Update
Geachte heer/mevrouw,
Rechtspraak
De afgelopen week is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs.
Slagende bewijsklacht artikel 184 Sr (SR 2014-0101)
De klacht van de verdediging namens verdachte ten aanzien van wie het hof heeft bewezenverklaard dat deze niet heeft voldaan aan een ambtelijk bevel, bedoeld in artikel 184 Sr, behelst dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat sprake is van een handeling die is ondernomen ter uitvoering van een wettelijk voorschrift. Het hof heeft de bewezenverklaring met name doen steunen op uitvoerige toelichting van de verbalisant die aan een fietser een Mulder-beschikking aan het uitschrijven was en daarin werd belemmerd door verdachte. De Hoge Raad oordeelt dat uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat de handeling is belemmerd. Uit de bewijsvoering kan echter niet worden afgeleid dat die handeling door de politieambtenaar is verricht in het kader van het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten.
Liegen over een (gouden) ketting, naar ’s Hofs oordeel afkomstig van misdrijf, geen witwassen (SR 2014-0102)
De verdediging klaagt over het oordeel van het hof dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het witwassen van een gouden ketting. Het hof heeft daarover overwogen dat verdachte heeft verklaard dat hij de ketting, door aangever herkend als zijn ketting, van een nicht had gekregen. Nu de verdachte geen nadere gegevens heeft willen verstrekken van die persoon en de ketting een waarde van 4900 tot 6000 euro vertegenwoordigt, acht het hof het ongeloofwaardig dat verdachte schenker niet zou kennen en merkt het zijn verklaring aan als een uitlating waarmee hij heeft willen verhullen of verbergen dat de ketting uit misdrijf afkomstig was, met als doel het voor zichzelf te houden. De Hoge Raad oordeelt dat uit de motivering van het hof niet kan worden afgeleid dat sprake is van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben, en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft.
Schuld in roekeloosheid (SR 2014-0103)
De klacht van de verdediging namens verdachte, ten aanzien van wie rijden onder invloed zonder bezit van een rijbewijs is bewezenverklaard, waarbij het gedrag van de verdachte als roekeloos is aangemerkt, richt zich tegen het oordeel van het hof dat sprake is van schuld in de zin van roekeloosheid. Het hof heeft de term ‘roekeloos’ in de bewezenverklaring gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 175, tweede lid aanhef en onder a. WVW 1994. De Hoge Raad kan slechts onderzoeken of schuld kan worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen. Voor roekeloosheid geldt op zich hetzelfde, zij het dat aan de vaststelling van roekeloosheid bepaaldelijk eisen worden gesteld en de rechter daaraan in zijn motivering nadere aandacht dient te geven. Dat geldt ook in de gevallen van art. 175, tweede en derde lid, WVW 1994. Opmerking verdient dat ‘roekeloosheid’ in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder ‘roekeloos’ - in de betekenis van ‘onberaden’ - wordt verstaan. De vaststelling dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een of meer in artikel 175, derde lid, WVW 1994 genoemde zelfstandig tot verhoging van het maximum van de straf leidende gedragingen volstaat niet. De bewijsvoering van het hof schiet in het licht daarvan tekort.
SR Talk
Graag wijs ik u op de SR Updates Talk van 17 april 2014, waarin hij de actuele jurisprudentie bespreekt. Klik hier voor meer informatie.
Weinig tijd maar toch up to date blijven?
Volg de online jurisprudentiebespreking Strafrecht, incl. PO-punten.
In één uur tijd en op hoog niveau wordt u elke zes weken door prof. Hans de Doelder of mr. Joost Verbaan bijgepraat over de laatste ontwikkelingen binnen het strafrecht. U kunt daarbij denken aan jurisprudentie, wetsvoorstellen of belangwekkende tijdschriftartikelen.
Data: 17-4, 5-6, 3-7, 4-9, 30-10, 11-12
Tijd: 17:00 tot 18:00 uur
Kosten: € 69 excl. btw per sessie (1 PO-punt)
Meer informatie en inschrijven: www.lawatweb.nl
Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw geanonimiseerde uitspraak in te zenden.
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief , dan kunt u mailen naar sr-updates@budh.nl.
Veel leesplezier.
Met vriendelijke groet,
J.H.J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates
Hoge Raad
- Hoge Raad De bewijsvoering van het hof schiet tekort. De door het hof blijkens de nadere bewijsoverweging in het bijzonder in aanmerking genomen omstandigheden dat de verdachte onder invloed van alcohol en zonder in het bezit te zijn van een rijbewijs slingerend, met wisselende snelheden en op te korte afstand van andere auto's heeft gereden, vervolgens op het weggedeelte, bestemd voor het tegemoetkomende verkeer is terechtgekomen en een ongeval heeft veroorzaakt, zouden toereikend kunnen zijn voor het oordeel dat de verdachte, zoals eveneens is tenlastegelegd, ‘zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam’ heeft gereden onder de in artikel 175 lid 3 WVW 1994 tot strafverhoging leidende omstandigheden, maar zij zijn niet zonder meer toereikend voor het oordeel van het hof dat de verdachte ‘roekeloos’ in de zin van artikel 6 in verbinding met artikel 175 lid 2 WVW 1994 heeft gereden. 04-03-2014
- Hoge Raad Het hof heeft zijn oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld m.b.t. mogelijke contra-indicaties, ontoereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat het hof kennelijk heeft geoordeeld dat de gelegenheid voor de verdachte om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en om zich daarvan rekenschap te geven, zich in het bijzonder voordeed gedurende het tijdsbestek dat hij – nadat hij zich had onttrokken aan het gevecht met [slachtoffer] – naar de keuken is gelopen om een mes te pakken en weer terug is gelopen naar [slachtoffer]. 04-03-2014
- Hoge Raad Gelet op het bepaalde in en krachtens de WAHV kan uit de door het hof gebezigde bewijsvoering worden afgeleid dat het hier gaat om de belemmering door de verdachte van een handeling, ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift ondernomen door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast, maar dat is niet tenlastegelegd. Dat die handeling is ondernomen in het kader van het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, kan uit 's hofs bewijsvoering echter niet worden afgeleid. De bewezenverklaring is dus in dit opzicht niet naar de eis der wet met redenen omkleed. 04-03-2014
- Hoge Raad De onder 2.3.2 weergegeven bewezenverklaringen van de onderdelen van de tenlastelegging waartoe het cassatieberoep door de raadsman van de verdachte is beperkt, zijn niet als zodanige zelfstandige strafrechtelijke verwijten te beschouwen. De Hoge Raad verstaat voormelde akte aldus dat namens de verdachte cassatieberoep is ingesteld tegen alle beslissingen ter zake van het onder 4, 8, 9 en 10 tenlastegelegde, en dat in de akte slechts ten overvloede is opgenomen op welke gedeelten van de bestreden uitspraak de bezwaren in het bijzonder betrekking hebben. De verdachte kan worden ontvangen in het ingestelde beroep tegen de beslissingen ter zake van het tenlastegelegde onder 4, 8, 9 en 10. 04-03-2014
- Hoge Raad Het hof heeft de verdachte voorafgaand aan zijn verhoor als verdachte beëdigd als getuige in de gelijktijdig behandelde zaak van zijn medeverdachte met de mededeling dat hij geacht wordt ‘hetgeen hij als verdachte verklaart in zijn strafzaak ook als getuige in de strafzaak van de medeverdachte te hebben verklaard’. Aldus heeft het hof zozeer gehandeld in strijd met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak oplevert. Het oordeel van het hof dat de in de notariële akte opgenomen, door de verdachte gegeven ‘garantie’ met de in de bewezenverklaring weergegeven inhoud, een feit oplevert ‘van welks waarheid die akte moet doen blijken’, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Niet valt in te zien op grond waarvan het hof heeft geoordeeld dat niet slechts de verklaring dat de verdachte de duidelijkheid en getrouwheid van de balans garandeert – in die zin dat de verdachte instaat voor die juistheid en getrouwheid en aansprakelijk is als komt vast te staan dat die balans niet duidelijk en getrouw is – maar ook de duidelijkheid en getrouwheid van die balans zelf moet worden aangemerkt als een ‘verklaring van welks waarheid die akte moet doen blijken’. 04-03-2014
- Hoge Raad Voor zover het middel klaagt over het ontbreken van een met gewichtige redenen omkleed bevel, mist het feitelijke grondslag. Voor zover het middel erover klaagt dat het horen van de procespartijen door het hof achterwege is gebleven, kan het niet tot cassatie leiden bij gebrek aan belang aangezien blijkens het proces-verbaal de procesdeelnemers tegen het bevel niet zijn opgekomen. 04-03-2014
- Hoge Raad De vaststelling dat verdachte blijkens ‘een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 april 2012 eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk feit en andersoortige feiten’ is niet zonder meer begrijpelijk aangezien voormeld uittreksel daarvoor geen steun biedt. De strafoplegging is daarom ontoereikend gemotiveerd. 04-03-2014
- Hoge Raad Nu de rechtbank niet aannemelijk heeft geacht ‘dat aangever ernstige overlast zal ondervinden van het beluisteren van de geluidsopnamen door verdachte’, welke overweging de beslissing zelfstandig draagt, behoeft dit niet tot cassatie te leiden. 04-03-2014
- Hoge Raad Blijkens de bewijsvoering heeft het hof geoordeeld dat ‘naar aard en uiterlijke verschijningsvorm sprake moet zijn geweest van kalm beraad’. Het hof heeft dat oordeel gebaseerd op de overweging dat de verdachte, nadat hij het café had verlaten en weer was teruggekeerd, direct op het slachtoffer – die blijkens de bewijsmiddelen 1, 4, 5 en 6 nog aan de bar zat – is afgelopen en op hem heeft ingestoken. Het hof heeft blijkens bewijsmiddel 2 evenwel ook als vaststaand aangenomen dat het latere slachtoffer naar de ingangsdeur van de bar is toegelopen en dat de verdachte bij de ingangsdeur buiten stond. De bewijsvoering is daarom – op een punt dat in het licht van de overweging van het hof over uiterlijke aard en verschijningsvorm niet van ondergeschikte betekenis is – innerlijk tegenstrijdig. Ook overigens is het oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, gelet op hetgeen onder 2.3 is vooropgesteld, niet toereikend gemotiveerd. 04-03-2014
- Hoge Raad Het argument dat de verdachte met zijn door het hof als ongeloofwaardig aangemerkte verklaring ‘heeft willen verbergen of verhullen dat de ketting uit een misdrijf afkomstig was’ zegt niets over het antwoord op de vraag of sprake is van een gedraging die gericht is op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de ketting als hiervoor bedoeld, maar vormt een omstandigheid waaruit het hof niet meer heeft kunnen afleiden dan dát de ketting een criminele herkomst heeft, te weten uit het door de verdachte begane, onder 2 bewezenverklaarde, misdrijf. Het oordeel van het hof is dan ook ontoereikend gemotiveerd. 04-03-2014
- Hoge Raad De in het genoemde proces-verbaal vermelde pleitnotities ontbreken bij de op de voet van artikel 434 lid 1 Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken, zodat niet valt na te gaan wat de raadsman aan het in het middel bedoelde verzoek ten grondslag heeft gelegd en derhalve niet kan worden beoordeeld of de afwijzing van het verzoek door het hof toereikend is gemotiveerd. 04-03-2014
- Hoge Raad Het oordeel van het hof dat het Openbaar Ministerie ernstig is tekortgeschoten in de controle op de uitvoering van het verhoorprotocol, maar dat deze tekortkomingen niet van zodanige aard zijn dat de conclusie gerechtvaardigd is dat sprake is van ernstige inbreuken op beginselen van een behoorlijke procesorde waarmee doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak is tekortgedaan, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, en dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd. Het oordeel van het hof dat het in de gang van zaken m.b.t. de ontwikkeling van het verhoorprotocol en de toepassing van de daarin vervatte methode van inzet van de dominee en de ervaringsdeskundige geen aanleiding ziet om de verklaringen van de vermeende slachtoffers die met gebruik van deze methode zijn gehoord integraal uit te sluiten van het bewijs, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en dat oordeel is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. 04-03-2014
- Hoge Raad In het middel wordt onder meer aangevoerd dat het hof ten onrechte niet in dat oordeel heeft betrokken dat de bedoelde tekst een kunstuiting betreft, gedaan in de vorm van een zogenoemde rap waarin het ‘gebruikelijk is dat er stevige taal wordt gebruikt’. Deze klacht mist feitelijke grondslag. Met de overweging ‘wat er verder ook zij van het antwoord op de vraag of de (gehele tekst van de) rap van de verdachte als een uiting van (harde) rapcultuur dan wel als kunstwerk moet gelden’ heeft het hof immers tot uitdrukking gebracht dat ook indien de (gehele tekst van) de rap van de verdachte als kunstwerk zou moeten gelden, die enkele omstandigheid geen rechtvaardiging biedt voor bedreigingen tegen het leven gericht. In zoverre faalt dus het middel. Voor zover het middel voorts klaagt dat het hof het standpunt van de verdediging dat een Tweede Kamerlid ‘een dikkere huid’ dient te hebben en meer kritiek dient te aanvaarden onbesproken heeft gelaten, faalt het eveneens bij gebreke van feitelijke grondslag. 04-03-2014
- Hoge Raad In het licht van doel en strekking van artikel 510 Sv moet deze bepaling aldus worden uitgelegd dat de daar bedoelde regeling ook toepasselijk is in een geval als het onderhavige waarin het gaat om een rechterlijk ambtenaar aan wie ontslag is verleend uit zijn functie, tegen wie de verdenking is gerezen een strafbaar feit te hebben begaan en die ter zake daarvan zou moeten worden vervolgd en berecht voor een in het eerste lid van die bepaling genoemd gerecht waarvan hij voordien deel heeft uitgemaakt. Het verzoek is vatbaar voor toewijzing. 04-03-2014
- Hoge Raad Kennelijk als gevolg van een misslag is het vermelde gedeelte van het relaas van de verbalisant niet weergegeven in 's hofs arrest. De Hoge Raad leest het arrest met herstel van die misslag. In die – verbeterde – lezing van de bestreden uitspraak kan uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid dat het de verdachte is geweest die de in de bewezenverklaring genoemde personenauto bestuurde. Het middel faalt derhalve. 04-03-2014
- Hoge Raad ’s Hofs overwegingen voldoen aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv, en die bepaling noopte het hof niet tot een nadere motivering. Het oordeel van het hof dat de behandeling van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij m.b.t. de immateriële schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert is feitelijk en kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. In het licht van de bewezenverklaarde feiten en de inhoud van de ingediende vordering is dat oordeel niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden. 04-03-2014