Update
Geachte heer/mevrouw,
Rechtspraak
De afgelopen weken is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs.
Het op stotterende wijze praten tegen een persoon die stottert: belediging? (SR 2014-0070)
De verdediging klaagt over het oordeel van het hof dat op stotterende wijze praten tegen een persoon die stottert, als belediging in de zin van artikel 266 Sr kan worden aangemerkt. Het hof heeft vastgesteld dat verdachte betrokkene luid en verstaanbaar voor betrokkene stotterend heeft toegesproken, terwijl verdachte en betrokkene samen met anderen in de lift van het flatgebouw stonden. Betrokkene stottert en stond met dit gebrek ook bekend bij de medebewoners. Het hof overweegt dat een uitlating die jegens iemand mondeling in zijn tegenwoordigheid is gedaan, als beledigend, bedoeld in artikel 266 van het Wetboek van Strafrecht, moet worden beschouwd, indien zij de strekking heeft die ander aan te randen in zijn eer en goede naam. Daarvan is niet alleen sprake als de uitlating woorden bevat die op zichzelf genomen een beledigend karakter hebben, maar ook, zoals in het onderhavige geval, indien op stotterende wijze wordt gesproken tegen een persoon die stottert. Dat verdachte met deze daad uiting zou hebben gegeven aan zijn emotie, ontstaan als gevolg van het slepende conflict tussen verdachte en betrokkene doet daaraan niet af. De Hoge Raad oordeelt dat in het licht van de omstandigheden dat het aanspreken luid en duidelijk en in de aanwezigheid van derden is geschied, het oordeel van het hof geen blijk geeft van een onjuiste opvatting en niet onbegrijpelijk is.
Beroep op noodweer onvoldoende gemotiveerd verworpen (SR 2014-0071)
De verdediging klaagt namens verdachte ten aanzien van wie poging doodslag is bewezenverklaard, over de verwerping van een beroep op noodweer. Het hof heeft vastgesteld dat geen sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door betrokkene jegens verdachte, noch van een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Dat leidt het hof met name af uit de omstandigheid dat betrokkene op het moment van de fatale messteek in zijn rug naar verdachte toegekeerd stond. Lezing van verdachte dat de messteek plaatsvond in de keuken en niet op of in nabijheid van de in de woonkamer staande bank maakt dat oordeel volgens het hof niet anders. Het beroep wordt dan ook verworpen omdat niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De Hoge Raad oordeelt, in aanmerking genomen dat het hof niet meer omtrent de situatie en het gedrag van betrokkene jegens de verdachte onmiddellijk voorafgaand aan het bewezenverklaarde steken met een mes heeft vastgesteld dan dat betrokkene op het moment van de bewezenverklaarde messteek met zijn rug naar de verdachte toegekeerd stond, dat zonder nadere motivering, het oordeel van het hof dat geen sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, noch van een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor, niet begrijpelijk is.
Afwijzing verzoek horen minderjarige getuige (SR 2014-0072)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie een poging doodslag is bewezenverklaard, dat het hof het verzoek om een minderjarig kind als getuige te horen, heeft afgewezen. Het hof heeft de afwijzing van dat verzoek gedaan onder overweging dat het belang van het welzijn van deze minderjarige, ten tijde van het delict 5 jaar oud, ernstig kan worden geschaad, indien hij in de onderhavige zaak op welke wijze dan ook gehoord wordt. Het belang van het welzijn van deze minderjarige diende naar het oordeel van het hof te prevaleren boven het belang van de verdediging om deze minderjarige als getuige te horen. De Hoge Raad oordeelt dat bij de beoordeling de maatstaf van artikel 288 lid 1 sub b te gelden heeft. De rechter mag derhalve ook in dit geval het belang van de getuige doen prevaleren boven het recht van de verdachte om de getuige te (doen) ondervragen (vgl. ECLI:NL:HR:2010:BI3847). Het kennelijke oordeel van het hof, tegen de achtergrond van zeer ingrijpende en traumatiserende gebeurtenissen met betrekking tot zijn moeder, dat het afleggen van een verklaring als getuige de gezondheid of het welzijn van de zeer jeugdige minderjarige zo zeer zou schaden dat het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om het jongetje als getuige te horen, is, mede in aanmerking genomen dat de buurvrouw van de aangeefster tegenover de politie een belastende verklaring heeft afgelegd, terwijl niet blijkt dat de verdediging die buurvrouw als getuige heeft willen horen, alsmede dat de door een betrokkene spontaan tegenover een verbalisant afgelegde belastende verklaring door deze verbalisant ter terechtzitting onder ede is bevestigd, niet onbegrijpelijk.
SR Talk Sessie
Graag wijs ik u op de SR-Talk sessie van 6 maart 2014, waarin de actuele jurisprudentie wordt besproken. Klik hier voor meer informatie.
Weinig tijd maar toch up to date blijven?
Volg de online jurisprudentiebespreking Strafrecht, inclusief PO-punten. In één uur tijd en op hoog niveau wordt u door prof. Paul Mevis, dr. Joost Nan of mr. Joost Verbaan bijgepraat over de laatste ontwikkelingen binnen het strafrecht. U kunt daarbij denken aan jurisprudentie, wetsvoorstellen of belangwekkende tijdschriftartikelen.
Data: 6-3, 17-4, 5-6, 3-7, 4-9, 30-10, 11-12
Tijd: 17:00 tot 18:00 uur
Kosten: € 69 excl. btw per sessie (1 PO-punt)
Meer informatie en inschrijven: www.lawatweb.nl
Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar sr-updates@budh.nl.
Veel leesplezier.
Met vriendelijke groet,
J.H. J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates
Hoge Raad
- Hoge Raad Mondelinge belediging. Artikel 266 Sr. Is het op stotterende wijze praten tegen een persoon die stottert beledigend? Indien het gaat om een belediging die iemand mondeling in zijn tegenwoordigheid is aangedaan, moet een uitlating als beledigend worden beschouwd wanneer zij de strekking heeft die ander aan te randen in zijn eer en goede naam. ’s Hofs oordeel dat de verdachte, die zelf niet stottert, door op stotterende wijze een ander die stottert en als zodanig bekendstaat stotterend aan te spreken met het doel die ander te kwetsen, geeft – in het licht van de omstandigheid dat het aanspreken luid en duidelijk en in aanwezigheid van derden is geschied – niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. 11-02-2014
- Hoge Raad Toezenden stukken raadsvrouw. Artikel 51 Sv. Bij de stukken van het geding bevindt zich een last tot ‘Toevoeging raadsman’ welke inhoudt dat er aan de verdachte een raadsvrouwe is toegevoegd. Noch uit mededelingen gesteld op het dubbel van de dagvaarding in hoger beroep noch uit enig ander aan de Hoge Raad toegezonden stuk kan blijken dat een afschrift van die dagvaarding aan de raadsvrouwe is gezonden. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat aldaar noch de verdachte noch diens raadsvrouwe is verschenen. Uit het voorgaande, in onderlinge samenhang beschouwd, vloeit het ernstige vermoeden voort dat ter attentie van de dagvaarding in hoger beroep het voorschrift ex artikel 51, tweede volzin, Sv niet is nageleefd. Dit in het belang van de verdachte gegeven voorschrift is van zo grote betekenis dat, al is dit niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming ervan moet worden geacht aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsman in de weg te staan. 11-02-2014
- Hoge Raad Afwijzing getuigenverzoek. Horen minderjarig kind van aangeefster en verdachte als getuige. Artikel 288 lid 1 onder b Sv. De Hoge Raad herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2010:BI3847, NJ 2010/191 met betrekking tot het feit dat de rechter ex artikel 288 lid 1 onder b Sv van het verhoor van een niet verschenen getuige kan afzien indien het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om de getuige te kunnen ondervragen. In casu gaat het om een zeer jeugdige minderjarige. ’s Hofs oordeel dat gelet op het feit dat de in genoemd artikellid genoemde gronden aanwezig zijn en derhalve het belang van de getuige mag prevaleren boven het recht van de verdachte om de getuige te (doen) ondervragen is niet onbegrijpelijk en behoefde ook geen nadere motivering. 11-02-2014
- Hoge Raad Beroep op niet-ontvankelijkheid OM wegens schending gelijkheidsbeginsel (niet alle op zee aangehouden piraten zijn vervolgd). De Hoge Raad herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR 16 april 1996, NJ 1996/527. Het hof heeft het verweer verworpen op gronden welke die verwerping kunnen dragen, nog daargelaten dat het ten onrechte niet vervolgen van derden wier gedragingen evenzeer als die van verdachte het voorwerp van strafvervolging dienen te zijn, niet zonder meer leidt tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de strafvervolging tegen verdachte. Het hof heeft niet blijk gegeven in enig opzicht van een onjuiste rechtsopvatting te zijn uitgegaan of een onjuiste maatstaf te hebben aangelegd. 11-02-2014
- Hoge Raad Profijtontneming. Overschrijding redelijke termijn. Het middel, dat klaagt over ’s hofs oordeel dat geen rechtsgevolg behoeft te worden verbonden aan de vaststelling dat tijdens de behandeling van de zaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden, is op de gronden vermeld in de conclusie van de A-G onder 7 en 8 terecht voorgesteld. De Hoge Raad doet om doelmatigheidsredenen de zaak zelf af en vermindert de opgelegde betalingsverplichting. 11-02-2014
- Hoge Raad Moord, voorbedachte raad. De Hoge Raad herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:963. Het hof heeft zijn oordeel in het licht van de vooropstellingen met betrekking tot mogelijke contra-indicaties in voornoemd arrest ontoereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat het hof kennelijk heeft geoordeeld dat de gelegenheid voor de verdachte om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en om zich daarvan rekenschap te geven, zich in het bijzonder voordeed ‘gedurende het tijdsbestek dat hij rechtstreeks na het slaan naar de keuken is gelopen om een mes te pakken en weer terug te lopen naar het slachtoffer’. 11-02-2014
- Hoge Raad Onttrekking minderjarige aan wettig gezag. Artikel 279 Sr. Voor een veroordeling ter zake van artikel 279 Sr is niet vereist dat de bewezenverklaring inhoudt dat degene aan wiens wettelijk gezag wordt onttrokken bij uitsluiting van ieder ander dat gezag uitoefent. ’s Hofs vaststelling dat ten tijde van het tenlastegelegde feit verdachte en X het wettig over de minderjarigen A, B en C gestelde gezag uitoefenden is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de gebezigde bewijsmiddelen inhouden dat verdachte en X ten tijde van het tenlastegelegde feit gehuwd waren en dat ex artikel 1:251 lid 1 BW ouders gedurende hun huwelijk het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen. Gelet op die vaststelling, is het oordeel dat verdachte, als degene die mede het gezag over de minderjarige kinderen uitoefent, deze kinderen kan onttrekken aan het wettelijk over hen gestelde gezag als bedoeld in artikel 279 Sr door die kinderen zonder toestemming van zijn echtgenote mee te voeren naar het buitenland en te doen verblijven, juist. 11-02-2014
- Hoge Raad Grondslagverlating. Artikel 312 lid 1 Sr. De opvatting dat ingeval diefstal is voorafgegaan door of vergezeld van geweld als bedoeld in artikel 312 lid 1 Sr geen sprake kan zijn van het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, is gelet op de strekking van deze bepaling om diefstal onder verzwarende omstandigheden strafbaar te stellen onjuist. 11-02-2014
- Hoge Raad Herziening. Zaak Hagemann. Veroordeling tot levenslang wegens moord op twee kinderen. De in de aanvraag tot herziening gepresenteerde nova kunnen noch op zichzelf genomen noch in onderling verband en samenhang beschouwd het ernstig vermoeden wekken als bedoeld in artikel 457 lid 1 aanhef en onder c Sv, mede gelet op het feit dat bij de beoordeling van een en ander alle door het hof gebezigde bewijsmiddelen en gegeven nadere bewijsoverwegingen moeten worden betrokken. De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af. 11-02-2014
- Hoge Raad Noodweer. In aanmerking genomen dat het hof omtrent de situatie en het gedrag van X jegens verdachte onmiddellijk voorafgaand aan het bewezenverklaarde steken met een mes niet meer heeft vastgesteld dan dat X op het moment van de bewezenverklaarde messteek in zijn rug naar verdachte gekeerd stond, is ’s hofs oordeel dat geen sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door X jegens verdachte, noch van een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor, zonder nadere motivering niet begrijpelijk. 11-02-2014
- Hoge Raad Uitkeringsfraude. Artikel 225 Sr. Slagende bewijsklacht opzet. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsvoering kan niet zonder meer volgen dat de verdachte opzettelijk in strijd met de waarheid de op de in de bewezenverklaringen genoemde formulieren gestelde vragen met ‘nee’ heeft beantwoord. De bewezenverklaringen zijn dus niet naar de eis der wet met redenen omkleed. 11-02-2014
- Hoge Raad Kinderrechter. Artikel 495 lid 3 Sv. Leeftijd verdachte niet exact vast te stellen. Blijkens de processen-verbaal van de terechtzitting is aldaar noch door verdachte noch door diens raadsman aangevoerd dat ex artikel 495 lid 3 Sv de kinderrechter diende deel te nemen aan het onderzoek ter terechtzitting. Gelet hierop en in aanmerking genomen hetgeen het hof heeft vastgesteld, kan het middel niet slagen. 11-02-2014
- Hoge Raad Slagende bewijsklacht diefstal in vereniging. Uit de door het hof gebezigde bewijsvoering kan niet zonder meer volgen dat de verdachte zo bewust en nauw met anderen heeft samengewerkt dat hij kan worden aangemerkt als iemand die zich ‘tezamen en in vereniging met anderen’ – dus als mededader – aan de diefstal heeft schuldig gemaakt. 11-02-2014
- Hoge Raad Uitkeringsfraude. Artikel 225 Sr. Slagende bewijsklacht opzet. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsvoering kan niet zonder meer volgen dat de verdachte opzettelijk in strijd met de waarheid de op de in de bewezenverklaringen genoemde formulieren gestelde vragen met ‘nee’ heeft beantwoord. De bewezenverklaringen zijn dus niet naar de eis der wet met redenen omkleed. 11-02-2014