Naar boven ↑

Update

Nummer 19, 2015
Uitspraken van 23-05-2015 tot 29-05-2015
Redactie: prof. mr. J.S. Nan en mr. C.L. van der Vis.

Geachte heer/mevrouw, 

Rechtspraak
De afgelopen weken is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs:

Verdediging beperkt in het voeren van het woord tot verdediging (SR 2015-0237)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie onder andere gewoonteheling is bewezenverklaard, over beperking door het hof van het woord tot verdediging. Het hof heeft, blijkens proces-verbaal op de zitting van 26 september 2012 de raadsman, die heeft aangegeven dat hij meer dan een dag nodig heeft voor pleidooi, medegedeeld dat het van oordeel is dat drie uur voldoende tijd is om te pleiten in deze zaak en daarbij verwezen naar ECLI:NL:HR:2008:BD2361 en ECLI:NL:GHSHE:2011:6079. Het hof heeft met betrekking tot de bestreden uitspraak overwogen dat op voornoemde zitting de voorzitter heeft beslist dat de verdediging drie uur de tijd kreeg om te pleiten. Het hof acht die gegeven tijd voor pleidooi in de onderhavige zaak redelijk en houdt daarbij rekening met de omstandigheden dat de verdediging op eerdere zittingen in hoger beroep al ampel het woord heeft gevoerd over inhoudelijke en procedurele aangelegenheden, dat het stelsel van het voortbouwend appel ervan uitgaat dat de procedure in hoger beroep beperkter van opzet is dan de procedure in eerste aanleg, dat de beperking van de spreektijd ruim te voren aan de verdediging kenbaar is gemaakt, dat zich in het dossier een zeer uitgebreide pleitnota bevindt die in eerste aanleg is voorgedragen en waarvan het hof kennis heeft genomen. Het hof heeft de verdediging erop gewezen dat verweren die in die pleitnota zijn opgenomen in hoger beroep uitdrukkelijk kunnen worden herhaald, zonder dat vereist is de hele pleitnota nogmaals voor te dragen. Tot slot is de verdediging in hoger beroep in de gelegenheid gesteld om vóór de terechtzitting van 22 mei 2013 haar pleitnota aan het hof toe te sturen. De verdediging heeft van die mogelijkheid ook gebruikgemaakt doordat beide raadslieden een groot gedeelte van hun pleitnota's vooraf hebben toegestuurd aan het hof. Ter terechtzitting kon in belangrijke mate worden volstaan met een korte samenvatting. Het hof oordeelt dat, gelet op genoemde omstandigheden, de verdediging redelijkerwijze alle ruimte heeft gehad om naar voren te brengen hetgeen zij meende ter verdediging van de belangen van verdachte naar voren te moeten brengen en dat verdachte aldus door de beperking niet in zijn belangen is geschaad. Het hof wijst er daarbij ook op dat een aantal door mr. Speijdel genoemde beperkingen waarover hij zich niet heeft kunnen uitlaten wegens de gestelde begrenzingen in tijd, wel degelijk door mr. De Bree naar voren zijn gebracht. De Hoge Raad overweegt dat de raadsman van de verdachte die overeenkomstig artikel 311, tweede lid, Sv jo. artikel 331, eerste lid, Sv het woord voert, in beginsel het recht heeft daarbij aan te voeren wat hem in het belang van de verdediging dienstig voorkomt. Deze regel is van zo grote betekenis dat niet-nakoming daarvan in het algemeen leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting (vgl. ECLI:NL:HR:1993:ZC9251). Dat betekent niet dat de raadsman het recht heeft gedurende onbeperkte tijd het woord ter verdediging te voeren. De opvattingen dat het beperken van de voor het houden van pleidooi beschikbare tijd in strijd is met het ‘recht op het voeren van pleidooi’, onderscheidenlijk dat zo een beperking steeds in strijd is met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, derde lid onder c, EVRM, zijn – in hun algemeenheid – onjuist. Een begrenzing van de voor het houden van pleidooi beschikbare tijd brengt immers niet zonder meer mee dat de raadsman de hem krachtens artikel 311, tweede lid, Sv en artikel 6, derde lid onder c, EVRM toekomende verdedigingsrechten niet voldoende heeft kunnen uitoefenen. De Hoge Raad oordeelt dat gelet op voorgaande het hof het recht van de verdediging op het houden van pleidooi niet heeft geschonden. De Hoge Raad neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking dat volgens de vaststellingen van het hof de verdediging op de verschillende terechtzittingen in hoger beroep ampel het woord heeft gevoerd over inhoudelijke en procedurele aangelegenheden alsmede dat de beperking van de spreektijd tevoren aan de verdediging is kenbaar gemaakt.

De Hoge Raad merkt naar aanleiding van 's hofs overwegingen met betrekking tot het herhalen van de inhoud van de pleitnota in eerste aanleg en het op voorhand toesturen van de pleitnota in hoger beroep, op dat het uitgangspunt is dat in strafzaken de rechter dient te beraadslagen en te beslissen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting. Dat brengt mee dat verweren en uitdrukkelijk onderbouwde standpunten ter terechtzitting dienen te worden voorgedragen. Geen rechtsregel verplicht de rechter dan ook te beslissen op verweren of uitdrukkelijk onderbouwde standpunten die aldaar niet uitdrukkelijk zijn voorgedragen. Dat neemt niet weg dat de verdediging het initiatief kan nemen om het voordragen van verweren en onderbouwde standpunten ter terechtzitting te bekorten door middel van een duidelijke verwijzing naar de inhoud van de stukken van het geding, zoals de pleitnota die in eerste aanleg is voorgedragen, de pleitnota die door een raadsman van een tegelijkertijd terechtstaande medeverdachte is voorgedragen (en ook in het dossier van de verdachte is gevoegd) alsook een pleitnota die op voorhand aan de rechter en de andere procespartijen is toegezonden. Voorop dient evenwel te staan dat ter terechtzitting met voldoende duidelijkheid wordt aangegeven welke verweren worden gevoerd en welke onderbouwde standpunten worden ingenomen (vgl. ECLI:NL:HR:2011:BM6159). Het is de rechter die daarop dient toe te zien en die daarom zal moeten instemmen met vorenbedoelde bekorting van het pleidooi, waarvan moet blijken uit het proces-verbaal van de terechtzitting.

Verontschuldigbare termijnoverschrijding niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep (SR 2015-0245)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie bij de politierechter bij verstek diefstal is bewezenverklaard, dat het hof verdachte ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het hof had daartoe overwogen dat de raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte weliswaar te laat hoger beroep heeft ingesteld, maar dat deze termijnoverschrijding verontschuldigbaar is, omdat de verdachte, ondanks dat hij geen afstand had gedaan van zijn recht bij de terechtzitting aanwezig te zijn, niet is aangevoerd en de verdachte in de periode na 20 juni 2012 psychische problemen had waardoor hij minder goed in staat was om zijn belangen te behartigen. Het hof oordeelde dat het gegeven dat de verdachte geen afstand had gedaan, op zichzelf onverlet laat, dat de beroepstermijn veertien dagen na 20 juni 2012 verstreek. Verder kan op basis van de enkele mededeling dat verdachte psychische problemen had niet worden aangenomen dat het te laat instellen van hoger beroep niet aan de verdachte kan worden toegerekend. De Hoge Raad overweegt dat de wet bepaalt in welke gevallen een rechtsmiddel tegen een rechterlijke uitspraak kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden. Overschrijding van de termijn voor hoger beroep door de verdachte betekent in de regel dat deze niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend dan niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Daarbij kan worden gedacht aan een zodanige psychische gesteldheid dat in verband daarmee het verzuim tijdig hoger beroep in te stellen niet aan de verdachte kan worden toegerekend (vgl. ECLI:NL:HR:2004:AN8587). De Hoge Raad oordeelt dat, gelet op hetgeen door de raadsvrouw met verwijzing naar de meegezonden en ontvangen stukken – die onder meer inhouden dat de verdachte zwakbegaafd is, kampt met psychosen en kort voor de terechtzitting van de politierechter van 20 juni 2012 wegens psychiatrische problematiek naar de ‘Bijzondere Zorg Afdeling’ van P.I. Haarlem is geplaatst – is aangevoerd, dat het hof zijn beslissing nader had dienen te motiveren. Dat het had moeten doen blijken een onderzoek te hebben ingesteld naar de vraag of en, zo ja, gedurende welke periode na het vonnis van de politierechter de verdachte in een zodanige psychische gesteldheid verkeerde dat hij niet in staat was te beoordelen of hoger beroep diende te worden ingesteld. Een termijnoverschrijding gedurende een zodanige periode zou de verdachte niet kunnen worden toegerekend. In dat geval is de verdachte ontvankelijk in het door hem ingestelde rechtsmiddel indien hij, nadat een verhindering als hiervoor bedoeld is opgeheven, alsnog zo spoedig mogelijk hoger beroep heeft ingesteld of doen instellen.

Volstaan met opsomming bewijsmiddelen voldoende (SR 2015-0241)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie wapenbezit is bewezenverklaard, over het volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sv, althans het onvoldoende motiveren door het hof. Uit de aanvulling op het verkorte vonnis blijkt dat het hof toepassing heeft gegeven aan artikel 359, derde lid, Sv. Een van de bewijsmiddelen is een bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg. Die verklaring houdt in: ´Ik wist dat het vuurwapen en het busje pepperspray in de auto lag. Het was mijn verantwoording. Ik was de nacht voordat ik werd aangehouden uitgegaan. Een jongen vroeg een lift en ik heb hem thuisgebracht. De jongen had het wapen in de auto achtergelaten. Ik heb dit niet aan de Koninklijke Marechaussee verteld, omdat ik die jongen niet in problemen wilde brengen. Ik ga niet zeggen hoe deze persoon heet. Ik ben bang voor represailles.´ De Hoge Raad overweegt dat artikel 359, derde lid, Sv aldus moet worden verstaan dat slechts met een opgave van de bewijsmiddelen kan worden volstaan indien de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, tenzij sprake is van de aan het slot van die bepaling genoemde gevallen. De beantwoording van de vraag of de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend in de zin van genoemde bepaling, is mede afhankelijk van de – in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid te toetsen – uitleg door de feitenrechter van de door de verdachte afgelegde verklaring (vgl. ECLI:NL:HR:2006:AX5776). De Hoge Raad overweegt dat het middel klaagt dat het hof op grond van de als ‘bekennende verklaring’ aangemerkte, ter zitting in eerste aanleg afgelegde, verklaring van de verdachte, niet heeft kunnen aannemen dat de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend omdat die verklaring niet alle onderdelen van de bewezenverklaring bevat. De Hoge Raad oordeelt dat de enkele omstandigheid dat de ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring niet met zoveel woorden alle onderdelen van de bewezenverklaring bestrijkt, niet behoeft te betekenen dat de verdachte het bewezenverklaarde niet heeft bekend. Bij de beantwoording van de vraag of van een bekennende verklaring sprake is, kan in het bijzonder van belang zijn of die verklaring tevens elementen bevat die de tenlastelegging op een of meer onderdelen bestrijden, alsmede welke procesopstelling de verdachte heeft gekozen, waarbij in verband met het voortbouwend appel met name betekenis toekomt aan zijn procesopstelling in hoger beroep. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof dat verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend, in de zin van artikel 359, derde lid, tweede volzin, Sv gelet op het voorgaande niet onbegrijpelijk is, mede in aanmerking genomen de hiervoor vermelde inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep de verdediging de door de politierechter gehanteerde bewezenverklaring en bewijsvoering niet heeft bestreden en de verdachte heeft verklaard in beroep te zijn gekomen omdat hij de straf te hoog acht, terwijl het hof de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte kennelijk en niet onbegrijpelijk niet als afwijkend van de in eerste aanleg afgelegde verklaring van de verdachte heeft aangemerkt. 

Annotatie
‘In zijn arrest van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, heeft de Hoge Raad getracht de reikwijdte van het leerstuk medeplegen te verhelderen. Van medeplegen is slechts sprake in geval van bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en een ander of anderen. Daarvan kan volgens de Hoge Raad slechts worden gesproken wanneer de ‘intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte’ van ‘voldoende gewicht’ is. De vraag of sprake is van een bijdrage van voldoende gewicht is in het bijzonder van belang wanneer het tenlastegelegde medeplegen ‘in de kern niet bestaat in gezamenlijke uitvoering’ met een ander of anderen, maar uit gedragingen die bijvoorbeeld bestaan in de enkele bijdrage na afloop van het delict. In het geval de feitenrechter van oordeel is dat desondanks sprake is van medeplegen, dient hij dat ‘nauwkeurig te motiveren’...’, zo begint de recente geplaatste annotatie van J. ten Voorde bij ECLI:NL:HR:2015:1094, SR 2015-0203, waar ik u graag op attendeer.

SR Updates Talk | Weinig tijd maar toch up to date blijven?
SR Talk biedt u de unieke gelegenheid om per kwartaal online te worden bijgepraat over de laatste ontwikkelingen op het gebied van het straf(proces)recht. Graag wijs ik u op de SR Talk-sessie van donderdag 4 juni 2015, waarin de actuele jurisprudentie wordt besproken door prof. Paul Mevis.
Meer informatie en inschrijven

Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar sr-updates@budh.nl

 

Veel leesplezier.

Met vriendelijke groet,

 

J.H.J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates

Hoge Raad