Update
Geachte heer/mevrouw,
Bijgaand treft u een nieuwe SR Update aan. Klik hier om de pdf vanaf de website te downloaden.
Rechtspraak
De afgelopen week is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs:
Belediging in het kader van het publieke debat (SR 2014-0523)
Het openbaar ministerie klaagt dat de vrijspraak van verdachte, aan wie belediging van een bevolkingsgroep en aanzetten tot haat of discriminatie ten laste was gelegd, steunt op een onjuiste opvatting omtrent de bescherming die artikel 10 EVRM biedt ter zake van een door hem in het kader van het publieke debat gedane uitlatingen aan een politicus. Het hof heeft verdachte vrijgesproken en daaromtrent overwogen dat naar zijn oordeel de ten laste gelegde uitlatingen, die de verdachte in zijn hoedanigheid van politicus heeft gedaan in het kader van een publiek debat over een zaak van algemeen belang onder de bescherming vallen van artikel 10 EVRM onder de overweging dat één van de onderwerpen van het debat in de Rode Hoed een zaak van algemeen belang trof te weten de homoseksuelen, in het bijzonder in (onderdelen van) het openbaar bestuur. Het na afloop gehouden interview met de verdachte en de uitzending van een selectief deel daarvan op AT5 was een voortzetting van de eerder door de verdachte in het debat gedane uitlatingen. De ten laste gelegde uitlatingen van de verdachte vallen naar het oordeel van het hof onder de categorie waardeoordelen, die ‘offend, shock or disturb’, maar die naar het oordeel van het hof niet zijn aan te merken als excessief in de betekenis die het EHRM aan deze kwalificatie geeft. Immers kan niet worden gezegd dat de door de verdachte geuite bewoordingen de strekking hebben gehad om te bedreigen en/of te intimideren. De onderhavige waardeoordelen kunnen redelijkerwijs ook niet geacht worden aan te zetten tot haat of geweld, waarbij wordt overwogen dat dit laatste door het Openbaar Ministerie ook niet is gesteld. Het hof acht bij deze stand van zaken geen nadere bespreking nodig van de vraag of de ten laste gelegde uitlatingen strafbaar zijn te achten op grond van de bepalingen van artikel 137c of 137d Sr conform het in de jurisprudentie ontwikkelde beslissingsschema (NJ 2003, 261 bevestigd in NJ 2012/37). Immers, zelfs indien de uitlatingen volledig onder de delictsomschrijving van deze strafbepalingen zouden vallen – hetgeen het Openbaar Ministerie gemotiveerd heeft betoogd en de raadsman van de verdachte gemotiveerd heeft bestreden – dan nog kan zodanige omstandigheid er niet aan afdoen dat het de verdachte onder de gegeven omstandigheden krachtens artikel 10 EVRM vrij stond die uitlatingen te doen. De Hoge Raad oordeelt dat voorop moet worden gesteld dat het onder meer in artikel 10 EVRM gegarandeerde, recht op vrijheid van meningsuiting aan een strafrechtelijke veroordeling ter zake van groepsbelediging en/of aanzetten tot discriminatie in de zin van artikel 137c Sr onderscheidenlijk 137d Sr niet in de weg staat indien zo een veroordeling een op grond van artikel 10, tweede lid, EVRM toegelaten – te weten een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en daartoe een in een democratische samenleving noodzakelijke – beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt. De Hoge Raad geeft aan dat bij de beoordeling van een uitlating in verband met de strafbaarheid daarvan wegens groepsbelediging en/of aanzetten tot discriminatie in de zin van voormelde wettelijke bepalingen, acht dient te worden geslagen op de bewoordingen van die uitlating alsmede op de context waarin zij is gedaan. Daarbij dient onder ogen te worden gezien of de gewraakte uitlating een bijdrage kan leveren aan het publiek debat of een uiting is van artistieke expressie. Tevens dient onder ogen te worden gezien of de uitlating in dat verband niet onnodig grievend is. Dat bij de beoordeling van de vraag of een uitlating onnodig grievend is, indien het gaat om een uitlating door een politicus in het kader van het publiek debat – het politieke debat daaronder begrepen – enerzijds het belang dat de betreffende politicus daadwerkelijk in staat moet zijn zaken van algemeen belang aan de orde te stellen ook als zijn uitlatingen kunnen kwetsen, choqueren of verontrusten, maar anderzijds ook de verantwoordelijkheid die de politicus in het publieke debat draagt om te voorkomen dat hij uitlatingen verspreidt die strijdig zijn met de wet en met de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat onder ogen dient te worden gezien. Het gaat daarbij niet uitsluitend om uitlatingen die aanzetten tot haat of geweld of discriminatie maar ook om uitlatingen die aanzetten tot onverdraagzaamheid. De Hoge Raad oordeelt dat voor zover het hof met zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat de tenlastegelegde uitingen van de verdachte, nu deze door hem zijn gedaan als politicus in het publieke debat, louter strafbaar zouden kunnen zijn indien die uitlatingen de strekking zouden hebben om te bedreigen en/of te intimideren dan wel redelijkerwijs geacht kunnen worden aan te zetten tot haat of geweld, het hof hetgeen door de Hoge Raad voorop is gesteld heeft miskend.
Witwassen (SR 2014-0524)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie onder meer witwassen is bewezenverklaard, over het oordeel van het hof dat het bewezenverklaarde ‘witwassen’ oplevert. De klacht doet een beroep op recente rechtspraak van de Hoge Raad over in het bijzonder het verwerven of voorhanden hebben van onmiddellijk of uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen. Die rechtspraak komt er – kort gezegd – op neer dat in zulke gevallen bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld-)witwassen in die zin dat dan uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. (Vgl. met verdere verwijzingen ECLI:NL:HR:2013:150, rov. 6.4.1, 6.4.2 en 6.5)
Die motiveringseis geldt derhalve niet wanneer het gaat om voorwerpen die niet onmiddellijk, maar ‘middellijk’ afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf (bijvoorbeeld doordat onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen nadien zijn omgezet in andere voorwerpen) en evenmin wanneer het gaat om voorwerpen die onmiddellijk of middellijk afkomstig zijn uit een door een ander dan de verdachte begaan misdrijf (ECLI:NL:HR: 2014:702, rov. 3.8). De Hoge Raad stelt dat de motivering in cassatie kan worden getoetst indien de feitenrechter zijn beslissing in bedoelde zin heeft gemotiveerd. Maar dat dat (kennelijke) oordeel in cassatie ook op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst indien de feitenrechter de bewezenverklaring zonder hierop gerichte motivering als (schuld-)witwassen heeft gekwalificeerd omdat zich (kennelijk) niet een geval voordoet als hiervoor onder 2.3.1. bedoeld (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2014:2001, rov. 2.4.1 en 2.4.2).
De Hoge Raad overweegt dat een dergelijk oordeel – waarin dus besloten ligt dat niet sprake is van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp – vooral niet begrijpelijk zal kunnen zijn indien:
(i) daarnaast sprake is van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van een ander misdrijf met betrekking tot hetzelfde voorwerp, door middel van welk misdrijf de verdachte dat voorwerp kennelijk heeft verworven of voorhanden heeft; dan wel
(ii) rechtstreeks uit de bewijsvoering voortvloeit dat sprake is van – kort gezegd – het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf; dan wel
(iii) de juistheid in het midden is gelaten van hetgeen door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf.
De Hoge Raad oordeelt dat uit de ‘afsluitende overweging’, waarin het hof in dit verband onder meer verwijst naar diefstallen door de verdachte, rechtstreeks voortvloeit dat deze geldbedragen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en dat de motivering van het oordeel dat de bewezenverklaring ook in zoverre als witwassen kan worden gekwalificeerd, gelet hierop tekort schiet. Het hof – dat kennelijk ervan uitging dat een nadere motivering zoals hiervoor onder 2.3.1 bedoeld, nodig was – heeft in dit verband weliswaar overwogen dat het voorhanden hebben van de geldbedragen ‘heeft bijgedragen tot het verbergen of verhullen van de criminele herkomst ervan’, maar heeft tegelijkertijd niet meer vastgesteld dan dat de verdachte een geldbedrag onder zich had en een geldbedrag in een kluis in zijn woning bewaarde, terwijl uit die vaststellingen niet zonder meer voortvloeit dat de verdachte daarmee in het bijzonder ook de criminele herkomst van dat geld heeft getracht te verbergen of te verhullen. De bestreden uitspraak leent zich deswege echter niet voor vernietiging en terugwijzing of verwijzing voor een nieuwe behandeling, aangezien door zo een partiële vernietiging de aard en de ernst van het feit in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast.
Niet voldoen aan vordering politieambtenaar (SR 2014-0528)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie overtreding van artikel 2:1 lid 2 Algemene Plaatselijke Verordening Den Haag is bewezenverklaard, dat de bewezenverklaring door de rechtbank dat de verdachte geen gevolg heeft gegeven aan een door een politieambtenaar gegeven overtreding oplevert van de ten tijde van het delict geldende APV van de gemeente Den Haag. De Hoge Raad oordeelt, na opsomming van de toepasselijke bepalingen, dat aan het middel de opvatting ten grondslag ligt dat het feit niet als overtreding van artikel 2:1, tweede lid, APV strafbaar is, omdat noch in de APV noch elders aan de politieambtenaar uitdrukkelijk de bevoegdheid is verleend om de in artikel 2:1 APV Den Haag bedoelde bevelen te geven, zodat een wettelijk voorschrift ontbreekt waarop dit bevel kan zijn gegrond. De Hoge Raad geeft aan dat die opvatting onjuist is. De bevelsbevoegdheid van de ambtenaar van politie, vervat in artikel 2:1, tweede lid, APV Den Haag, behoeft niet afzonderlijk of uitdrukkelijk in de APV Den Haag of elders te zijn verleend. Anders dan het geval is indien de strafvervolging betrekking heeft op het misdrijf van artikel 184 Sr, is hier niet vereist dat de vordering of het bevel door de politieambtenaar is gedaan of gegeven krachtens een wettelijk voorschrift dat uitdrukkelijk inhoudt dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van de vordering of het geven van het bevel. Dat verschil laat zich mede hierdoor verklaren dat de Gemeentewet de bevoegdheid van de raad tot het stellen van straf op overtreding van zijn verordeningen heeft beperkt tot overtredingen. Indien het niet opvolgen van een op een bepaling van een Algemene Plaatselijke Verordening gegrond bevel van de politieambtenaar zonder het vereiste van verlening van een uitdrukkelijke bevelsbevoegdheid aan die ambtenaar het misdrijf van art. 184 Sr zou opleveren, zou in strijd met de Gemeentewet de bedoelde bevoegdheid van de raad in feite zijn uitgebreid tot misdrijven.
SR Updates Talk | Weinig tijd maar toch up to date blijven?
Graag wijs ik u op de SR-Talk sessie van donderdag 5 maart 2015, waarin de actuele jurisprudentie wordt besproken.
Volg de online jurisprudentiebespreking Strafrecht, inclusief PO-punten.
Elke 6 tot 8 weken de meest actuele rechtspraak (incl. de Hoge Raad van de dinsdag ervoor) in één uur tijd besproken door prof. Paul Mevis, mr. Joost Verbaan of mr. dr. Joost Nan.
Eerstvolgende sessie 5 maart: 16 – 18 uur
Kosten: € 138 excl. btw per sessie (2 PO-punten)
Nieuw rechtsgebied? Tijdelijke break?
Volg dan on demand de opnames van SR Updates Talk van medio 2013 tot heden.
Meer informatie en inschrijven: SR Updates Talk Live en On Demand.
Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan sr-updates@budh.nl om uw uitspraak in te zenden.
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar sr-updates@budh.nl.
Veel leesplezier.
Met vriendelijke groet,
J.H.J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates
Hoge Raad
- Hoge Raad Het hof heeft toereikend gemotiveerd dat het uit het samenstel van gedragingen van de verdachte heeft afgeleid dat sprake is van roekeloosheid in de zin van artikel 6 WVW 1994 in verbinding met artikel 175 WVW 1994. 16-12-2014
- Hoge Raad Ondanks tekortschietende motivering geen terugverwijzing met betrekking tot witwassen. 16-12-2014
- Hoge Raad Binnen het publieke debat gedane uitlating: belediging? 16-12-2014
- Hoge Raad De strafbaarheid van genocide in Rwanda in 1994 was voldoende ‘accessible’ en ‘foreseeable’ als vereist door artikel 7 EVRM. Het oordeel van de rechtbank getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. 16-12-2014
- Hoge Raad Kind onttrekken aan opzicht, ook als dat opzicht niet wordt uitgeoefend door de ouder(s), ook strafbaar in de zin van artikel 279 Sr. 16-12-2014
- Hoge Raad Uitleg begrip ‘vervoermiddel, kennelijk ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken’ als bedoeld in artikel 1:37 lid 1 Adw en afwijzing verzoek om geldelijke tegemoetkoming op grond van artikel 33 lid 2 Sr. 16-12-2014
- Hoge Raad Niet opvolgen van een door een politieambtenaar gegeven vordering. 16-12-2014
- Hoge Raad Toestemming voor bloedonderzoek en mogelijke bijdrage gebruik alcoholhoudende drank voor bewijs van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994. 16-12-2014
- Hoge Raad Toewijzing vordering tenlastelegging levert geen ander feit op. 16-12-2014
- Hoge Raad Uittreksel justitiële documentatie biedt geen steun voor stelling dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. 16-12-2014
- Hoge Raad Opzet medeplegen poging doodslag toereikend gemotiveerd. 16-12-2014
- Hoge Raad Uitleg van het begrip ‘en route’. 16-12-2014
- Hoge Raad Aanmerkelijke kans ten aanzien van poging tot doodslag deugdelijk en toereikend gemotiveerd. 16-12-2014
- Hoge Raad Slagende bewijsklacht opzetheling na ontoereikende motivering hof. 16-12-2014
- Hoge Raad Aangescherpte motiveringseisen medeplegen nogmaals uiteengezet. 16-12-2014
- Hoge Raad Bedreiging vanwege versturen twee dreigende sms-berichten. 16-12-2014
- Hoge Raad Het hof heeft in zijn thans bestreden uitspraak ten onrechte geoordeeld dat de schadevergoedingsmaatregelen niet meer aan zijn oordeel waren onderworpen. 16-12-2014
- Hoge Raad Bewezenverklaarde ‘oplichting, meermalen gepleegd’ had moeten worden gekwalificeerd als ‘oplichting’. 16-12-2014
- Hoge Raad Gebruik van belastende verklaring van een getuige. 16-12-2014