Naar boven ↑

Update

Nummer 21, 2015
Uitspraken van 05-06-2015 tot 11-06-2015
Redactie: prof. mr. J.S. Nan en mr. C.L. van der Vis.

Geachte heer/mevrouw,

Bijgaand treft u een nieuwe SR Update aan. Klik hier om de pdf vanaf de website te downloaden.

Rechtspraak
De afgelopen weken is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs:

‘Kennelijk bestemd’ ex artikel 46 lid 1 Sr (SR 2015-0276)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie onder meer diefstal in vereniging voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen en witwassen is bewezen verklaard, dat enerzijds het hof een vordering tot wijziging van de tenlastelegging ten onrechte heeft toegewezen en anderzijds dat het hof een onjuiste betekenis heeft toegekend aan de in de bewezenverklaring voorkomende worden ‘bestemd tot het begaan van dat misdrijf’, althans dat het de bewezenverklaring ontoereikend heeft gemotiveerd. Ten aanzien van de eerstgenoemde klacht geldt dat het hof de vordering integraal heeft toegewezen. De Hoge Raad overweegt dat de rechter bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de situatie waarop artikel 68 Sr ziet de in beide omschreven tenlasteleggingen omschreven verwijten en in de situatie waarop artikel 313 Sv ziet de in de tenlastelegging en de in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging omschreven verwijten dient te vergelijken en herhaalt de relevante vergelijkingsfactoren die bij die toets dienen worden te betrokken (vgl. ECLI:NL:HR:2011:BM9102). De Hoge Raad oordeelt dat in het onderhavige geval zowel het verschil in de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheiden delictsomschrijvingen strekken als het verschil in de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, dermate groot is dat geen sprake kan zijn van ‘hetzelfde feit’ in de zin van art. 68 Sr en dat het hof de vordering tot wijziging van de tenlastelegging dus ten onrechte heeft toegewezen. Ten aanzien van laatstgenoemde klacht heeft het hof overwogen dat de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep heeft erkend dat hij één van de personen is die te zien en te horen is op de film van 5 februari 2012, die eveneens is aangetroffen in zijn mobiele telefoon, dat de film op de terechtzitting in hoger beroep is afgespeeld, dat de verdachte vervolgens – gevraagd naar de aard van het te horen gesprek – heeft verklaard: ‘Volgens mij is alles wel duidelijk wat er op de film wordt gezegd’. Op de vraag van de voorzitter of de verdachte met deze mededeling het tenlastegelegde feit heeft willen bekennen, heeft de verdachte geantwoord: ‘dat zeg ik niet, maar het lijkt er wel op’. Het hof overweegt dat de raadsman vrijspraak heeft bepleit, omdat de voorbereiding van een overval betrekking zou hebben op een ander casino in Zandvoort dan het Holland Casino en oordeelt dat de inhoud van het op 5 februari 2012 gefilmde gesprek aan duidelijkheid niets te wensen overlaat en betrekking heeft op de voorbereiding van een overval. Er wordt onder meer gedetailleerd gesproken over de meest wenselijke route; de wijze waarop men bij het geld wil komen; de aan te treffen personen te knevelen of onder schot te houden en op welke wijze zij na zich de overval van die plaats kunnen verwijderen zodat het risico van aanhouding gering is. In het gefilmde gesprek wordt enkel de naam van het Holland Casino Zandvoort genoemd. De politie heeft onderzoek gedaan naar de met de hand getekende plattegrond die door de gefilmde gespreksdeelnemers wordt bestudeerd en besproken. Dit onderzoek heeft uitgewezen dat de plattegrond sterke gelijkenis vertoont met de feitelijke situatie van het Holland Casino in Zandvoort en omgeving. Beide stukken zijn in het dossier gevoegd en dragen bij aan het bewijs. De Hoge Raad haalt de relevante bepaling aan en overweegt dat bij de beantwoording van de vraag of de in artikel 46, eerste lid, Sr vermelde voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen (hierna gezamenlijk: ‘voorwerpen’), afzonderlijk of gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm ‘zijn bestemd tot het begaan van het misdrijf’ in de zin van deze bepaling, niet kan worden geabstraheerd van het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van die voorwerpen voor ogen had (vgl. ECLI:NL:HR:2007:AZ0213). De Hoge Raad oordeelt dat in de overweging van het hof als zijn oordeel besloten ligt dat de met de hand getekende plattegrond die door de gefilmde gespreksdeelnemers, onder wie de verdachte, wordt bestudeerd en besproken naar zijn uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig kan zijn voor het misdadige doel dat de verdachte en een ander met het gebruik van de plattegrond voor ogen hadden en aldus niet blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting omtrent de woorden ‘bestemd tot het begaan van dat misdrijf’ als bedoeld in artikel 46, eerste lid, Sr. Dat oordeel is evenmin onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat het hof heeft vastgesteld dat (i) tijdens het gefilmde gesprek onder meer gedetailleerd wordt gesproken over de meest wenselijke route, de wijze waarop men bij het geld wil komen en op welke wijze men zich na de overval van die plaats kan verwijderen zodat het risico van aanhouding gering is, (ii) in het gefilmde gesprek enkel de naam van het Holland Casino te Zandvoort wordt genoemd en (iii) de plattegrond sterke gelijkenis vertoont met de feitelijke situatie van het Holland Casino te Zandvoort en omgeving. De bewezenverklaring is dus toereikend gemotiveerd.


Witwassen: Betrouwbaarheid verklaringen van verdachte over herkomst van geldbedragen (SR 2015-0274)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie witwassen in vereniging is bewezenverklaard, dat uit de bewijsvoering van het hof niet kan volgen dat de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig waren. Het hof heeft daartoe, kort gezegd, overwogen dat de beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd en dat gelet daarop, van de verdachte mocht worden verlangd dat hij een verklaring gaf voor de herkomst van het geld en voorts geoordeeld dat de verdachte over de door hem gestelde herkomst van de geldbedragen, waarnaar nader onderzoek is gedaan, wisselende en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd en dat die verklaringen niet geloofwaardig zijn. De Hoge Raad overweegt dat bewezen kan worden geacht dat verdachte geldbedragen die ‘uit enig misdrijf afkomstig’ zijn, voorhanden heeft gehad, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, indien op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden het niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. De Hoge Raad overweegt dat het aan het Openbaar Ministerie is bewijs bij te brengen waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid (vgl. ECLI:NL:HR:2010:BM0787). De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting omtrent de bewijslast van het tenlastegelegde bestanddeel ‘afkomstig uit misdrijf’ en oordeelt dat het oordeel van het hof dat de verdachte over de door hem gestelde herkomst van de geldbedragen, waarnaar nader onderzoek is gedaan, wisselende en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd en dat die verklaringen niet geloofwaardig zijn niet onbegrijpelijk is.


Bewijsuitsluiting wegens ontbreken mogelijkheid contra-expertise (SR 2015-0266)
Het Openbaar Ministerie klaagt dat het hof heeft geoordeeld dat stukken van het bewijs dienen te worden uitgesloten wegens het ontbreken van de mogelijkheid van een contra-expertise en dat zulks tot vrijspraak van de aan de verdachte tenlastegelegde opiumwetsdelicten dient te leiden. De Hoge Raad overweegt dat het middel op gronden die zijn vermeld in ECLI:NL:HR:2014:1451, SR 2014-0268, waarin de Hoge Raad oordeelde dat de bewijsuitsluiting van een rapport ontoereikend is gemotiveerd, nu de omstandigheid dat als gevolg van enig verzuim het voor het verrichten van een tegenonderzoek bestemde materiaal, kort gezegd, in het ongerede is geraakt, niet meebrengt dat de verkrijging van voornoemd bewijsmateriaal als ‘resultaat’ van dat in het ongerede raken en reeds op die grond als onrechtmatig moet worden aangemerkt. De beoordeling van de vraag of de onmogelijkheid van tegenonderzoek in de weg staat aan een eerlijke procesvoering, bedoeld in artikel 6EVRM, is afhankelijk van de omstandigheden van desbetreffende zaak. Hierbij kan worden gedacht aan (a) de gronden waarop de wens van de verdediging tot het doen verrichten van een tegenonderzoek steunt en (b) het belang van het gewenste tegenonderzoek in het licht van – bijvoorbeeld – de aanwezigheid van ander bewijsmateriaal, dan wel de overtuigende kracht die pleegt te worden toegekend aan het bestreden onderzoeksresultaat, terecht is voorgesteld.

SR Updates Talk | Weinig tijd maar toch up to date blijven?
SR Talk biedt u de unieke gelegenheid om per kwartaal online te worden bijgepraat over de laatste ontwikkelingen op het gebied van het straf(proces)recht. Graag wijs ik u op de SR Talk-sessie van donderdag 3 september en 3 december 2015, waarin de actuele jurisprudentie wordt besproken.
Meer informatie en inschrijven

Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar
sr-updates@budh.nl.

Veel leesplezier.

Met vriendelijke groet,

 J.H.J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates

Hoge Raad