Update
Geachte heer/mevrouw,
Bijgaand treft u een nieuwe SR Update aan. Klik hier om de pdf vanaf de website te downloaden.
Rechtspraak
De afgelopen weken is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs:
Vordering wijziging tenlastelegging (SR 2015-0252)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie bij inleidende dagvaarding verduistering in functie was tenlastegelegd en ten aanzien van wie als ambtenaar verduisteren is bewezenverklaard, over de toewijzing van het hof van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging. Het hof heeft dienaangaande het volgende overwogen: De verdediging deelt mede bezwaar te hebben tegen de gevorderde wijziging tenlastelegging, nu deze in een veel te laat stadium wordt gedaan en de officier van justitie een dergelijke vordering eventueel in eerste aanleg al had moeten doen. De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor beraad en deelt na beraad en hervatting van het onderzoek, mede dat de vordering wijziging tenlastelegging wordt toegewezen. Het enkele gegeven dat de vordering wijziging tenlastelegging thans wordt gedaan, is geen reden om deze vordering niet toe te staan. Ingevolge artikel 313 jo. 415 Sv kan een dergelijke vordering ook in hoger beroep worden gedaan. Bovendien is het hof van oordeel dat er sprake is van ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in artikel 68 Sr, nu het dezelfde gedraging van de verdachte betreft en de juridische aard van de feiten vergelijkbaar is. Immers strekken de onderscheidende delictsomschrijvingen tot bescherming van hetzelfde rechtsgoed en is het verschil in strafmaximum van de onderscheidende delictsomschrijvingen niet dermate groot dat dat aan het oordeel dat sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de weg zou moeten staan. De Hoge Raad overweegt dat de rechter bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de situatie waarop artikel 68 Sr ziet de in beide tenlasteleggingen omschreven verwijten en in de situatie waarop artikel 313 Sv ziet de in de tenlastelegging en de in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging omschreven verwijten dient te vergelijken. De volgende gegevens dienen bij die toets als relevante vergelijkingsfactoren te worden betrokken.
(A) De juridische aard van de feiten. Indien de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft (i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken, en (ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.
(B) De gedraging van de verdachte. Indien de tenlasteleggingen respectievelijk de tenlastelegging en de vordering tot wijziging daarvan niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht. Uit de bewoordingen van het begrip ‘hetzelfde feit’ vloeit reeds voort dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is nochtans dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van ‘hetzelfde feit’. Bij de toepassing van artikel 68 Sr en artikel 313 Sv moet aan de hand van dezelfde maatstaf worden beoordeeld of sprake is van ‘hetzelfde feit’ (vgl. ECLI:NL:HR: 2011:BM9102). De Hoge Raad haalt de relevante bepalingen aan en merkt op dat van verduistering in de zin van artikel 359 Sr sprake is bij de onttrekking aan de bestemming van gelden of geldswaardig papier, waarbij het – anders dan bij toepassing van artikel 321/322 Sr – niet behoeft te gaan om de wederrechtelijke toe-eigening van die gelden of geldswaardig papier. Veelal zal echter ook bij verduistering van enig goed als bedoeld in artikel 321/322 Sr sprake zijn van onttrekking aan de bestemming van dat goed. Voorts beschermt artikel 359 Sr het belang van een juiste vervulling van het ambt, zulks ter wille van de integriteit van de openbare dienst, welk belang van een goede taakvervulling gelijkelijk heeft te gelden ten aanzien van de persoon die in persoonlijke dienstbetrekking staat tot zijn werkgever. Er is weliswaar verschil in de strafdreiging, maar is niet zodanig dat daaraan te dezen doorslaggevende betekenis moet worden toegekend. De gedragingen van de verdachte ten slotte verschillen bij de beoordeling daarvan op de grondslag van de ene dan wel van de andere tenlastelegging, niet wat betreft de tijd waarop, de plaats waar, en de omstandigheden waaronder zij zouden zijn verricht. De Hoge Raad oordeelt dat zowel het verschil in juridische aard van de aan de verdachte verweten feiten als het verschil tussen de omschreven gedragingen niet zodanig uiteenloopt dat geen sprake kan zijn van ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 68 Sr.
Uitleg ‘inbreuk maken op eens anders persoonlijke levenssfeer’ in artikel 285b Sr (SR 2015-0258)
Het openbaar ministerie klaagt dat het hof aan de vrijspraak van de aan de verdachte tenlastegelegde belagingen een onjuiste rechtsopvatting omtrent ‘inbreuk maken op eens anders persoonlijke levenssfeer’ ten grondslag heeft gelegd, althans dat het die beslissing onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. Het hof heeft daartoe overwogen dat ten aanzien van de vrijspraak van de tenlastegelegde feiten in het bijzonder geldt dat beide betrokkenen niet te kennen hebben gegeven aan de verdachte dat zij geen contact met hem wilden hebben zodat, gelet op deze omstandigheid, een wederrechtelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen niet is komen vast te staan. De Hoge Raad overweegt, na vaststelling dat de tenlasteleggingen op artikel 285b, eerste lid, Sr zijn toegesneden en de bepaling aan te halen, dat vooropgesteld moet worden dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in voornoemde bepaling omschreven gedraging, de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer van belang zijn (vgl. ECLI:NL:HR:2013:BZ3626). De Hoge Raad oordeelt dat voor zover het oordeel van het hof steunt op de opvatting dat een in artikel 285b Sr omschreven gedraging uitsluitend dan als inbreuk makend op de persoonlijke levenssfeer van een ander kan worden aangemerkt indien die ander voorafgaand aan die gedraging aan de verdachte kenbaar heeft gemaakt geen contact met hem te willen, dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Die opvatting vindt immers geen steun in artikel 285b Sr. De Hoge Raad oordeelt dat voor zover het oordeel van het hof slechts tot uitdrukking heeft willen brengen dat de omstandigheid dat ‘betrokkenen aan de verdachte niet te kennen hebben gegeven dat zij geen contact met hem wilden hebben’ weliswaar van belang kan zijn bij de beantwoording van de vraag of sprake is van belaging, als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, Sr, dat dat oordeel kennelijk enkel ‘gelet op deze omstandigheid, een wederrechtelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen niet is komen vast te staan’ zonder nadere motivering niet toereikend is.
Bewijsklacht meineed (SR 2015-0255)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie meineed is bewezenverklaard, over de motivering van de bewezenverklaring door het hof. De bewezenverklaring steunt op de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof van 25 februari 2014, een schriftelijk bescheid met uitwerking van een tapgesprek, processen-verbaal houdende verklaringen van de verdachte, een proces-verbaal houdende een verklaring van de getuige en een proces-verbaal houdende verklaring van de verbalisant en een proces-verbaal houdende de bevindingen van de officier van justitie. De Hoge Raad overweegt dat de pleitnotitie van de raadsman van de verdachte onder meer het volgende inhoudt: In de beleving van cliënt heeft hij op 19 augustus en 6 december 2011 ten overstaan van de rechter-commissaris geen onjuiste dan wel valse verklaringen afgelegd. Hij volhardt in zijn visie. Cliënt stelt uitdrukkelijk geen meineed te hebben gepleegd ter zake van het afleggen van verklaringen in strijd met de waarheid over het gebeuren op 4 juni 2011, voor zover hij daarvan getuige is geweest. Hij wenst daar nog aan toe te voegen, dat hij nimmer bewust heeft getracht de waarheid te verdraaien, dan wel bepaalde personen te beschermen. Indien en voor zover hij onjuiste verklaringen zou hebben afgelegd, wat niet zo is, kan naar het oordeel van cliënt uit het dossier niet volgen dat hij opzettelijk heeft gehandeld. Immers, uit het gepresenteerde bewijsmateriaal kan niet worden afgeleid, dat het opzet van cliënt ten tijde van het afleggen van de verklaringen op 19 augustus en 6 december 2011 was gericht op het afleggen van een valse verklaring, geheel of ten dele in strijd met de waarheid, een en ander zoals in de tenlastelegging is geformuleerd. De Hoge Raad oordeelt mede in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd. Uit de bewijsmiddelen kan niet zonder meer volgen dat de verdachte opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid heeft verklaard.
SR Updates Talk | Weinig tijd maar toch up to date blijven?
SR Talk biedt u de unieke gelegenheid om per kwartaal online te worden bijgepraat over de laatste ontwikkelingen op het gebied van het straf(proces)recht. Graag wijs ik u op de SR Talk-sessie van donderdag 3 september en 3 december 2015, waarin de actuele jurisprudentie wordt besproken.
Meer informatie en inschrijven
Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar
sr-updates@budh.nl.
Veel leesplezier.
Met vriendelijke groet,
J.H.J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates
Hoge Raad
- Hoge Raad De omstandigheid dat de oproeping van de verdachte voor de terechtzitting in hoger beroep niet aan de raadsman van de verdachte is gezonden, staat aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting in de weg. 02-06-2015
- Hoge Raad De bescheiden waaruit de gronden blijken waarop de aanvraag tot herziening berust, zijn niet bijgevoegd. Reeds om die reden kan de aanvraag niet tot herziening leiden. 02-06-2015
- Hoge Raad Het cassatiemiddel van het OM, dat klaagt over de vrijspraak van de tenlastegelegde belaging, slaagt op twee punten. 02-06-2015
- Hoge Raad De Hoge Raad leest de beslissing van het hof omtrent de vordering van de benadeelde partij verbeterd en verwerpt het beroep. 02-06-2015
- Hoge Raad Geen sprake van hetzelfde feit in de zin van artikel 68 Sr. 02-06-2015
- Hoge Raad De bewezenverklaarde oplichting kan niet zonder meer worden afgeleid uit de bewijsvoering van het hof. 02-06-2015
- Hoge Raad In hoger beroep is verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. 02-06-2015
- Hoge Raad Vordering tot wijziging van de tenlastelegging door het hof terecht toegewezen. 02-06-2015
- Hoge Raad Slagende bewijsklacht meineed. 02-06-2015
- Hoge Raad Uit de inhoud van de bewijsvoering kan niet volgen dat de verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit het door de betrokkene door misdrijf verkregen geld. 02-06-2015
- Hoge Raad Het hof kon niet volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, nu de raadsman in hoger beroep vrijspraak heeft bepleit. 02-06-2015
- Hoge Raad Slagende bewijsklacht oplichting. 02-06-2015
- Hoge Raad De aanvraag tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard, omdat de beslissing tot het buiten behandeling laten van het hoger beroep niet is een uitspraak houdende een veroordeling in de zin van artikel 457 lid 1 Sv. 02-06-2015
- Hoge Raad Het middel, dat klaagt tegen de partiƫle niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in zijn vordering tot het verlenen van verlof als bedoeld in artikel 552p Sv, slaagt. 02-06-2015
- Hoge Raad Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak zijn nietig, nu de door de raadsman overgelegde pleitnota zich niet bij de stukken van het geding bevindt. 02-06-2015
- Hoge Raad Uit de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan niet volgen dat de verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit door misdrijf verkregen geld. 02-06-2015
- Hoge Raad Openlijke geweldpleging: in vereniging gepleegd? 26-05-2015
- Hoge Raad Sprake van valse hoedanigheid in de zin van artikel 326 Sr? 26-05-2015
- Hoge Raad Sprake van samenweefsel van verdichtsels in de zin van artikel 326 Sr? 26-05-2015