Update
Geachte heer/mevrouw,
Rechtspraak
De afgelopen weken is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs:
Verwerping verweer vrijwillige terugtred toereikend (SR 2014-0062)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie bewezen is verklaard dat hij een zware mishandeling heeft voorbereid en opzettelijk een vuurwapen bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden had, over de verwerping van het beroep op vrijwillige terugtred. De verdediging heeft aangevoerd dat zich geen van buiten komende omstandigheden hebben voorgedaan waardoor de cliënt de mishandeling niet heeft uitgevoerd. Het hof heeft het beroep op vrijwillige terugtred verworpen op grond van de overweging dat bepalend is of sprake is geweest van een geheel of spontane tot de wil van de verdachte te herleiden besluit om de voltooiing van het delict te verhinderen. En dat indien een bijdrage aan dit besluit is gegeven door externe factoren betekenis toekomt aan de onderlinge verhouding tussen deze factoren en hetgeen gebleken is omtrent de interne besluitvorming van de verdachte, in die zin dat de mate waarin deze nog over beslisruimte beschikte, bepalend is. Het hof overweegt dat voorts de aard en intensiteit van de bewezenverklaarde voorbereidingshandelingen betekenis toekomt. Deze kunnen een zodanig karakter hebben dat van enige vorm van terugtred geen sprake meer kan zijn, dan wel dat eisen gesteld moeten worden aan de wijze waarop de verdachte intreding van de gevolgen of voltooiing van het delict verhindert. Het hof stelt vast dat verdachte zich, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf, bijna vier uren in Alkmaar bevond en in het bezit van een geladen vuurwapen op beoogd slachtoffer heeft gewacht. Daaruit is niet méér aannemelijk geworden dan dat de verdachte na verloop van tijd is weggegaan en dat wordt geoordeeld als onvoldoende voor vrijwillige terugtred.
Gebruik verklaringen beperkte anonieme getuige en artikel 344a Sv (SR 2014-0061)
De verdediging klaagt over de motivering van het gebruik van een verklaring van een getuige van wie bepaalde gegevens met betrekking tot zijn identiteit achterwege zijn gelaten. Hetgeen zou moeten leiden tot strijdigheid met het bepaalde in artikel 360 Sv. Bewezenverklaard is dat verdachte betrokken is bij wapenhandel onder meer op grond van een verklaring van de getuige die bij de rechter-commissaris een verklaring heeft afgelegd onder nummer of de naam ‘Nancy’. Het hof heeft ten aanzien van die verklaring overwogen dat de processen-verbaal opgemaakt door politiële pseudokoper ‘Nancy’ door de rechter-commissaris aangemerkt als beperkt anonieme getuige, als betrouwbaar worden aangemerkt nu deze steun vinden in de overige bewijsmiddelen en verdachte de juistheid van het daarin gerelateerde niet heeft betwist. De Hoge Raad overweegt dat vooropgesteld moet worden dat personen wier identiteit niet blijkt, bedoeld in artikel 344a Sv, niet de personen betreft wier identiteit niet volledig is vermeld in proces-verbaal, maar van wie wel vaststaat dat zij kunnen worden geïndividualiseerd. Uit de motivering van het gebruik van een aldus afgelegde verklaring dient allereerst de reden voor de beperkte anonimiteit te blijken. Voorts moet uit die motivering blijken dat de beperkte anonimiteit geen afbreuk heeft gedaan aan het ondervragingsrecht van de verdediging. Het hof heeft het gebruik gemotiveerd en met de aanduiding van de getuige als politiële pseudokoper kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de reden voor de beperkte anonimiteit voortvloeit uit de functie van een onder codenummer aangeduide opsporingsambtenaar die deel uitmaakt van een politieel infiltratieteam. Ook heeft de beperkte anonimiteit geen afbreuk gedaan aan het ondervragingsrecht van de verdediging, in aanmerking genomen dat de verdediging de gelegenheid heeft gehad deze getuige ten overstaan van de rechter-commissaris te ondervragen.
Salduz-verweer (SR 2014-0057)
De verdediging klaagt erover dat het hof in strijd met het gevoerd verweer de verklaringen die de verdachte bij de politie heeft afgelegd zonder dat hij voorafgaand aan het verhoor in de gelegenheid was gesteld een advocaat te raadplegen, bij de bewijsvoering heeft betrokken. Ten aanzien van de verdachte is bewezenverklaard dat hij terwijl hem een gebiedsontzegging was opgelegd, dat gebied heeft betreden en een opsporingsambtenaar in de rechtmatige uitoefening van haar bediening heeft beledigd door in haar gezicht te spugen. De bewezenverklaring van die feiten steunen op de processen-verbaal van de opsporingsambtenaren en de verklaring van de verdachte afgelegd bij de politie. De Hoge Raad geeft aan dat het hof het door het door verdediging gevoerde verweer dat die verklaring strijdig is met Salduz-jurisprudentie heeft miskend en dat uit de jurisprudentie volgt dat een dergelijk verzuim behoudens een tweetal door de Hoge Raad genoemde uitzonderingen zonder meer tot bewijsuitsluiting dient te leiden en de verklaring als de uitzonderingen zich niet voordoen, voor het bewijs moet worden uitgesloten. Een en ander hoeft in onderhavige zaak niet te leiden tot cassatie of terugverwijzing.
SR Talk Sessie:
Graag wijs ik u op de SR-Talk sessie van 6 maart 2014, waarin de actuele jurisprudentie wordt besproken. Klik hier voor meer informatie.
Weinig tijd maar toch up to date blijven?
Volg de online jurisprudentiebespreking Strafrecht, incl. PO-punten
In één uur tijd en op hoog niveau wordt u elke 6 weken door prof. Paul Mevis, dr. Joost Nan of mr. Joost Verbaan bijgepraat over de laatste ontwikkelingen binnen het strafrecht.
U kunt daarbij denken aan jurisprudentie, wetsvoorstellen of belangwekkende tijdschriftartikelen.
Data: 6-3, 17-4, 5-6, 3-7, 4-9, 30-10, 11-12.
Tijd: 17:00 tot 18:00 uur
Kosten: € 69,- excl. btw per sessie (1 PO-punt )
Meer informatie en inschrijven: www.lawatweb.nl
Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar sr-updates@budh.nl.
Veel leesplezier.
Met vriendelijke groet,
J.H.J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates
Hoge Raad
- Hoge Raad Op de gronden vermeld in de conclusie van de A-G heeft het hof het bewezenverklaarde terecht gekwalificeerd als ‘wederspannigheid’ en ‘overtreding van artikel 2:1, tweede lid van de Algemene Plaatselijke Verordening 2010’, doch had het hof ex artikel 62 Sr voor deze feiten twee afzonderlijke straffen moeten opleggen in plaats van één. De Hoge Raad leest de bestreden uitspraak verbeterd, zodat aan het middel de feitelijke grondslag komt te ontvallen. 04-02-2014
- Hoge Raad Het hof heeft vastgesteld dat verdachte, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf, zich bijna vier uren in Alkmaar heeft bevonden en in het bezit van een geladen vuurwapen op het beoogde slachtoffer heeft gewacht. Het hof heeft ten aanzien van het beroep op vrijwillige terugtred overwogen dat niet méér aannemelijk is geworden dan dat verdachte na verloop van tijd is weggegaan en geoordeeld dat dit onvoldoende is voor vrijwillige terugtred. In zijn vaststellingen en overwegingen heeft het hof mede tot uitdrukking gebracht dat het beroep op vrijwillige terugtred dient te worden verworpen omdat de voorgenomen zware mishandeling van slachtoffer niet is voltooid ten gevolge van de, niet van de wil van verdachte afhankelijke, omstandigheid dat slachtoffer niet is verschenen. ’s Hofs verwerping van het beroep op de exceptie van artikel 46b Sr geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. 04-02-2014
- Hoge Raad In de met deze ontnemingsprocedure verband houdende strafzaak is bewezenverklaard dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan (medeplegen van) gewoontewitwassen. Het hof heeft als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat het begaan van dit gewoontewitwassen heeft geleid tot wederrechtelijk verkregen voordeel door betrokkene. ’s Hofs oordeel dat de genoemde bedragen aan contante stortingen op de bankrekeningen van betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vormden, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. 04-02-2014
- Hoge Raad Het hoger beroep wordt ingesteld door een verklaring af te leggen door degene die het rechtsmiddel aanwendt of door een door hem daartoe gevolmachtigde, op de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven, van welke verklaring ex artikel 451 Sv door de griffier een akte wordt opgemaakt. Mede gelet daarop heeft het hof met juistheid geoordeeld dat de mogelijkheid om door het afleggen van zo een verklaring een rechtsmiddel aan te wenden is gebonden aan de uren waarop de griffie ingevolge het daarop betrekking hebbende reglement geopend is of geopend behoort te zijn. Dat brengt mee dat een per fax verzonden schriftelijke volmacht als bedoeld in artikel 450 Sv aan een griffiemedewerker tot het voor verdachte aanwenden van een rechtsmiddel slechts dan kan worden aangemerkt als binnen de beroepstermijn ingediend, indien deze volmacht ter griffie is begonnen binnen te komen vóór sluiting van de griffie op de laatste dag van deze termijn. De Hoge Raad benadrukt de noodzaak tot het trekken van zo een scherpe en vaste grens en herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2004:AN8587. In aanmerking genomen dat het hof heeft vastgesteld dat de griffie van de rechtbank om 17.00 uur sloot, kan de klacht dat het hof niet 17.06 uur maar 17.00 uur als tijdstip van ontvangst van de volmacht had moeten aanmerken, niet tot cassatie leiden. 04-02-2014
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2009:BH3079. Het hof heeft de door verdachte bij de politie afgelegde verklaringen tot het bewijs van de feiten 3, 5 en 6 gebezigd. Daarmee heeft het hof miskend dat een dergelijk verzuim behoudens een tweetal door de Hoge Raad genoemde uitzonderingen zonder meer tot bewijsuitsluiting dient te leiden. Het middel is wat betreft de feiten 3 en 6 terecht voorgesteld. Wat betreft feit 5 behoeft het niet tot cassatie te leiden, nu de bewezenverklaring ook met weglating van de bewuste verklaring van verdachte toereikend is gemotiveerd. 04-02-2014
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt de toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:BY3151 en ECLI:NL:HR:2013:BZ3930. Het oordeel van het hof, dat de Terugkeerrichtlijn in casu niet van toepassing is, is onjuist. Het middel klaagt daarover terecht. Nu het hof – dat verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden heeft opgelegd wegens o.m. handelen in strijd met artikel 197 (oud) Sr – in de motivering van zijn beslissing niet heeft blijk gegeven zich ervan te hebben vergewist dat de stappen van de terugkeerprocedure zijn doorlopen, kan de bestreden uitspraak wat betreft de strafoplegging niet in stand blijven. 04-02-2014
- Hoge Raad De in artikel 344a lid 3 Sv gebezigde term ‘personen wier identiteit niet blijkt’ omvat niet een geval als in casu waarin het gaat om personen wier persoonsgegevens niet (volledig) zijn vermeld in het proces-verbaal waarin hun verklaringen zijn opgenomen, maar van wie vaststaat dat zij wel zodanig kunnen worden geïndividualiseerd dat de verdediging desgewenst hun verhoor als getuige door de R-C ter terechtzitting kan verzoeken. De omstandigheid dat in casu de betrokkene, een bevoegd opsporingsambtenaar behorende tot het aangegeven politieonderdeel, naderhand door de R-C is gehoord ex artikel 190 lid 3 Sv brengt mee dat aan het gebruik van het proces-verbaal, houdende diens verklaring dezelfde eisen dienen te worden gesteld als aan het gebruik van verklaringen van beperkt anoniem verhoorde getuigen. Uit de ex artikel 360 lid 1 Sv vereiste motivering van het gebruik van een aldus afgelegde verklaring dient allereerst de reden voor de beperkte anonimiteit te blijken. Voorts moet daaruit blijken dat de beperkte anonimiteit geen afbreuk heeft gedaan aan het ondervragingsrecht van de verdediging (vgl. ECLI:NL:HR:1997:ZD0799). 04-02-2014
- Hoge Raad De verklaring van verdachte houdt niet in dat hij heeft erkend dat hij een valse naam heeft opgegeven en/of een valse hoedanigheid heeft aangenomen. Aangenomen moet worden dat de betreffende onderdelen ten gelegenheid van een kennelijke vergissing in de bewezenverklaring zijn opgenomen. De Hoge Raad leest de bewezenverklaring met herstel van deze misslag. Het hof heeft vastgesteld dat verdachte leugenachtige mededelingen heeft gedaan aan X. Voor het antwoord op de vraag of uit die mededelingen kan worden afgeleid dat X door een samenweefsel van verdichtsels werd bewogen tot afgifte van het bewezenverklaarde geldbedrag, komt het aan op alle omstandigheden van het geval. Daartoe behoren o.m. de in ECLI:NL:HR:2011:BQ8600 genoemde omstandigheden. In aanmerking genomen dat de door verdachte aan X gedane mededelingen in meer dan één opzicht onjuist waren en dat het tot zekerheid afgeven van zijn rijbewijs een vertrouwenwekkende handeling is, geeft het oordeel van het hof dat X door een samenweefsel van verdichtsels is bewogen tot de afgifte van het geldbedrag niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. 04-02-2014
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2011:BM9102. De tenlastelegging onder 2, tweede onderdeel is toegesneden op artikel 69 lid 1 AWR en na de beoogde wijziging op zowel artikel 69 lid 1 AWR als artikel 69 lid 2 AWR. De onderscheiden delictsomschrijvingen strekken ter bescherming van hetzelfde rechtsgoed, te weten het bewerkstelligen van een juiste belastingheffing. In beide gevallen gaat het om een misdrijf. Weliswaar bedreigt de wet het ene misdrijf met een gevangenisstraf van maximaal 4 jaren, en het andere misdrijf met een gevangenisstraf van maximaal 6 jaren, maar het verschil is niet zodanig dat daaraan te dezen doorslaggevende betekenis moet worden toegekend. In aanmerking genomen dat het in beide gevallen gaat om het oningevuld retourneren van een drietal aangiftebiljetten vergezeld van een begeleidend schrijven van 2 mei 2006, is er geen verschil in aard en strekking van de verweten gedragingen. Het oordeel van het hof dat door het toewijzen van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging sprake blijft van ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 68 Sr, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, en is niet onbegrijpelijk. Nu de bewijsmiddelen niet inhouden dat aan verdachte wat betreft de in de tenlastelegging bedoelde aangifte inkomstenbelasting 2002 de daartoe vereiste uitnodiging tot het doen van aangifte is gedaan, moet worden aangenomen dat dit onderdeel van de tenlastelegging als gevolg van een kennelijke misslag in de bewezenverklaring is opgenomen. De Hoge Raad leest de bewezenverklaring met herstel van deze misslag. 04-02-2014
- Hoge Raad Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen. De Hoge Raad herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2006:AU9130. Beide middelen falen. 04-02-2014
- Hoge Raad In het kader van de uitvoering van een Brits rechtshulpverzoek zijn voorwerpen in beslag genomen. Naar aanleiding van een ‘Klaagschrift over inbeslagneming (Artikel 552a en 552p Sv.)’ van onder andere klaagster heeft de rechtbank ex artikel 552a lid 1 Sv bij beschikking met nummer 12/1316 ‘het beklag ongegrond’ verklaard. Daarnaast heeft de rechtbank ex artikel 552p lid 2 Sv op vordering van de officier van justitie bij beschikking met nummers 12/1177 en 12/1180 verlof verleend aan de officier van justitie om het inbeslaggenomene – onder voorbehoud – ter beschikking te stellen aan de Britse autoriteiten. Tegen de beschikking van de rechtbank waarbij het in artikel 552p lid 2 Sv bedoelde verlof is verleend, hebben de in die beschikking vermelde partijen geen beroep in cassatie ingesteld, terwijl ook in de namens klaagster in de onderhavige zaak ingediende schriftuur naar aanleiding van haar afgewezen klaagschrift geen klachten zijn geformuleerd met betrekking tot het in die beschikking gegeven verlof en de gronden waarop dat berust. Aldus moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat die beschikking onherroepelijk is geworden. Vernietiging van de onderhavige beschikking kan daarin geen verandering brengen. Dit betekent dat klaagster geen belang meer heeft bij het beroep tegen de onderhavige beschikking van de rechtbank, zodat zij daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Hoge Raad herhaalt zijn opmerking uit ECLI:NL:HR:2012:BT8757. 04-02-2014