Update
Geachte heer/mevrouw,
Bijgaand treft u een nieuwe SR Update aan.
Rechtspraak
De afgelopen weken is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs:
Verstrekking van een ‘speedbom’ schuld als bedoeld in art. 308 Sr (SR 2015-0189)
Het Openbaar Ministerie klaagt over de vrijspraak van het onder andere tenlastegelegde zwaar lichamelijk letsel door schuld door het verstrekken van drugs aan het slachtoffer. De klacht is gericht op het oordeel van het hof dat geen sprake is van schuld. Het hof heeft bij de vrijspraak van verdachte overwogen dat het bij de beoordeling van het tenlastegelegde met name gaat om de vraag of van die verstrekking van speed aan de verdachte een zodanig verwijt kan worden gemaakt dat deze als ten minste aanmerkelijk onvoorzichtig of aanmerkelijk onachtzaam of nalatig moet worden aangemerkt. Bij de beoordeling dient het hof uit te gaan van de gemiddelde mens en in dit geval de gemiddelde drugsgebruiker. Het hof stelt vast dat de verdachte vaker drugs gebruikte, ook door speed in vloeipapier te doen, er een bolletje van te maken en dit vervolgens door te slikken. Een dergelijke ‘speedbom’ was volgens haar verklaring bij de politie op 24 februari 2010 groter dan een erwt, maar kleiner dan een knikker. Uit de verklaring van betrokkenen blijkt dat de speed die zij die dag van verdachte te gebruiken hebben gekregen op een soortgelijke wijze was ‘klaargemaakt’. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep toegegeven dat zij op 22 februari 2010 speed in huis had en die dag zelf ook speed had gebruikt; dit wordt bevestigd door de betrokkene, die bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat zij zag dat de verdachte die dag stijf stond van de drugs. Het hof acht het feit dat de verdachte die dag speed heeft gebruikt een belangrijk gegeven en gaat ervan uit dat de verdachte, aan betrokkenen speed uit dezelfde voorraad heeft verstrekt, als zij op die dag zelf heeft gebruikt, nu er geen aanwijzingen zijn van het tegendeel. Het leidt daaruit af dat de verdachte, die naar eigen zeggen regelmatig drugs gebruikte en derhalve kan worden gezien als een gemiddelde drugsgebruiker, er kennelijk vanuit is gegaan dat verstrekking van een ‘speedbom’ aan de betrokkene niet een onaanvaardbaar gezondheidsrisico met zich bracht, zodat geen sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam of nalatig gedrag. Niet is komen vast te staan dat zij op dit punt beter had moeten weten. Bij gebreke van voldoende bewijs voor ‘schuld’ in de zin van art. 308 Sr heeft het hof verdachte vrijgesproken. De Hoge Raad overweegt dat het hof heeft geoordeeld dat de verdachte kennelijk ervan is uitgegaan dat verstrekking van een ‘speedbom’ aan betrokkene niet een onaanvaardbaar gezondheidsrisico met zich bracht, zodat geen sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam of nalatig gedrag en dat niet is komen vast te staan dat de verdachte op dit punt beter had moeten weten. De Hoge Raad oordeelt dat, in aanmerking genomen dat de stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, waaronder amfetamine, door de wetgever beschouwd als drugs waarvan het gebruik een onaanvaardbaar risico voor de volksgezondheid opleverden dat de verdachte, die door het hof wordt gezien als een gemiddelde drugsgebruiker de amfetamine heeft verstrekt aan een minderjarig persoon, het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk is. Het hof had nader moeten motiveren op grond van welke feiten en omstandigheden de verdachte ervan mocht uitgaan dat het verstrekken van een ‘speedbom’ aan die persoon niet een onaanvaardbaar risico meebracht.
Kwalificatie als ‘witwassen’ (SR 2015-0192)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie witwassen is bewezenverklaard, over de kwalificatie van het bewezenverklaarde als ‘witwassen’. Het hof heeft ten aanzien van de kwalificatie overwogen dat het hof heeft bewezenverklaard dat verdachte onroerende goederen, die – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf, heeft verworven en van een deel van die onroerende goederen gebruik heeft gemaakt. Meer in het bijzonder overweegt het hof dat de verdachte door middel van het plegen van een misdrijf hypothecaire leningen, en daarmee door misdrijf verkregen gelden, heeft verkregen. Vervolgens heeft de verdachte met die door misdrijf verkregen gelden onroerende goederen verworven en daarmee een handeling verricht die niet louter heeft bestaan uit het enkele voorhanden hebben van voorwerpen (gelden) die afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf gepleegd misdrijf. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte door haar handelwijze de integriteit van het financieel verkeer en de openbare orde heeft aangetast door de door misdrijf verkregen gelden aan te wenden om de koopsom van de onroerende goederen te betalen en vervolgens (een deel van) die onroerend goederen ook als rechthebbende te gebruiken. De Hoge Raad overweegt dat het middel een beroep doet op zijn recente rechtspraak over in het bijzonder het verwerven of voorhanden hebben van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen en overweegt dat die rechtspraak er – kort gezegd – op neerkomt dat in zulke gevallen bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen, in die zin dat dan uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. De Hoge Raad overweegt vervolgens dat deze rechtsregels slechts betrekking hebben op het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en derhalve niet gelden wanneer het gaat om voorwerpen die ‘middellijk’ afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf (ECLI:NL:HR:2014:702, r.o. 3.8). De Hoge Raad overweegt dat uit ’s hofs overweging met betrekking tot de kwalificatie ter weerlegging van het gevoerde verweer kan worden afgeleid dat de verdachte door middel van oplichting en/of valsheid in geschrifte hypothecaire leningen heeft afgesloten waarna zij de uit deze hypothecaire leningen verkregen gelden heeft aangewend voor de aankoop van de in de bewezenverklaring genoemde woningen en/of loodsen. Deze voorwerpen zijn dus – anders dan de voor de aankoop gebruikte gelden – niet ‘onmiddellijk’ afkomstig van de door de verdachte gepleegde oplichting en valsheid in geschrifte en voorts geldt dat de hierboven genoemde motiveringseis uitsluitend ziet op de gevallen waarin slechts het verwerven en/of voorhanden hebben van onmiddellijk door eigen misdrijf verkregen voorwerpen is bewezenverklaard. Zij geldt in beginsel niet in gevallen als het onderhavige waarin eveneens het ‘gebruik maken’ – een en ander in de betekenis die ingevolge artikel 420bis, eerste lid sub b, Sr aan dit begrip toekomt – van zulke voorwerpen is bewezenverklaard. De Hoge Raad oordeelt dat het hof de gedragingen van verdachte terecht heeft aangemerkt als witwassen.
Innerlijke tegenstrijdigheid bewezenverklaring opzetheling (SR 2015-0195)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie het in de periode van 22 december 2009 tot en met 5 november 2012 te Amersfoort, een gewoonte maken van het plegen van opzetheling is bewezenverklaard – immers heeft verdachte in genoemde periode een hoeveelheid digitale camera’s en sieraden en horloges en telefoons en kleding en autosleutels en geheugenkaarten en kentekenbewijzen voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die goederen wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat het door misdrijf verkregen goederen betrof – over een innerlijke tegenstrijdigheid in de bewezenverklaring daarvan. De Hoge Raad overweegt dat het hof het bewezenverklaarde heeft gekwalificeerd als ‘van het plegen van opzetheling een gewoonte maken’. De Hoge Raad overweegt dat gelet daarop moet worden aangenomen dat de in de tenlastelegging opgenomen zinsnede dat de verdachte ‘redelijkerwijs moest vermoeden’ dat het door misdrijf verkregen goederen betrof, is opgenomen als gevolg van een kennelijke misslag in de bewezenverklaring. De Hoge Raad leest de bewezenverklaring in zoverre verbeterd. Daarmee komt de grond te ontvallen aan het middel.
SR Updates Talk | Weinig tijd maar toch up to date blijven?
SR Talk biedt u de unieke gelegenheid om per kwartaal online te worden bijgepraat over de laatste ontwikkelingen op het gebied van het straf(proces)recht. Graag wijs ik u op de SR Talk-sessie van donderdag 4 juni 2015, waarin de actuele jurisprudentie wordt besproken door prof. Paul Mevis.
Meer informatie en inschrijven
Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar sr-updates@budh.nl.
Veel leesplezier.
Met vriendelijke groet,
J.H.J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates
Hoge Raad
- Hoge Raad Enkel het besturen van de vluchtauto onvoldoende voor medeplegen diefstal. 21-04-2015
- Hoge Raad Verstrekking van ‘speedbom’ aan minderjarige schuld in de zin van artikel 308 Sr? 14-04-2015
- Hoge Raad Aanvraag tot herziening ongegrond, nu niet met voldoende precisie uiteen is gezet waarom sprake is van een novum in de zin van artikel 457 lid 1 sub c Sv. 14-04-2015
- Hoge Raad Belang bij cassatieberoep niet evident gezien de hoogte van de opgelegde straf. 14-04-2015
- Hoge Raad Falende bewijsklacht opzet op het in vereniging plegen van diefstal met geweld. 14-04-2015
- Hoge Raad Slagende bewijsklacht medeplichtigheid aan het in vereniging plegen van diefstal met geweld. 14-04-2015
- Hoge Raad Afwijzing getuigenverzoeken. 14-04-2015
- Hoge Raad Medeplegen diefstal en poging tot diefstal ontoereikend gemotiveerd. 14-04-2015
- Hoge Raad Het hof had moeten reageren op het verweer met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad doet de zaak om doelmatigheidsredenen zelf af en vermindert de straf. 14-04-2015
- Hoge Raad Geen sprake van nauwe en bewuste samenwerking bij wederrechtelijke vrijheidsberoving. 14-04-2015
- Hoge Raad In de ontnemingszaak kan met de constatering van de overschrijding van de redelijke termijn worden volstaan, nu in de samenhangende strafzaak reeds strafvermindering is toegepast. 14-04-2015
- Hoge Raad Gedragingen van verdachte met betrekking tot de aankoop van woningen en/of loodsen terecht gekwalificeerd als witwassen. 14-04-2015
- Hoge Raad Slagende bewijsklacht opzetheling. 14-04-2015
- Hoge Raad Belang bij cassatieberoep niet evident gezien de hoogte van de opgelegde straf. 14-04-2015
- Hoge Raad De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg tijdig in het strafgeding gevoegd. 14-04-2015