Naar boven ↑

Update

Nummer 33, 2015
Uitspraken van 03-10-2015 tot 09-10-2015
Redactie: prof. mr. J.S. Nan en mr. C.L. van der Vis.

Geachte heer/mevrouw,

Bijgaand treft u een nieuwe SR Update aan. Klik hier om de pdf vanaf de website te downloaden.

Rechtspraak
De afgelopen weken is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs:

Schending una via-beginsel (SR 2015-0428)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie het feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, is bewezenverklaard, onder meer over de verwerping van het hof van, onder meer, het verweer dat het 'una via-beginsel' is geschonden ter zake van het onder 5 tenlastegelegde. Het hof heeft dat verweer als volgt samengevat en verworpen: de verdediging heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie, naast de reeds door de rechtbank uitgesproken gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid, eveneens niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van de overige periode die onder feit 5 is tenlastegelegd. Hiertoe is aangevoerd dat de Belastingdienst op 30 juni 2010 geen boete meer had mogen opleggen na de aanvang van de strafvervolging op 20 mei 2010 en dat er beter overleg had moeten plaatsvinden tussen het Openbaar Ministerie en de Belastingdienst. Doordat ten aanzien van eerdere periodes al een bestuursrechtelijke afdoening had plaatsgevonden, heeft de overheid vertrouwen bij verdachte geschapen dat hij niet strafrechtelijk vervolgd zou worden, hetgeen dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid. Het hof verwerpt dat verweer. De stelling van de raadsvrouw vindt geen steun in het recht. Het Openbaar Ministerie is tot strafvervolging overgegaan en mocht ook tot strafvervolging overgaan voor die feiten die nog niet administratiefrechtelijk door de Belastingdienst waren afgedaan. Dat de Belastingdienst daarna nog een bestuursrechtelijke boete aan verdachte heeft opgelegd is niet aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen en raakt niet aan de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging. De Hoge Raad overweegt, na het aanhalen van artikel 5:44 Awb en artikel 243 lid 2 Sv, dat de klacht op de opvatting berust dat het ‘una via-beginsel’ zoals neergelegd in die bepalingen in onderlinge samenhang bezien, zo moet worden uitgelegd dat een opgelegde bestuurlijke boete steeds aan een strafvervolging in de weg staat, ook als op het moment waarop de bestuurlijke boete is opgelegd, de strafvervolging reeds is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen. De Hoge Raad oordeelt dat die opvatting onjuist is en oordeelt dat nu in cassatie als onbestreden vaststaat dat – voor zover thans van belang – in deze zaak vóór het opleggen van de bestuurlijke boete de strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen, de klacht faalt.

Handelen in strijd met ambtsinstructie vormverzuim? (SR 2015-0429)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie opzettelijk in strijd met de Opiumwet handelen is bewezenverklaard, dat het hof het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging van de verdachte dan wel bewijsuitsluiting op onjuiste gronden, althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. Het hof heeft het bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen: de raadsman heeft aangevoerd dat de politie bij de aanhouding van de verdachte in strijd met artikel 7 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en andere opsporingsambtenaren (hierna: de Ambtsinstructie) heeft gehandeld door bij die aanhouding gebruik te maken van vuurwapens. Het hof is van oordeel dat het gebruiken van vuurwapens bij de aanhouding van verdachte inderdaad in strijd was met de Ambtsinstructie. Verdachte had immers voordat hij wegvluchtte zijn rijbewijs aan de verbalisanten getoond, waardoor zijn identiteit bij de verbalisanten bekend was. De verbalisanten hebben niet geschoten ter afwending van dreigend gevaar. Zij hebben de verdachte, nadat hij met een personenauto op een verbalisant was ingereden, immers (achter)nageschoten. Het hof is echter van oordeel dat het handelen van de verbalisanten in strijd met de Ambtsinstructie geen vormverzuim in de zin van artikel 359a Sr (de Hoge Raad begrijpt: Sv) oplevert. Het hof komt reeds hierom niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, zoals door de raadsman is bepleit. Evenmin zal dit handelen tot bewijsuitsluiting leiden. Bovendien heeft verdachte zichzelf in de situatie gebracht dat de politie zich genoodzaakt voelde om een vuurwapen te gebruiken, door weg te rennen terwijl hij door een verbalisant onder schot werd gehouden. De Hoge Raad overweegt dat in zijn algemeenheid onjuist is dat, zoals het hof kennelijk heeft aangenomen, in geval van een onrechtmatige aanhouding wegens zo een overtreding van de Ambtsinstructie geen sprake kan zijn van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv. De Hoge Raad oordeelt dat de klacht slaagt maar evenwel niet tot cassatie kan leiden. Het hof had het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk had moet worden verklaard althans dat bewijsuitsluiting moet volgen reeds, gelet op hetgeen door de verdediging is aangevoerd, slechts kunnen verwerpen. Niet is gesteld dat door de onrechtmatige aanhouding aan het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak wordt tekortgedaan, en evenmin dat bewijsmateriaal als gevolg van die aanhouding is verkregen.

Vertrouwensbeginsel: vervolging ondanks kennisgeving sepot (SR 2015-0436)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht en wederrechtelijke vrijheidsberoving is bewezenverklaard, over het oordeel van het hof dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging. Het hof heeft ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie overwogen dat de politierechter wegens schending van het vertrouwensbeginsel het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk heeft verklaard. Op 25 september 2012 heeft het Openbaar Ministerie een brief met een kennisgeving van niet verdere vervolging doen uitgaan aan verdachte. Verdachte heeft deze brief ontvangen en is er – zo verklaart zij – vanaf dat moment van uitgegaan dat zij niet meer vervolgd zou worden. De raadsvrouw heeft ter terechtzitting van het hof bepleit dat verdachte er op mocht vertrouwen dat zij niet meer vervolgd zou worden. De advocaat-generaal heeft ter zitting betoogd dat deze kennisgeving van niet verdere vervolging een administratieve misslag betreft en dat het, gelet op de ernst van de zaak en het voorhanden zijnde bewijs evident is dat het om een misslag ging, zodat verdachte er niet op mocht vertrouwen dat zij niet verder vervolgd zou worden en het Openbaar Ministerie ontvankelijk is. Het hof oordeelt dat, gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad, een justitiabele na ontvangst van een sepotbeslissing in een zaak als de onderhavige er niet per definitie op mag vertrouwen dat het niet meer tot een vervolging zal komen, nu sprake zou kunnen zijn van een administratieve fout. Niet alleen is daarbij van belang de ernst van de zaak, maar tevens dat verdachte tijdens de kort na ontvangst van die beslissing in het kader van deze strafzaak gevoerde gesprekken met een psychiater, een psycholoog en de reclassering uitgebreid heeft gesproken over de strafzaak en de adviezen van deze deskundige ten aanzien van de strafrechtelijke afdoening van deze zaak. Het had ook daarom op de weg van verdachte gelegen bij het Openbaar Ministerie navraag te doen. Gelet hierop oordeelt het hof dat verdachte aan deze sepotbeslissing geen rechtens te honoreren verwachting kon ontlenen dat zij niet verder vervolgd zou worden en verklaart het Openbaar Ministerie daarom ontvankelijk in de strafvervolging. De Hoge Raad overweegt dat op grond van een mededeling van het openbaar ministerie bij een verdachte opgewekt vertrouwen dat hij in een bepaalde zaak niet verder zal worden vervolgd, alleen dan tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging zal kunnen leiden indien dat vertrouwen in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd is. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof dat de verdachte aan de kennisgeving van sepot tegen de achtergrond van de vermelde feiten en omstandigheden en in aanmerking genomen de ernst van de zaak alsmede de omstandigheid dat de verdachte kort na ontvangst van de kennisgeving uitgebreid heeft gesproken met een psychiater, een psycholoog en de reclassering over de strafzaak en over de strafrechtelijke afdoening daarvan, niet een gerechtvaardigd vertrouwen heeft kunnen ontlenen, niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en ook niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd. 

SR Updates Talk | Weinig tijd maar toch up to date blijven?
SR Talk biedt u de unieke gelegenheid om per kwartaal online te worden bijgepraat over de laatste ontwikkelingen op het gebied van het straf(proces)recht. Graag wijs ik u op de SR Talk-sessie van donderdag 3 december 2015, waarin de actuele jurisprudentie wordt besproken.
Meer informatie en inschrijven

Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar
sr-updates@budh.nl.

Veel leesplezier.

Met vriendelijke groet,

J.H.J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates

Hoge Raad