Naar boven ↑

Update

Nummer 40, 2014
Uitspraken van 06-12-2014 tot 12-12-2014
Redactie: prof. mr. J.S. Nan en mr. C.L. van der Vis.

Geachte heer/mevrouw,

Rechtspraak
De afgelopen week is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs:

Beslissing op verweer in de zin van artikel 359a Sv verzuimd (SR 2014-0511)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie valsheid in geschrift en opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd, is bewezenverklaard, over het verzuim door het hof om te beslissen op een beroep op strafvermindering op grond van artikel 359a Sv. Het hof heeft het verweer dat de inverzekeringstelling en de verlenging daarvan hoogst overbodig was en geen onderzoeksbelang aanwezig was om cliënt in verzekering te stellen, laat staan een dringende noodzakelijkheid om de inverzekeringstelling te verlengen, dat in de optiek van de verdediging de rechtbank het juist had dat er sprake was van een ernstig en onherstelbaar vormverzuim ex 359a Sv, dat cliënt immers pas een maand na het bekend worden van de fraude werd aangehouden, het onderzoek al zo goed als voltooid was en collusiegevaar gezien het tijdsverloop niet meer aan de orde was, cliënt onnodig heeft vastgezeten en derhalve in zijn belang is geschaad en dat strafvermindering blijkens de jurisprudentie de aangewezen sanctie was op een onrechtmatige inverzekeringstelling, kennelijk niet opgevat als een verweer in de zin van artikel 359a Sv waarop bepaaldelijk een met redenen omklede beslissing diende te worden gegeven. De Hoge Raad herhaalt de overweging dat vooropgesteld moet worden dat van de verdediging die een beroep doet op een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, mag worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in het tweede lid van die bepaling vermelde factoren wordt aangegeven tot welk in artikel 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden, aangezien alleen op een zodanig verweer door de rechter een met redenen omklede beslissing moet worden gegeven. De eerste factor is ‘het belang dat het geschonden voorschrift dient’. De tweede factor is ‘de ernst van het verzuim’. Bij de beoordeling daarvan zijn de omstandigheden van belang waaronder het verzuim is begaan. Daarbij kan ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen. De derde factor is ‘het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt’. Vervolgens oordeelt dat Hoge Raad dat gelet op enerzijds die overweging en anderzijds op hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht, het oordeel van het hof niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is.

Redelijk vermoeden artikel 9, eerste lid onder b Opiumwet (SR 2014-0507)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie het telen van hennep en diefstal elektriciteit is bewezenverklaard, over het oordeel van het hof dat ten tijde van het binnentreden in de woning van de verdachte een redelijk vermoeden van schuld bestond aan een bij de Opiumwet strafbaar gesteld feit. Het hof verwierp het verweer van de raadsman dat het enkele proces-verbaal van bevindingen van 31 augustus 2010 waarin wordt gerelateerd aan het ontdekken van een warmtebron op het adres van verdachte, onvoldoende grond vormt voor het binnentreden van de woning onder de overweging dat uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de verbalisant op 31 augustus 2010 met behulp van een warmtebeeldcamera kon zien dat op de zolder van perceel te 's-Heerenberg een extreme warmtebron aanwezig moest zijn en het verbalisant ambtshalve bekend was dat voor een succesvolle binnenkweek van hennepplanten een tropisch klimaat nodig is. Op grond daarvan oordeelt Het hof dat niet gesteld kan worden dat er sprake was van onrechtmatig binnentreden. Naar aanleiding van de geconstateerde warmtebeelden bestond een gerechtvaardigd vermoeden dat zich op het adres van verdachte een hennepkwekerij bevond. De Hoge Raad overweegt dat voorop staat dat het antwoord op de vraag of bepaalde feiten en omstandigheden toereikend zijn voor de toepassing van artikel 9, eerste lid aanhef en onder b Opiumwet in belangrijke mate afhankelijk is van de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval. Het oordeel van de feitenrechter daaromtrent kan derhalve in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst en stelt vast dat het hof heeft vastgesteld dat de verbalisant met behulp van een warmtebeeldcamera kon waarnemen dat op de zolder van het pand aan de te 's-Heerenberg ‘een extreme warmtebron aanwezig moest zijn’ en dat het deze verbalisant ambtshalve bekend was dat voor een succesvolle binnenkweek van hennepplanten een tropisch klimaat nodig is. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof dat deze feiten en omstandigheden voldoende aanwijzingen opleverden die een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit als bedoeld in de Opiumwet rechtvaardigden. Het verwerpen van het gevoerde verweer op die grond geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

Jongensbesnijdenis mishandeling (SR 2014-0505)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie mishandeling is bewezenverklaard, over het oordeel van het hof dat in het onderhavige geval van jongensbesnijdenis sprake is van wederrechtelijk handelen. Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring overwogen dat verdachte en moeder een relatie hebben gehad die in 2003 is verbroken. Verdachte en moeder zijn getrouwd noch geregistreerd partner geweest. Wel heeft verdachte zijn zoons erkend bij geboorte en dragen zij zijn achternaam. Aangezien er nooit een wijziging van het gezag heeft plaatsgevonden berust het ouderlijk gezag over de kinderen uitsluitend bij de moeder. Gelet op bovenstaande heeft de verdachte zijn zoons opzettelijk en met voorbedachten rade pijn en letsel toegebracht. Dit is mishandeling in de zin van de wet, tenzij het wederrechtelijke aan zijn handelen heeft ontbroken wegens het bestaan van een rechtvaardigingsgrond. Met betrekking tot het verweer van de verdediging, acht het hof het antwoord op de vraag of de verdachte een besnijdenis in 2005 ook mocht beschouwen als een niet-nadelige behandeling die daarom niet als mishandeling kan worden beschouwd niet van belang omdat de verdachte gelet op het bovenstaande de besnijdenis bewust heeft laten uitvoeren zonder toestemming van de moeder van zijn zoons, terwijl hij wist dat de moeder – de andere ouder – daarvoor (op dat moment) geen toestemming zou geven en hij tegelijkertijd de innerlijke overtuiging had – ook in 2005 – dat ouders samen verantwoordelijk zijn voor hun kinderen. Het hof oordeelt dan ook dat geen sprake is van feitelijke dwaling, zoals de verdediging is gesteld. Uit voorgaande concludeert het hof dat verdachte opzettelijk wederrechtelijk heeft gehandeld en dat geen rechtvaardigingsgrond bestaat. De Hoge Raad oordeelt dat het hof heeft vastgesteld dat verdachte de besnijdenis welbewust heeft laten uitvoeren zonder toestemming van de moeder. Die vaststelling draagt het oordeel dat verdachte zelfstandig wederrechtelijk heeft gehandeld. Het oordeel dat sprake was van mishandeling is door het hof toereikend gemotiveerd zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, waarbij het hof de juistheid van het beroep op een van oudsher aanvaard karakter van jongensbesnijdenis in het midden heeft kunnen laten.

Annotatie

‘Zoals wel vaker het geval is, ontleent dit arrest zijn belang voor de rechtsontwikkeling met name aan het obiter dictum uit de tweede alinea van r.o. 3.5: ‘Opmerking verdient dat de vraag of en onder welke voorwaarden bepaalde algemene categorieën van niet aangehouden en niet als jeugdigen aan te merken verdachten recht hebben op bijstand van een advocaat met betrekking tot een politieverhoor, in de eerste plaats door de wetgever onder ogen zal moeten worden gezien...’,

zo begint de recente geplaatste annotatie van J.H. Crijns bij ECLI:NL:HR:2014:3288, waar ik u graag op attendeer.

SR Updates Talk | Weinig tijd maar toch up to date blijven?
Graag wijs ik u op de SR-Talk sessie van donderdag 5 maart 2015, waarin de actuele jurisprudentie wordt besproken.

Volg de online jurisprudentiebespreking Strafrecht, inclusief PO-punten.
Elke 6 tot 8 weken de meest actuele rechtspraak (incl. de Hoge Raad van de dinsdag ervoor) in één uur tijd besproken door prof. Paul Mevis, mr. Joost Verbaan of mr. dr. Joost Nan.
Eerstvolgende sessie 5 maart: 16 – 18 uur
Kosten: € 69 excl. btw per sessie (1 PO-punt)

Nieuw rechtsgebied? Tijdelijke break?
Volg dan on demand de opnames van SR Updates Talk van medio 2013 tot heden.
Meer informatie en inschrijven: SR Updates Talk Live en On Demand

Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan sr-updates@budh.nl om uw uitspraak in te zenden.

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar sr-updates@budh.nl.

Veel leesplezier.

Met vriendelijke groet,

J.H.J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates

Hoge Raad