Update
Rechtspraak
De afgelopen weken is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs:
Filefuik-zaak (SR 2015-0279)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie onder meer overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, en het feit mede is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet voorgeschreven maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden, is bewezen verklaard, onder meer dat het hof tegen de bewezenverklaring van feit 2, voor zover inhoudende dat sprake is van schuld in de zin van roekeloosheid. Ten aanzien van die klacht geldt dat het hof heeft overwogen dat voor de beantwoording van de vraag of verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994 en zo ja, of deze schuld bestaat in roekeloosheid, het gedrag van verdachte moet worden afgemeten aan dat wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Het hof acht de wijze waarop verdachte over de A2 heeft gereden, met aanmerkelijke overschrijding van de maximaal toegestane snelheid, slingerend links en rechts inhalend, botsend met politieauto’s, op zichzelf reeds zeer onvoorzichtig. Verdachte reed daarbij met snelheden tussen de 120 en 160 km/u (na hectometerpaal 73,9 was tot de plaats van het ongeval de maximumsnelheid 100 km/u of lager). Verdachte heeft hiermee de bijzondere zorgplicht om zich te houden aan de maximumsnelheid zeer veronachtzaamd. Met betrekking tot de tenlastegelegde roekeloosheid stelt het hof voorop dat met roekeloosheid wordt gedoeld op de zwaarste vorm van schuld, die volgens de wet aanleiding geeft voor strafverhoging. Het gaat dan in het algemeen om gevallen waarin sprake is van zeer onvoorzichtig gedrag waarbij welbewust onaanvaardbare risico’s zijn genomen. Roekeloosheid vereist een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid. Het hof acht bewezen dat verdachte over een afstand van ruim 25 kilometer heeft geprobeerd aan de politie te ontkomen. Daartoe heeft hij met hoge snelheden, variërend tussen de 120 en 160 km/u gereden en verschillende politieauto’s geramd of aangereden. Verdachte wilde kennelijk hoe dan ook niet voor de politie stoppen. Het kan niet anders dan dat hij daarmee zijn aandacht in het bijzonder gericht heeft gehad op de hem achtervolgende politieauto’s en onvoldoende op het overige, normaal aanwezige dan wel te verwachten verkeer. Dit getuigt van een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid bij het deelnemen aan het verkeer en het besturen van zijn voertuig. Daar komt bij dat verdachte geen rijbewijs had (en ook nooit heeft gehad) en naar eigen zeggen het zicht in één oog mist. Bovendien is bij een onderzoek gebleken dat verdachte verkeerde onder invloed van cannabis. Door onder deze omstandigheden en met deze beperkingen zo te rijden heeft verdachte bewust de verkeersveiligheid geheel veronachtzaamd en onaanvaardbare risico’s genomen voor andere weggebruikers. Die risico's hebben zich ook verwezenlijkt doordat hij met hoge snelheid achterop de Volkswagen Golf, met daarin het slachtoffer, is aangereden. De Hoge Raad overweegt dat ingevolge bestendige rechtspraak in cassatie slechts kan worden onderzocht of de schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994 uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Voor de schuldvorm ‘roekeloosheid’ geldt op zichzelf hetzelfde, zij het dat daarbij moet worden betrokken dat deze roekeloosheid in de wetsgeschiedenis als ‘de zwaarste vorm van het culpose delict’ wordt aangemerkt die tot onder meer een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf heeft geleid. Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel moeten daarom aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid, dus de zwaarste vorm van schuld, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter in voorkomende gevallen daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven. Dat geldt ook in de gevallen waarin de roekeloosheid in de kern bestaat uit de in artikel 175, derde lid, WVW 1994 omschreven gedragingen, nu die gedragingen grond vormen voor een verdere verhoging van het ingevolge het tweede lid van dat artikel voor roekeloosheid geldende strafmaximum.
Het voorgaande brengt mee dat de vraag of in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van artikel 175, tweede lid, WVW 1994 een beoordeling vergt van de specifieke omstandigheden van dat geval. Bij de toetsing in cassatie van beslissingen in concrete gevallen kan een rol spelen of de rechter zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid in de zin van die bepaling heeft voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal immers slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat ‘roekeloosheid’ in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder ‘roekeloos’ – in de betekenis van ‘onberaden’ – wordt verstaan.
Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van artikel 175, tweede lid, WVW 1994, zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat in dit verband doorgaans niet volstaat de enkele vaststelling dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een of meer in art. 175, derde lid, WVW 1994 genoemde, zelfstandig tot verhoging van het wettelijk strafmaximum leidende gedragingen (vgl. ECLI:NL:HR:2013:960). De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn oordeel dat te dezen sprake is van roekeloosheid voorzien van hierboven bedoelde motivering. Voor zover het middel klaagt dat die motivering tekortschiet nu de door het hof vastgestelde omstandigheden niet zonder meer toereikend zijn voor het oordeel dat de verdachte ‘roekeloos’ in de zin van artikel 6 juncto artikel 175 WVW 1994 heeft gereden, faalt het. De Hoge Raad neemt daarbij in aanmerking dat uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat het hof acht heeft geslagen op het samenstel van gedragingen van de verdachte. Aldus heeft het hof toereikend in zijn bewijsvoering tot uitdrukking gebracht dat zich hier een bijzonder geval in de hierboven bedoelde zin voordoet.
Afwijzing verzoek tot horen rechter-commissaris als getuige (SR 2015-0280)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie moord is bewezenverklaard, over de afwijzing van het hof van de verzoeken tot het horen van de rechter-commissaris als getuige. Kort gezegd komt de procesgang op het volgende neer. De rechter-commissaris heeft tweemaal – de tweede maal na vernietiging in hoger beroep van de eerste beslissing – een vordering van de officier van justitie die ertoe strekte een zogenoemde NN-getuige de status van bedreigde getuige te geven, afgewezen. In hoger beroep heeft de raadkamer van de rechtbank ook de tweede beslissing van de rechter-commissaris vernietigd en aan de NN-getuige de status van bedreigde getuige als bedoeld in artikel 226a Sv verleend. Bij appèlschriftuur en herhaald ter terechtzitting van het hof heeft de verdachte verzocht de rechter-commissaris als getuige te doen horen. Na afwijzing van dat verzoek heeft de verdachte het verzoek in een volgende terechtzitting herhaald, waarna het verzoek wederom door het hof is afgewezen. De Hoge Raad overweegt dat het hof het verzoek – niet onbegrijpelijk – aldus heeft opgevat dat de rechter-commissaris dient te worden gehoord ter toetsing van de aan de NN-getuige verleende status van bedreigde getuige. Het hof heeft de afwijzing van dat verzoek als volgt verwoord: De verdediging heeft verzocht om het horen van de rechter-commissaris in deze zaak als getuige. Getuige heeft de vordering van de officier van justitie tot het toekennen van de status van bedreigde getuige afgewezen. De officier van justitie is hiertegen in hoger beroep gegaan. De raadkamer van de rechtbank heeft de beslissing vervolgens vernietigd en aan de NN-getuige alsnog de status van bedreigde getuige toegekend.
Het verzoek van de verdediging om de rechter-commissaris als getuige te horen, komt feitelijk neer op het openbreken van de procedure tot het al dan niet toekennen van de status van bedreigde getuige aan getuige. Dit is in strijd met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. De verdediging heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die erop duiden dat in de procedure tot het toekennen van de status van bedreigde getuige aan de NN-getuige, sprake is geweest van schending van fundamentele beginselen van een behoorlijke procesorde op grond waarvan de procedure nietig zou moeten worden verklaard. Dat de raadkamer ervan heeft afgezien de rechter-commissaris te horen levert in elk geval niet een dergelijke schending op. Het staat ter discretie van de raadkamer om de rechter-commissaris al dan niet te horen of diens zienswijze omtrent de vraag of de status van bedreigde getuige al dan niet moet worden verleend. Het Hof wijst de vordering dan ook af. De Hoge Raad overweegt vervolgens dat bij de beoordeling van het middel dient te worden vooropgesteld dat de wetgever de beantwoording van de vraag of een getuige terecht als een bedreigde getuige in de zin van artikel 226a Sv is aangemerkt, heeft willen onttrekken aan het oordeel van de zittingsrechter, tenzij aan de wijze van totstandkoming of aan de inhoud van een door de rechter ingevolge de artikelen 226a en/of 226b Sv ten aanzien van een getuige gegeven bevel dat ter gelegenheid van het verhoor van die getuige diens identiteit verborgen wordt gehouden, zodanige fundamentele gebreken kleven dat gebruikmaking door de zittingsrechter van de resultaten van het nadien op de voet van artikel 226d Sv afgenomen verhoor van deze getuige, zou indruisen tegen het recht van de verdachte op een eerlijk proces (vgl. ECLI:NL:HR:1998:ZD1214). De Hoge Raad oordeelt dat in het licht van die maatstaf de klacht dat het hof de maatstaf van het verdedigingsbelang had dienen toe te passen niet op gaat. In aanmerking genomen dat hetgeen is aangevoerd tot onderbouwing van het in de appelschriftuur gedane verzoek het hof door te oordelen dat ‘het openbreken van de procedure tot het al dan niet toekennen van de status van bedreigde getuige aan een getuige’ waarop het verzoek neerkomt, in strijd is met het ‘gesloten stelsel van rechtsmiddelen’ deze maatstaf niet heeft miskend. Dat oordeel is gelet op hetgeen is aangevoerd ook niet onbegrijpelijk. Het middel richt zich ook tegen de afwijzing van het verzoek gedaan ter zitting in hoger beroep de rechter-commissaris te horen behalve over het toekennen van de status van bedreigde getuige aan NN, ook over de betrouwbaarheid van de door die getuige afgelegde verklaring, welk verzoek het Hof ook heeft afgewezen en daartoe overwogen dat de Rechter-Commissaris op grond van artikel 226e Sv tijdens het verhoor de betrouwbaarheid van de bedreigde getuige onderzoekt en daaromtrent in het proces-verbaal rekenschap aflegt. In de onderhavige zaak is dat onderzoek en de verantwoording daarvan – overeenkomstig de wettelijke regeling – opgedragen aan een andere rechter-commissaris. Het in artikel 226e Sv voorgeschreven betrouwbaarheidsoordeel komt derhalve niet toe aan de als getuige verzochte rechter-commissaris. Daarnaast dient het hof – bij zijn oordeel of de verklaring(en) van NN tot bewijs kunnen worden gebezigd – zich als zittingsrechter zelfstandig een oordeel te vormen over de betrouwbaarheid van die verklaring(en). Het hof acht het niet noodzakelijk de rechter-commissaris die als getuige is verzocht in dat verband te horen of van hem een nadere schriftelijke motivering te vernemen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat, zoals hierna zal worden overwogen, het dossier voldoende informatie bevat waaraan het hof de verklaringen van NN op betrouwbaarheid kan toetsen. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof bij het afwijzen van het verzoek tot het doen horen van de Rechter-Commissaris in verband met het oordeel omtrent de betrouwbaarheid van de verklaring van NN dat voor het eerst is gedaan ter terechtzitting in hoger beroep niet een onjuiste maatstaf heeft toegepast, niet onbegrijpelijk en toereikeind is gemotiveerd.
Verhouding opzetwitwassen en schuldwitwassen (SR 2015-0285)
Het Openbaar Ministerie klaagt dat het hof bij zijn vrijspraak van het aan de verdachte tenlastegelegde witwassen heeft miskend dat opzet schuld insluit, dan wel die vrijspraak met onvoldoende reden heeft omkleed. Het hof heeft verdachte vrijgesproken en daartoe overwogen dat de vaststellingen van het hof tot de conclusie leiden dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het hier aan de orde zijnde geld een legale herkomst heeft, zodat niet anders kan dan dat het geld (on)middellijk van misdrijf afkomstig is, zodat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan opzetwitwassen. Opzetwitwassen is echter niet tenlastegelegd. Het hof oordeelt met betrekking tot de vraag of het dossier voldoende bewijs bevat om op grond daarvan vast te kunnen stellen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het wel ten laste gelegde ‘schuldwitwassen’ dat voor de bewezenverklaring van schuldwitwassen bij de pleger sprake dient te zijn geweest van ‘grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid’' ten aanzien van de omstandigheden waaronder de gedragingen zijn gepleegd. Het hof is van oordeel dat uit het enkele aantreffen van een groot geldbedrag in een plastic boodschappentas en van een papiertje op de zool van de sandaal van de verdachte met daarop een aantekening van dat geldbedrag, niet valt af te leiden dat bij de verdachte sprake is geweest van ‘grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid’' ten opzichte van de herkomst van dat geld, terwijl voorts de verklaringen van de verdachte om de hiervoor weergegeven redenen van het bewijs worden uitgesloten, zodat ook daaruit geen bewijs voor ‘schuldwitwassen’ kan worden geput. De Hoge Raad overweegt dat indien het hof tot uitdrukking heeft willen brengen dat niet kon worden bewezen dat de verdachte ‘redelijkerwijs moest vermoeden’ dat het geld uit misdrijf afkomstig was omdat sprake was van ‘opzettelijk’ handelen van de verdachte en van ‘opzetwitwassen’, zijn oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, omdat de daaraan ten grondslag liggende redenering onjuist is. Dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld sluit op zichzelf niet uit dat, indien zulks is tenlastegelegd, bewezen kan worden verklaard dat de verdachte ‘redelijkerwijs moest vermoeden’ dat het geld uit misdrijf afkomstig was en dat het handelen van de verdachte daarom kan worden aangemerkt als schuldwitwassen als bedoeld in artikel 420quater Sr. De Hoge Raad oordeelt dat indien het hof niet van bovenstaande onjuiste opvatting is uitgegaan, het oordeel dat niet kon worden bewezen dat de verdachte ‘redelijkerwijs moest vermoeden’ dat het geld uit misdrijf afkomstig was, niet zonder meer begrijpelijk is, in aanmerking genomen hetgeen het hof heeft vastgesteld omtrent het aangetroffen geld en omtrent het ontbreken van een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor de herkomst van het geld.
SR Updates Talk | Weinig tijd maar toch up to date blijven?
SR Talk biedt u de unieke gelegenheid om per kwartaal online te worden bijgepraat over de laatste ontwikkelingen op het gebied van het straf(proces)recht. Graag wijs ik u op de SR Talk-sessie van donderdag 3 september en 3 december 2015, waarin de actuele jurisprudentie wordt besproken.
Meer informatie en inschrijven
Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar
sr-updates@budh.nl.
Veel leesplezier.
Met vriendelijke groet,
J.H.J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates
Hoge Raad
- Hoge Raad Roekeloosheid bij dodelijk verkeersongeval toereikend door hof gemotiveerd. 16-06-2015
- Hoge Raad De afwijzingen van de verzoeken tot het horen van de rechter-commissaris zijn toereikend gemotiveerd. 16-06-2015
- Hoge Raad Of de eigen waarneming van het hof een gegeven is dat tot herziening zou kunnen leiden, kan in het midden blijven, aangezien ook zonder de fotoherkenning de betrokkenheid van de aanvrager bij het strafbare feit kan worden bewezen. 16-06-2015
- Hoge Raad Verhouding tussen opzet en schuld bij witwassen. 16-06-2015
- Hoge Raad ’s Hofs oordeel dat sprake is van een aangifte in de zin van artikel 188 Sr geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. 16-06-2015
- Hoge Raad Bewezenverklaring witwassen toereikend gemotiveerd. 16-06-2015
- Hoge Raad Het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van amfetamine kan niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. 16-06-2015
- Hoge Raad Is fictieve informatie aan te merken als een geheim als bedoeld in artikel 272 Sr? 16-06-2015