Naar boven ↑

Update

Nummer 2, 2015
Uitspraken van 10-01-2015 tot 16-01-2015
Redactie: prof. mr. J.S. Nan en mr. C.L. van der Vis.

Geachte heer/mevrouw, 

Bijgaand treft u een nieuwe SR Update aan.

Rechtspraak
De afgelopen weken is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs:

Openlijke geweldpleging (SR 2015-0020)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie het openlijk in vereniging geweld plegen is bewezenverklaard, over de bewezenverklaring voor zover dat het ‘aan de openbare weg, Alexander Dumaslaan’ betreft. Het hof heeft de bewezenverklaring doen steunen op een proces-verbaal houdende de verklaring van het slachtoffer, een proces-verbaal houdende de verklaring van een getuige, een proces-verbaal houdende de verklaring van de verdachte, de verklaring van de verdachte afgelegd op de zitting in hoger beroep, een proces-verbaal van de rechter-commissaris houdende de verklaring van het slachtoffer en een proces-verbaal van de rechter-commissaris houdende de verklaring van een andere getuige (de juf van het slachtoffer). Het hof overweegt ten aanzien van deze bewezenverklaring dat het verweer van de raadsman dat geen sprake is van openlijke geweldpleging nu geen openlijk geweld aan de openbare weg is gepleegd, wordt verworpen. Openlijk geweld, aldus het hof, ziet op onverholen niet heimelijk bedreven daden, die voor derden zichtbaar konden zijn. Het voorval speelde zich in dit geval af in een school, gelegen aan de openbare weg, Alexander Dumaslaan, en het geweld vond onverholen plaats, in de aanwezigheid van andere leerlingen. Het hof oordeelt daarom dat hier sprake is van openlijk geweld. Dat niet iedereen vrije toegang had tot de school of tot de ruimte waarin het ten laste gelegde zich voordeed, doet daaraan niet af. De Hoge Raad oordeelt dat de bewezenverklaring, in aanmerking genomen dat ‘het voorval’ zich blijkens de door het hof gebezigde bewijsvoering afspeelde in een schoolgebouw, niet zonder meer kan worden afgeleid uit de inhoud van de bewijsvoering, voor zover inhoudende dat de verdachte geweld heeft gepleegd ‘aan de openbare weg, Alexander Dumaslaan’. 


Proefrit verduistering van fiets? (SR-2015-0017)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie verduistering van een fiets is bewezenverklaard, over het feit dat het bewezenverklaarde wederrechtelijke toe-eigening niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen. Het hof heeft de bewezenverklaring doen steunen op een proces-verbaal houdende een verklaring van een getuige, inhoudende dat de verdachte een proefrit is gaan maken en zijn identiteitskaart als onderpand heeft verstrekt, een schriftelijk bescheid met betrekking tot de inbeslagneming van een identiteitskaart van verdachte, een proces-verbaal houdende een verklaring van een andere getuige, medewerker van de rijwielhandel, en een proces-verbaal houdende de verklaring van de verdachte inhoudende dat de medewerker van de rijwielhandel zijn baas was. De Hoge Raad overweegt dat in de tenlastelegging het begrip 'zich wederrechtelijk toe-eigenen' is gebezigd in de betekenis die daaraan in art. 321 Sr toekomt en dat van zodanig toe-eigenen sprake is indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort (vgl. ECLI:NL:HR:1989:ZC8253). De Hoge Raad oordeelt dat uit de inhoud van bewijsmiddelen niet zonder meer kan volgen dat de verdachte het in de bewezenverklaring bedoelde goed zich wederrechtelijk heeft toegeëigend, zoals de Hoge Raad heeft overwogen. 

 
Moord in Lelystad voorbedachte raad (SR 2015-0013)
De verdediging klaagt namens de verdachte, ten aanzien van wie moord bewezen is verklaard, over de motivering van het met voorbedachte raad handelen. Het hof heeft met betrekking tot de voorbedachte raad overwogen dat er in oktober 2010 in een uitgaansgelegenheid wederom een confrontatie plaatsvindt tussen verdachte en slachtoffer. Ditmaal is verdachte degene die het meeste geweld incasseert. Hij houdt er een blauw oog aan over. Datzelfde weekend bonkt verdachte 's ochtends vroeg op de ramen van het huis van de zus van het slachtoffer, roepend: ‘Bel de begrafenisondernemer voor je broer. Zeg maar tegen je broer dat hij dood is’. In de nacht van vrijdag 29 op zaterdag 30 oktober 2010 zijn verdachte en het slachtoffer beiden in de uitgaansgelegenheid Mystic. Verdachte is samen met zijn vriend, die tevens de neef is van het slachtoffer. Om 04:30/05:00 uur gaat de Mystic dicht. Daarna gaan zowel het slachtoffer als ook verdachte en vriend naar de Classic, een andere uitgaansgelegenheid. Getuigen zien dat verdachte die avond telkens naar binnen en buiten loopt, dat hij aangeeft problemen met 'iemand' te hebben en ook dat hij 'iemand' wil slaan. Aan de vriend geeft verdachte aan dat hij even weg moet omdat hij iets moet halen. De Classic is op dat moment nog open. De vriend ziet verdachte die nacht niet weer in de Classic. (…) De verklaringen van de vriend worden tevens ondersteund door de verklaring van een vrouwelijke getuige. Zij is zowel door de politie als door de raadsheer-commissaris gehoord. Bij de raadsheer-commissaris heeft zij verklaard dat verdachte haar de dag na het incident heeft verteld dat hij bij de Classic was met zijn groep en dat verdachte daar achter een pilaar had gestaan. Verder vertelde hij haar dat hij daarna achter de pilaar vandaan was gekomen, op het slachtoffer was afgegaan en hem vervolgens in zijn hoofd had gestoken. Verder heeft zij bij de raadsheer-commissaris verklaard dat zij bij de politie geen volledige verklaring had afgelegd omdat zij bang is voor haar veiligheid. Het hof beschouwt dit als een aannemelijke verklaring voor het feit dat zij bij de politie – zoals zij zelf zegt – 'stukjes heeft weggelaten'. De verklaring van de vrouwelijke getuige, afgelegd bij de raadsheer-commissaris, wordt ondersteund door de verklaring van een andere vrouwelijke getuige. Ook zij is gehoord door zowel de politie als de raadsheer-commissaris. Gelet op de verklaringen van de vriend en de vrouwelijke getuigen, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof de verklaring van verdachte, dat het enige geweld dat hij op 30 oktober 2010 op het slachtoffer heeft uitgeoefend een slag in slachtoffers gezicht was, niet geloofwaardig. De volgende vraag die het hof dient te beantwoorden is of er sprake is geweest van voorbedachte raad. Bij de beoordeling van die vraag heeft het hof in het bijzonder gelet op de overwegingen van de Hoge Raad in LJN BR2342. Het hof leidt uit de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden af dat er geen aanwijzingen zijn dat verdachte het besluit om het slachtoffer in zijn hoofd te steken heeft genomen in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Verdachte en slachtoffer hadden weliswaar een nog lopend conflict met elkaar dat al enige malen tot een vechtpartij had geleid, maar deze avond en nacht hadden ze elkaar niet opgezocht in de uitgaansgelegenheden en was het rustig gebleven tussen beiden. Ook anderszins is niet gebleken dat verdachte direct voorafgaand aan het fatale incident niet in staat was na te denken over zijn voorgenomen daad en de mogelijke gevolgen daarvan. Verdachte heeft ook voldoende tijd en gelegenheid gehad om daarover na te denken. De vrouwelijke getuige heeft verklaard dat verdachte tegen haar verteld heeft dat hij gedurende enige tijd achter een pilaar heeft staan wachten. Dit wordt niet weersproken door getuigenverklaringen; niemand heeft verklaard verdachte te hebben gezien voordat hij van onder de luifel vandaan zijn aanval inzette. In die situatie moet verdachte een steekwapen ter hand hebben genomen. Vervolgens is hij van achteren op het slachtoffer afgerend, die op dat moment stond te praten met de vriend van verdachte, en heeft verdachte het slachtoffer van achteren zonder dralen en doelgericht in zijn hoofd gestoken. Meteen daarna heeft verdachte zich zo snel mogelijk uit de voeten gemaakt. Dit handelen van verdachte, in deze situatie, heeft naar zijn uiterlijke verschijningsvorm alle kenmerken van een tevoren beraamde aanslag en wordt door het hof bezien in het licht van de gewelddadige voorgeschiedenis van het slachtoffer met verdachte. Op grond van voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de moord op het slachtoffer. De Hoge Raad oordeelt na een overweging met betrekking tot voorbedachte raad, dat het hof bij zijn oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, blijkens zijn bewijsoverweging, betekenis heeft toegekend aan de gewelddadige voorgeschiedenis van recente aard tussen de verdachte en het slachtoffer, in welk verband het hof onder meer heeft vastgesteld dat de verdachte heeft gedreigd het slachtoffer van het leven te beroven. Het hof heeft mede daarom gesproken over een ‘tevoren beraamde’ aanslag. Voorts heeft het hof – na onder meer te hebben vastgesteld dat ‘getuigen zien dat verdachte die avond telkens bij een uitgaansgelegenheid naar binnen en buiten loopt, dat hij aangeeft problemen met “iemand” te hebben’ en dat de verdachte aan een vriend aangeeft ‘dat hij even weg moet omdat hij iets moet halen’ – blijkens zijn bewijsoverweging bij zijn oordeel betekenis toegekend aan het ontbreken van aanwijzingen voor de mogelijkheid dat het handelen van de verdachte het gevolg is geweest van enige ogenblikkelijke gemoedsopwelling en aan de tijd en gelegenheid die de verdachte heeft gehad om na te denken over zijn voorgenomen daad en de mogelijke gevolgen daarvan toen hij gedurende enige tijd achter een pilaar heeft staan wachten. Aldus heeft het hof zijn oordeel dat de verdachte zich in het onderhavige geval gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, ook gelet op de overweging van de Hoge Raad ten aanzien van voorbedachte raad, toereikend gemotiveerd. Anders dan het middel stelt, zijn de verklaringen van een andere betrokkene, inhoudende dat er iets is gebeurd waardoor de verdachte boos werd, en van een getuige, inhoudende dat hij de verdachte heeft gezien voordat hij zijn aanval inzette, met dat oordeel niet onverenigbaar.

Annotatie
‘In bovengenoemde zaken waren de verdachten door het hof veroordeeld wegens laster, waarbij het hof de tenlastelegging ‘aldus heeft verstaan, dat voorwaardelijk opzet toereikend is voor het bewijs van het bestanddeel “wetende dat” in de zin van artikel 262 Sr’...’, zo begint de recente geplaatste annotatie van H. de Doelder bij ECLI:NL:HR:2014:3493 en ECLI:NL:HR:2014:3498, waar ik u graag op attendeer.


SR Updates Talk | Weinig tijd maar toch up to date blijven?
Graag wijs ik u op de SR-Talk sessie van donderdag 5 maart 2015, waarin de actuele jurisprudentie wordt besproken. De link is te vinden op deze site.

Volg de online jurisprudentiebespreking Strafrecht, inclusief PO-punten. 
Elke 6 tot 8 weken de meest actuele rechtspraak (incl. de Hoge Raad van de dinsdag ervoor) in één uur tijd besproken door prof. Paul Mevis, mr. Joost Verbaan of mr. dr. Joost Nan. 
Eerstvolgende sessie 5 maart 2015: 16 – 18 uur
Kosten: € 138 excl. btw per sessie (2 PO-punt)

Nieuw rechtsgebied? Tijdelijke break?
Volg dan on demand de opnames van SR Updates Talk van medio 2013 tot heden.
Meer informatie en inschrijven: SR Updates Talk Live en On Demand

Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar sr-updates@budh.nl

 

Veel leesplezier.

Met vriendelijke groet,

 

J.H.J. Verbaan

Hoofdredacteur SR Updates