Naar boven ↑

Update

Nummer 4, 2014
Uitspraken van 25-01-2014 tot 29-01-2014
Redactie: prof. mr. J.S. Nan en mr. C.L. van der Vis.

Geachte heer/mevrouw,

Rechtspraak
De afgelopen weken is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs.

Niet-naleving van art 322, derde lid, Sv, instemming hervatting onderzoek bij gewijzigde samenstelling na schorsing (SR 2014-0046)
De verdediging klaagt over het niet naleven van artikel 322 lid 3, nu het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 mei 2012 niet inhoudt dat procespartijen hebben ingestemd met de hervatting van het onderzoek in de staat van het onderzoek ten tijde van de schorsing.
De Hoge Raad merkt op dat het proces-verbaal van de zitting inhoudt dat het onderzoek is hervat in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de schorsing daarvan, doch niet inhoudt dat instemming door partijen is gegeven en het middel in zoverre terecht is voorgesteld.
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het bij het niet naleven van het voorschrift dat bij een gewijzigde samenstelling het onderzoek opnieuw moet worden aangevangen, afhankelijk is van het belang dat de verdediging daaraan in een concreet geval hecht. Tegen die achtergrond en gelet op de eerdere uitspraak op 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241, rov. 2.6.2 brengt het voorgaande mee dat in cassatie aan een schriftuur waarin wordt geklaagd over de niet-naleving van het in die bepaling gegeven voorschrift, de eis moet worden gesteld dat wordt aangegeven in welk in rechte te respecteren belang de verdachte door die niet-naleving is getroffen. Nu het schriftuur na het op 11 september 2012 gewezen arrest (te weten 1 oktober 2012) geen vermelding maakt van rechtens te beschermen belangen waarin de verdachte is getroffen, noch de vereiste toelichting bevat tot het belang van het cassatieberoep en het belang bij vernietiging, verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk gezien artikel 80a.

Oplegging geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf is in het licht van de overwegingen van het hof niet begrijpelijk (SR 2014-0040)
De verdediging klaagt over de motivering van de strafoplegging in het kader van witwassen van een onvoorwaardelijke straf van zes maanden. Het hof overwoog dienaangaande, kort gezegd, het volgende:
“Witwassen van gelden ontwricht het economische verkeer en ondermijnt daardoor het vertrouwen in het financiële stelsel. Het hof heeft echter ook gelet op de relatief beperkte rol welke verdachte in het bewezen verklaarde handelen heeft gehad en hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.”
In het licht van die overweging is de strafoplegging niet begrijpelijk.

Miskenning artikel 31 in WOTS-zaak (SR 2014-0053)
De verdediging klaagt erover dat de rechtbank bij de oplegging van de straf blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De rechtbank overweegt dat in de plaats voor de straf die de Zweden hebben opgelegd aan de veroordeelde, een sanctie moet worden gesteld overeenkomstig het Nederlands recht. Het smokkelen van drugs kan naar Nederlands recht maximaal met 12 jaren gevangenisstraf worden bestraft. De ernst van het gepleegde feit dient volgens de rechtbank te worden beoordeeld naar de normen welke gelden in het land waar dat feit is begaan. Rekening wordt gehouden met het feit dat ook in Zweden het invoeren van grote hoeveelheden harddrugs en softdrugs als een ernstige inbreuk op de rechtsorde aldaar geldt. Overwegende dat veroordeelde, door zich in Zweden schuldig te maken aan voornoemd delict, het risico heeft genomen daarvoor zwaarder te worden gestraft dan gebruikelijk in Nederland is, oordeelt de rechtbank dat gevangenisstraf voor de duur van negen jaar gerechtvaardigd is. De Hoge Raad merkt op dat volgens artikel 31 eerste lid WOTS, zoals weergegeven in HR 26 juni 1990, NJ 1991/190, kan worden verstaan dat (a) de exequaturrechter bij het opleggen van de straf of maatregel welke op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld, de in het buitenland opgelegde sanctie, zonder de duur of omvang daarvan te overschrijden, in beginsel dient te vervangen door een straf of maatregel die naar Nederlandse maatstaven en opvattingen geacht wordt te beantwoorden aan de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon van de dader, zij het dat de rechter bij die vervanging tevens rekening dient te houden met internationale gevoeligheden, en dat (b) hij in voorkomend geval onder de bijzondere redenen die de straf hebben bepaald, dient te vermelden waarom hij tot een lagere strafoplegging is gekomen. (Vgl. HR 18 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6410, NJ 2004/511.) De rechtbank heeft dat miskend.

SR Talk Sessie
Graag wijs ik u op de SR-Talk sessie van 6 maart 2014, waarin de actuele jurisprudentie wordt besproken. Klik hier voor meer informatie.

Weinig tijd maar toch up to date blijven?
Volg de online jurisprudentiebespreking Strafrecht, inclusief PO-punten. In één uur tijd en op hoog niveau wordt u door prof. Paul Mevis, dr. Joost Nan of mr. Joost Verbaan bijgepraat over de laatste ontwikkelingen binnen het strafrecht. U kunt daarbij denken aan jurisprudentie, wetsvoorstellen of belangwekkende tijdschriftartikelen.
Data: 6-3, 17-4, 5-6, 3-7, 4-9, 30-10, 11-12
Tijd: 17:00 tot 18:00 uur
Kosten: € 69 excl. btw per sessie (1 PO-punt)
Meer informatie en inschrijven: www.lawatweb.nl

Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar sr-updates@budh.nl.

Veel leesplezier.

Met vriendelijke groet,

J.H. J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates

Hoge Raad