3 onder C Opiumwet naar zijn aard niet uitputtend is bedoeld. Dat er derhalve in beginsel ruimte bestaat voor de gemeentelijke wetgever om aanvullend regels te bepalen ten aanzien van hetgeen is strafbaar gesteld in voornoemde bepaling. Dit moet dan echter wel vanuit een ander motief plaatsvinden. Dat de Opiumwet in dit verband – mede gelet op de parlementaire geschiedenis van die wet en HR 17 november 1992, NJ 1993, 409 – het belang van de volksgezondheid beschermt. Artikel 13b Opiumwet, dat in werking is getreden na genoemd HR 17 november 1992, NJ 1993, 409, maakt dit niet anders. Dit artikel ziet, blijkens de hiervoor genoemde vindplaats, op de bevoegdheid die de burgemeester heeft om bestuursdwang toe te passen in de gevallen waarin in een voor het publiek toegankelijk lokaal en daarbij behorende erven middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel deze middelen daartoe aanwezig zijn. Met voor publiek toegankelijke lokalen is gedoeld op alle gelegenheden die, al dan niet met enige beperking, zoals entreegeld, vrijelijk toegankelijk zijn. Met de invoering van artikel 13b Opiumwet is weliswaar ten aanzien van bepaalde handelingen een bepaling met een openbaar orde motief toegevoegd, maar daarmee is niet bedoeld te bewerkstelligen dat artikel 3 (waaronder C) Opiumwet op zichzelf mede het belang van de openbare orde is gaan beschermen. Dit blijkt onder meer uit Kamerstukken II 1996/97, 25324, 3, p. 5. Ten slotte overweegt het hof in dit verband dat het bewezenverklaarde strafbare feit zich heeft afgespeeld op de openbare weg waarop artikel 13b Opiumwet in het geheel geen betrekking heeft. Dat artikel 3.3.4 APV Rotterdam blijkens de tekst en de toelichting op dit artikel is ingegeven uit een motief van openbare orde en beoogt daarmee een ander motief dan artikel 3 Opiumwet. Het hof oordeelt dat op grond daarvan artikel 3 onder C Opiumwet niet in de weg staat aan de verbindendheid van artikel 3.3.4 APV Rotterdam en acht artikel 3.3.4 APV Rotterdam dan ook verbindend. De Hoge Raad overweegt na het aanhalen van de relevante bepalingen en relevante kamerstukken (Kamerstukken II 1975/76, 13407, 7, p 1-2) dat blijkens de toelichting artikel 3.3.4 APV Rotterdam 2008 ertoe strekt te voorkomen dat gevoelens van onbehagen en onveiligheid bij het publiek ontstaan die worden veroorzaakt door het in het openbaar gebruiken van drugs. Dat met deze bepaling dus het belang van de handhaving van de openbare orde is gediend. Daartoe is – voor zover in cassatie van belang – strafbaar gesteld het op of aan de weg, op een andere voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikel 2 of 3 Opiumwet te gebruiken. De Hoge Raad overweegt vervolgens dat de Opiumwet het enkele gebruiken van een middel als bedoeld in artikel 2 en 3 van deze wet niet als zodanig strafbaar stelt en dat de tekst van ECLI:NL:HR:2004:AR4923 in dit verband aanleiding heeft gegeven tot misverstand. In dat dat arrest ging het (onder meer) om de vraag of de door de Noorse autoriteiten verzochte uitlevering gelet op het vereiste van dubbele strafbaarheid ook ter zake van de veroordeling voor het roken van hasj toelaatbaar kon worden verklaard. Deze vraag is door de Hoge Raad bevestigend beantwoord. Daartoe is in de specifieke context van de beoordeling van de dubbele strafbaarheid in het uitleveringsrecht onder meer overwogen dat ‘het roken van hasj immers het aanwezig hebben ervan [impliceert], waarop bij artikel 3, aanhef en onder C, in verbinding met artikel 11, eerste lid, Opiumwet hechtenis is gesteld voor ten hoogste een maand’. In het oordeel van de Hoge Raad dat de uitlevering toelaatbaar kan worden verklaard, ook voor zover betrekking hebbende op het aanwezig hebben van hasj, ligt niet als zijn oordeel besloten dat in artikel 3, aanhef en onder C, Opiumwet ook het gebruiken van hasj strafbaar is gesteld. De Hoge Raad oordeelt dat, gelet op artikel 149 Gemeentewet (inhoudende dat de raad van een gemeente de verordeningen maakt die hij in het belang der gemeente – waaronder de handhaving van de openbare orde – nodig oordeelt), en artikel 121 Gemeentewet (inhoudende, kort gezegd, dat een gemeente bevoegd is tot het maken van (aanvullende) verordeningen voor zover deze niet in strijd zijn met hogere regelingen), en in aanmerking genomen dat, gelet op de eerdere overwegingen, voormeld artikel 3.3.4 APV Rotterdam 2008 wat betreft bedoeld ‘gebruiken’ de voorschriften van de Opiumwet niet dupliceert, dat de Raad van de gemeente Rotterdam met betrekking tot dat verbod niet buiten zijn verordenende bevoegdheid is getreden door in artikel 3.3.4 mede te verbieden het op of aan de weg, op een andere voor publiek toegankelijke plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 Opiumwet gebruiken (vgl. ECLI:NL:HR:2003:BY5725, en ECLI:NL:RVS:2013:BZ9048 ten aanzien van artikel 2.7 lid 2 APV Amsterdam 2008). De Hoge Raad oordeelt dat anders dan het middel betoogt, de Opiumwet in zoverre niet in de weg staat aan de verbindendheid van deze APV-bepaling en het oordeel van het hof dus juist is.
Eindhovense kopschopperszaak (SR 2015-0468)
De advocaat-generaal klaagt namens het Openbaar Ministerie dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het gebruikmaken van opsporingsberichtgeving in deze strafzaak, door camerabeelden te verstrekken aan Omroep Brabant en het vertonen daarvan, zonder meer een inbreuk op het privéleven van de verdachte oplevert, dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de uit artikel 8 EVRM voortvloeiende zorgvuldigheidseisen niet door het Openbaar Ministerie zijn nageleefd, nu niet is voldaan aan het subsidiariteitsbeginsel bij de totstandkoming van de beslissing tot het doen uitzenden respectievelijk het tonen van bewegende beelden waarop de verdachte te zien is en dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat het door de verdachte geleden nadeel het gevolg is van aan het Openbaar Ministerie toerekenbaar handelen. De Hoge Raad overweegt dat het hof in dit geval een, aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, ernstige schending van de persoonlijke levenssfeer van de minderjarige verdachte heeft aangenomen door het doen vertonen van de desbetreffende beeldopnamen, en in de door de uitzending veroorzaakte nadelige gevolgen voor de verdachte aanleiding gezien daarmee bij de strafoplegging ten gunste van de verdachte rekening te houden. De Hoge Raad overweegt vervolgens dat het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer niet absoluut is en somt een aantal factoren op, die van belang kunnen zijn voor de beantwoording van de vraag of in gevallen als de onderhavige sprake is van inbreuk op dat recht. De Hoge Raad overweegt dat het hof de toetsing aan artikel 8 EVRM geplaatst in de sleutel van ‘de beginselen van een behoorlijke procesorde, zoals een redelijke en billijke belangenafweging’ en dat een geconstateerde schending van deze bepaling een zelfstandig verzuim oplevert, voor de beoordeling van de rechtsgevolgen waarvan het hof aansluiting heeft gezocht bij de factoren genoemd in het tweede lid van artikel 359a Sv. De Hoge Raad tekent daarbij aan dat in gevallen als de onderhavige, waarin het gaat om privacy-gerelateerd beeldmateriaal dat vanwege het Openbaar Ministerie wordt openbaar gemaakt, voor de beoordeling van (de gerechtvaardigdheid van) de inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte op wie het beeldmateriaal betrekking heeft, een zelfstandige of afzonderlijke toets aan de hand van beginselen van een behoorlijke procesorde of aan de hand van de factoren van artikel 359a lid 2 Sv niet nodig is. De door de Hoge Raad niet limitatief opgesomde, factoren, waarin ook eisen van proportionaliteit en subsidiariteit een plaats hebben, bieden een toereikend autonoom beoordelingskader. De Hoge Raad stelt voorop dat het het hof in beginsel vrij staat bij het bepalen van de straf rekening te houden met nadeel dat door media-aandacht voor een verdachte is veroorzaakt, ook indien dit niet aan het toedoen van het Openbaar Ministerie is te wijten of indien dit niet als een schending van artikel 8 EVRM kan worden aangemerkt. Deze factoren kunnen wel van belang zijn voor het bepalen van de ernst van het nadeel en mate waarin met die nadelige gevolgen bij de strafoplegging rekening wordt gehouden. Dat betekent overigens niet dat een verdachte indien hij te lijden heeft gekregen van indringende media-aandacht omtrent zijn strafzaak, recht heeft op matiging van de hem op te leggen straf. De motivering van de strafoplegging kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. De Hoge Raad overweegt dat het hof heeft vastgesteld dat de uitzending van de beelden en de daardoor veroorzaakte media-aandacht en onder meer op internet ontketende hetze ernstige nadelige gevolgen voor de minderjarige verdachte en zijn omgeving hebben gehad en hebben geleid tot een inbreuk op het recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Met die gevolgen heeft het hof bij de strafoplegging ten gunste van de verdachte rekening kunnen en mogen houden. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is in aanmerking genomen dat het in beginsel aan het hof is de mate waarin de op zichzelf passend geachte straf als gevolg van (de ernst van) een geconstateerde inbreuk wordt gematigd en het hof klaarblijkelijk doorslaggevend heeft geacht en kunnen achten dat het Openbaar Ministerie zelf zich weliswaar op het standpunt heeft gesteld dat het gebruik van ‘stills’ als minder zwaar middel had kunnen worden benut teneinde de identiteit van de verdachten te achterhalen, maar dat het Openbaar Ministerie desondanks bewust heeft gekozen voor het vertonen van de bewegende beelden van het geweldsincident, niet alleen om de samenleving niet de zeer indringende beleving van dit soort geweldsincidenten voor slachtoffers en omstanders niet te onthouden, maar ook om daarmee een indringend beroep te doen op de familie, dan wel op de directe omgeving van de (minderjarige) verdachten om hun identiteit bekend te maken.
SR Updates Talk | Weinig tijd maar toch up to date blijven?
SR Talk biedt u de unieke gelegenheid om per kwartaal online te worden bijgepraat over de laatste ontwikkelingen op het gebied van het straf(proces)recht. Graag wijs ik u op de SR Talk-sessie van donderdag 3 september en 3 december 2015, waarin de actuele jurisprudentie wordt besproken.
Meer informatie en inschrijven
Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar
sr-updates@budh.nl.
Veel leesplezier.
Met vriendelijke groet,
J.H.J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates
Hoge Raad
- Hoge Raad De opvatting dat de tenlastelegging de door de verdachte gedane uitlating dient te vermelden in de taal waarin zij is gedaan, vindt geen steun in het recht. De gevangenisstraf is ontoereikend gemotiveerd, nu de overwegingen niet bevatten een opgave van de redenen die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van een straf die vrijheidsontneming meebrengt. 13-10-2015
- Hoge Raad De door het hof genoemde gronden kunnen de afwijzing van het aanhoudingsverzoek niet dragen. 13-10-2015
- Hoge Raad Het oordeel van de rechtbank dat het ingevorderde buitenlandse rijbewijs aan de houder daarvan moet worden teruggegeven op de grond dat deze houder van het rijbewijs in het buitenland woonachtig is, is onjuist. 13-10-2015
- Hoge Raad Zonder nadere motivering die ontbreekt is het oordeel van het hof dat de als een gezamenlijkheid van voorwerpen opgevatte goederen en de andere in de beslissing van het hof vermelde goederen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang. 13-10-2015
- Hoge Raad De uitspraak bevat ten aanzien van feit 12 niet de gebezigde bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Redelijke termijn, anders dan het hof oordeelde, wel geschonden. 13-10-2015
- Hoge Raad Afzien van het horen van de niet verschenen getuige. 13-10-2015
- Hoge Raad Uitleg bestanddeel ‘waarvan het gebruik door de rechthebbende is beëindigd’ als bedoeld in artikel 138a lid 1 Sr. 13-10-2015
- Hoge Raad De door het hof genoemde gronden kunnen de afwijzing van het aanhoudingsverzoek niet dragen. 13-10-2015
- Hoge Raad Verhouding Opiumwet en APV-bepaling inhoudende verbod tot ‘gebruiken’ middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 Opiumwet op bepaalde (openbare) plaatsen. 13-10-2015
- Hoge Raad Gegronde klacht over het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de hoogte van het onder klaagster in beslag genomen geldbedrag. 13-10-2015
- Hoge Raad Terugverwijzing volgt, nu niet blijkt dat verdachte het recht is gelaten als laatst te spreken. 13-10-2015
- Hoge Raad De te volgen procesgang in het geval een beslagene, niet zijnde de verschoningsgerechtigde, in een beklagprocedure aanvoert dat zich bij de onder hem in beslaggenomen bescheiden, brieven of andere stukken bevinden ten aanzien waarvan een geheimhouder de bevoegdheid tot verschoning kan uitoefenen. 13-10-2015
- Hoge Raad Het middel klaagt terecht over het oordeel van het hof dat het bewezenverklaarde niet kan worden gekwalificeerd als witwassen. 13-10-2015
- Hoge Raad Oordeel dat sprake is van openlijk in vereniging plegen van geweld niet onbegrijpelijk. 13-10-2015
- Hoge Raad Kopschopperzaak Eindhoven: rekening houden met (nadelige) media-aandacht voor (minderjarige) verdachte bij strafoplegging. 13-10-2015
- Hoge Raad Verdachte niet-ontvankelijk in cassatieberoep, nu niet tijdig een schriftuur houdende middelen van cassatie is ingediend. 13-10-2015
- Hoge Raad De enkele omstandigheid dat de verdachte ten onrechte geen gelegenheid is gegeven tot het aanhangig maken van een kort geding en het hof de ontruiming daarom onrechtmatig heeft geoordeeld, is niet toereikend om daaraan het rechtsgevolg van strafvermindering te verbinden. 13-10-2015
- Hoge Raad De opvatting dat onder meer bepaalde contante stortingen en opnames van bankrekeningen, nu zij voorwerpen van het in de samenhangende strafzaak bewezenverklaarde gewoontewitwassen waren, reeds daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel vormden, is onjuist. 13-10-2015
- Hoge Raad Begrijpelijkheid van het door het hof aan de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn verbonden rechtsgevolg. 13-10-2015
- Hoge Raad Puinlaag onderdeel van bodem als bedoeld in artikel 13 Wbb. 06-10-2015
- Hoge Raad Verdachte niet-ontvankelijk: geen sprake van verontschuldigbare termijnoverschrijding. 06-10-2015
- Hoge Raad Slagende klachten over de (dadelijke tenuitvoerlegging) van de bijzondere voorwaarde. 06-10-2015
- Hoge Raad Oplegging vrijheidsbeperkende maatregel toereikend gemotiveerd. 06-10-2015