Update
Geachte heer/mevrouw,
Rechtspraak
De afgelopen weken is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs.
Verkort vonnis volstaat niet (SR 2014-0085)
De klacht van de verdediging behelst dat het hof ten onrechte heeft volstaan met opgave van de bewijsmiddelen, terwijl de raadsman namens verdachte, ten aanzien van wie witwassen is bewezenverklaard, in hoger beroep vrijspraak heeft bepleit. De bewezenverklaring steunt op een opgave van bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaring van verdachte. In de aanvulling op het arrest heeft het hof volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, tweede volzin Sv. De verdediging heeft bij de behandeling van de zaak in hoger beroep ten aanzien van het tenlastegelegde vrijspraak bepleit. Uit artikel 359, derde lid, Sv volgt dat deze bepaling in ieder geval geen toepassing kan vinden indien door of namens de verdachte ter terechtzitting vrijspraak is bepleit. Gelet hierop had het hof niet mogen volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359, derde lid, Sv.
Aangifte of klacht (SR 2014-0084)
De verdediging klaagt dat het hof ten onrechte, althans op onbegrijpelijke gronden, heeft geoordeeld dat is voldaan aan het klachtvereiste, bedoeld in artikel 318, tweede lid (oud) jo. artikel 164, eerste lid, Sv. Tegen verdachte, ten aanzien van wie medeplegen van afdreiging en medeplegen van poging tot afdreiging is bewezenverklaard, zijn op 9 en 10 september 2009 aangiftes gedaan. Aangevers zijn op 16 december 2009 gehoord teneinde hun bedoeling bij de aangiftes duidelijk te maken. Zij verklaarden dat het doel van de aangifte was dat verdachte vervolgd zou worden. Het hof oordeelt dat de formele vereisten, bedoeld in artikel 164, eerste lid, Sv zijn gerelativeerd bij arrest van NJ 1994/278 en dat de officier derhalve ontvankelijk is in de vervolging. De Hoge Raad oordeelt dat indien een aangifte geen uitdrukkelijk verzoek tot vervolging inhoudt niettemin het bestaan van een klacht kan worden aangenomen, mits vastgesteld is dat klager de bedoeling had dat vervolging zou worden ingesteld.
Het laatste woord (SR 2014-0083)
De klacht van de verdediging behelst de nietigheid van het hoger beroep, nu het hof verdachte, veroordeeld voor wederspannigheid gepaard met geweld, ten onrechte niet het laatste woord heeft gegeven. Uit het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep blijkt niet dat aan verdachte, nadat de Advocaat-Generaal zich heeft uitgelaten over de door de raadsman overgelegde verklaringen en die uitlatingen vergezeld van inhoudelijke op de strafzaak betrekking hebbende argumenten, het recht is gelaten als laatst te spreken. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat het voorschrift van vierde lid van artikel 311 Sv niet in acht is genomen.
SR Talk Sessie
Graag wijs ik u op de SR-Talk sessie van 6 maart 2014, waarin de actuele jurisprudentie wordt besproken. Klik hier voor meer informatie.
Weinig tijd maar toch up to date blijven?
Volg de online jurisprudentiebespreking Strafrecht, inclusief PO-punten. In één uur tijd en op hoog niveau wordt u door prof. Paul Mevis, dr. Joost Nan of mr. Joost Verbaan bijgepraat over de laatste ontwikkelingen binnen het strafrecht. U kunt daarbij denken aan jurisprudentie, wetsvoorstellen of belangwekkende tijdschriftartikelen.
Data: 6-3, 17-4, 5-6, 3-7, 4-9, 30-10, 11-12
Tijd: 17:00 tot 18:00 uur
Kosten: € 69 excl. btw per sessie (1 PO-punt)
Meer informatie en inschrijven: www.lawatweb.nl
Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar sr-updates@budh.nl.
Veel leesplezier.
Met vriendelijke groet,
J.H.J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates
Hoge Raad
- Hoge Raad Tijdens de behandeling van het hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte vrijspraak bepleit. Krachtens artikel 359 lid 3 Sv had het hof niet mogen volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, dus voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld. De Hoge Raad wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam. 18-02-2014
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt toepasselijke overweging uit ECLI:NL:HR:2004:AO5822. Het hof heeft vastgesteld dat verdachte met een te hoge snelheid en onvoldoende anticiperend heeft gereden door niet stapvoets maar met een snelheid van 40 á 50 km per uur te rijden alsmede door plotseling naar links te sturen en te gaan rijden over een links van de rijbaan gelegen verdrijvingsvlak waarop zich meerdere personen bevonden, en daar met de op dat verdrijvingsvlak vuurwerk afstekende X in botsing te komen. Gelet op die vaststellingen geeft ’s hofs oordeel dat verdachte ‘zeer onvoorzichtig’ heeft gereden en er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Conclusie A-G: Het middel klaagt terecht dat niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte onvoldoende anticiperend heeft gereden en onvoldoende rekening heeft gehouden met de bijzondere omstandigheden. 18-02-2014
- Hoge Raad De verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep, nu niet binnen de in artikel 437 lid 2 Sv genoemde termijn door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie is ingediend. 18-02-2014
- Hoge Raad Indien een stuk wel een aangifte bevat maar geen uitdrukkelijk verzoek tot vervolging inhoudt, kan niettemin het bestaan van een klacht als omschreven in artikel 164 lid 1 Sv worden aangenomen, mits op grond van het onderzoek op de terechtzitting is vastgesteld dat de klager ten tijde van het opmaken van dat stuk de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld. Blijkens zijn onder 2.4 weergegeven overwegingen heeft het hof geoordeeld dat is voldaan aan het klachtvereiste als omschreven in artikel 318 lid 2 (oud) Sr, nu ter terechtzitting onmiskenbaar is komen vast te staan dat de aangevers [betrokkene 1] en [betrokkene 2] met het doen van aangifte de bedoeling hadden dat de verdachte vervolgd zou worden. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. 18-02-2014
- Hoge Raad Wegens handelen in strijd met artikel 197 (oud) Sr is de verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Uit het bestreden arrest blijkt niet dat het hof zich ervan heeft vergewist dat de stappen van de terugkeerprocedure zijn doorlopen. 18-02-2014
- Hoge Raad De door het hof in hoger beroep in aanmerking genomen omstandigheden – kort gezegd: fors alcoholgebruik en ernstige tekortkomingen m.b.t. de verkeersdeelname – zouden toereikend kunnen zijn voor het oordeel dat verdachte, zoals eveneens is tenlastegelegde ‘zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend’ heeft gereden onder de in artikel 175 lid 3 WVW 1994 tot strafverhoging leidende omstandigheden, maar zij zijn niet zonder meer toereikend voor ’s hofs oordeel dat verdachte ‘roekeloos’ in de zin van artikel 6 jo. 175 lid 2 WVW 1994 heeft gereden. Conclusie A-G: De slotsom is dat verdachte niet in staat was controle te hebben over haar auto, daarbij herhaald gevaarlijk verkeersgedrag heeft vertoond, waarbij zij verkeersdeelnemers ernstig in gevaar heeft gebracht, terwijl zij zich daarvan bewust was althans had moeten zijn. Het hof heeft toereikend gemotiveerd dat er sprake is van roekeloosheid in de zin van artikel 175 lid 2 WVW 1994. 18-02-2014
- Hoge Raad Het hof heeft zijn oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld m.b.t. mogelijke contra-indicaties, ontoereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen hetgeen het hof in bewijsmiddel 5 heeft vastgesteld over het verloop van de avond van 15 maart 2006 en het gewicht dat het hof kennelijk heeft toegekend aan de gelegenheid tot beraad tijdens de uitvoering van het besluit, in welk verband het hof echter tevens heeft vastgesteld dat niet is uitgesloten dat de verdachte tijdens die uitvoering handelde in ‘grote opwinding’. 18-02-2014
- Hoge Raad Anders dan het middel wil, voldoen ’s hofs overwegingen aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 lid 2 Sv en noopte die bepaling het hof niet tot een andere motivering. Conclusie A-G: Het hof is bij de verwerping van het betrouwbaarheidsverweer geheel niet ingegaan op de standpunten van de raadsman. Dat is niet verenigbaar met artikel 359 lid 2 Sv. 18-02-2014
- Hoge Raad Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt niet dat aan verdachte het recht is gelaten het laatst te spreken. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat het in artikel 311 lid 4 Sv op straffe van nietigheid gegeven voorschrift niet in acht is genomen. 18-02-2014
- Hoge Raad Voor zover het middel ervan uitgaat dat een verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, recht heeft op de bijstand van een tolk in zijn moedertaal, steunt het op een onjuiste rechtsopvatting. Ook het in deze zaak toepasselijke recht zoals dat gold vóór 1 oktober 2013, houdt in dat een verdachte die de Nederlandse taal niet (voldoende) beheerst, ter terechtzitting moet worden bijgestaan door een tolk in een taal die hij voldoende beheerst om het onderzoek ter terechtzitting te kunnen voortzetten. In zoverre faalt het middel. 18-02-2014
- Hoge Raad Naar aanleiding van het middel rijst de vraag of een klacht in cassatie die ertoe strekt dat de enkele omstandigheid dat een bewijsoverweging in het verkorte arrest is vervangen door een geheel nieuwe bewijsoverweging in de aanvulling, ook indien zou moeten worden geoordeeld dat die klacht op zichzelf gegrond is, tot vernietiging van het bestreden arrest noopt. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. 18-02-2014
- Hoge Raad In de aanvraag wordt aangevoerd dat hetgeen in het bij de aanvraag gevoegde rapport ten aanzien van de in de bewezenverklaring bedoelde munitie is vermeld, het hof aanleiding had moeten geven in plaats van een werkstraf een geldboete op te leggen. In zoverre wekt de aanvraag niet een ernstig vermoeden als onder 4.1 bedoeld. De aanvraag is in zoverre gegrond. 18-02-2014
- Hoge Raad Aangezien het hof heeft vastgesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet meer aan de orde is, moet worden aangenomen dat het arrest een misslag bevat voor zover het dictum de bevestiging inhoudt van de beslissingen van de rechtbank m.b.t. de vordering van de benadeelde en de kennelijk in samenhang daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel. De Hoge Raad doet de zaak om doelmatigheidsredenen zelf af. 18-02-2014
- Hoge Raad De rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de inbeslagneming ten kantore van X. Nu tegen die beslissing geen middelen van cassatie zijn voorgesteld, zal klaagster in zoverre in dat beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. 18-02-2014
- Hoge Raad Ex artikel 14g lid 1 Sr kan de rechter gelasten dat de niet-tenuitvoergelegde vrijheidsstraf alsnog geheel of gedeeltelijk zal worden tenuitvoergelegd. De wet voorziet niet in de mogelijkheid dat de rechter zal gelasten dat een vrijheidsstraf zal worden tenuitvoergelegd die van langere duur is dan de niet-tenuitvoergelegde straf. Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat het de rechter evenmin vrijstaat om een vervangende hechtenis op te leggen die de duur van de niet-tenuitvoergelegde vrijheidsstraf overstijgt. Voor zover het middel klaagt over de vervangende hechtenis is het terecht voorgesteld. De Hoge Raad vermindert zelf de duur van de vervangende hechtenis zodat deze 14 dagen beloopt. 18-02-2014
- Hoge Raad De onder 2.4 bedoelde maatstaf sluit niet uit dat de rechtbank, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit (vgl. HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:38 NJ 2014/66). Aan de door de rechtbank genoemde omstandigheden dat ‘het hier om een oudere zaak gaat’ en dat ‘kennelijk nog geen enkel uitsluitsel kan worden gegeven over wanneer de computer zal kunnen worden onderzocht’, kan evenwel niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat het voortduren van het beslag niet in overeenstemming is met die eisen en het beslag moet worden opgeheven. Ook in zoverre is het oordeel van de rechtbank niet toereikend gemotiveerd.Het middel is terecht voorgesteld. 18-02-2014
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt de toepasselijke overweging uit ECLI:NL:HR:2010:BJ9262. Het oordeel van de rechtbank dat m.b.t. de onder klager inbeslaggenomen stukken geen beroep kan worden gedaan op een (afgeleid) verschoningsrecht, omdat het mogelijke verschoningsrecht van mr. Y op die stukken is prijsgegeven door de voeging van die stukken in ‘een andere matter’, zijnde een dossier onder een ander matter-nummer ten aanzien waarvan een ander dan een advocaat verantwoordelijkheid draagt, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. 18-02-2014
- Hoge Raad De tenlastelegging en bewezenverklaring van dit feit houden in dat de vordering van de daar genoemde ambtenaar van politie aan de verdachte om zich ‘te verwijderen van de Keizersgracht en/of Nieuwe Spiegelstraat in de richting van de Vijzelstraat’ is gedaan krachtens artikel 2.2 lid 3 APV. In aanmerking genomen dat deze bepaling niet uitdrukkelijk inhoudt dat de ambtenaar van politie is gerechtigd tot het doen van een vordering als waarvan te dezen sprake is, is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed. 18-02-2014