Naar boven ↑

Update

Nummer 37, 2014
Uitspraken van 15-11-2014 tot 21-11-2014
Redactie: prof. mr. J.S. Nan en mr. C.L. van der Vis.

Geachte heer/mevrouw,

Rechtspraak
De afgelopen week is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs:

Tatoeage zwaar lichamelijk letsel (SR 2014-0458)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie zware mishandeling is bewezenverklaard, over de motivering van het hof voor zover inhoudende dat verdachte zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Het hof heeft overwogen dat artikel 82 Sr de rechter de vrijheid laat om buiten de in deze wetsbepaling genoemde gevallen lichamelijk letsel als ‘zwaar’ te kwalificeren. Volgens vaste jurisprudentie moet het betreffende letsel voldoende ernstig zijn om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangemerkt, en dienen de gebezigde bewijsmiddelen de benodigde indicaties te verschaffen over de aard en ernst van het toegebrachte letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het ontbreken van uitzicht op (volledig) herstel. Ten aanzien van de tatoeages overweegt het hof dat deze zijn aangebracht op een bij uitstek gevoelige plaats van het menselijk lichaam, te weten de liesstreek respectievelijk de streek rond de tepel en voorts dat de tatoeages in beide gevallen tegen de zin van de aangevers zijn geplaatst en zonder (medisch) ingrijpen blijvend zullen zijn. Daarenboven is het toebrengen van een tatoeage tegen de zin van de persoon op wiens lichaam de tatoeage wordt aangebracht een onwelgevallige verandering van diens lichaam. Het hof oordeelt dat de aan beide aangevers toegebrachte tatoeages alle gekwalificeerd dienen te worden als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 302 Sr. Het hof wil aannemen dat naar de thans geldende stand van de techniek het verwijderen van een tatoeage – relatief – pijnloos is en dat – na verwijdering – de kans bestaat op volledig herstel, maar zulks doet niet af aan het oordeel dat in casu sprake is van zwaar lichamelijk letsel, in aanmerking genomen dat zekerheid van volledig herstel kennelijk niet kan worden geboden en dat de behandeling niet pijnloos is. De Hoge Raad oordeelt na het aanhalen van artikel 82 Sr, dat die bepaling de rechter de vrijheid laat om ook buiten de daarin opgesomde gevallen, het lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Dat brengt mee dat de beantwoording van de vraag of zeker letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, in belangrijke mate is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, en dat in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof dat de door de verdachte tegen de wil van de slachtoffers aangebrachte tatoeages zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 302 Sr opleveren geen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, mede gelet op de door het hof als gevoelige plaatsen aangemerkte delen van het lichaam waarop de tatoeages zijn geplaatst, en in aanmerking genomen dat de tatoeages zonder medisch ingrijpen blijvend zullen zijn. Dat oordeel is in het licht van hetgeen door de raadsman is aangevoerd, inhoudende dat naar de thans geldende stand van de techniek het verwijderen van een tatoeage relatief pijnloos is en dat na verwijdering de kans bestaat op volledig herstel, evenmin onbegrijpelijk.

Motivering en maatstaf afwijzing verzoek om getuige (SR 2014-0470)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie diefstal met bedreiging met geweld gepleegd is bewezenverklaard, dat het hof een verzoek van de verdediging heeft afgewezen en over de bij die afwijzing gehanteerde maatstaf. Het hof heeft het verzoek ter zitting van 11 juli 2013 afgewezen en daarover overwegen dat bij de beoordeling van het verzoek om nader onderzoek het noodzaakcriterium van toepassing is overeenkomstig artikel 316 Sv. Het hof wijst het verzoek af omdat het van oordeel is dat een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige niet noodzakelijk is om opheldering over de zaak te verschaffen onder de overweging dat het hof kennis heeft genomen van het onderhavige dossier en de verdediging in de gelegenheid is gesteld om al datgene hiertegen in te brengen wat zij in het belang achtte. Vervolgens wijst het hof het bij pleidooi herhaalde verzoek af onder de overweging dat bij het beoordelen van het verzoek om nader onderzoek overeenkomstig 316 Sv het noodzaakscriterium van toepassing is. Het hof oordeelt dat gelet op de inhoud van het onderhavige dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep, een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige niet noodzakelijk is om opheldering over de zaak te verschaffen en wijst het verzoek af. De Hoge Raad oordeelt dat het hof het door de raadsman bij appelschriftuur en nadien herhaalde verzoek klaarblijkelijk heeft opgevat als een verzoek dat ertoe strekt de deskundige Bullens ‘een onderzoek’ te laten instellen naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige. Die uitleg is, in het licht van de bewoordingen niet onbegrijpelijk. Het door de raadsman gedane verzoek is een verzoek aan de rechter als bedoeld in artikel 328 jo. 330 Sv om gebruik te maken van de in artikel 316, eerste lid, Sv omschreven bevoegdheid. Maatstaf bij de beoordeling van dergelijke verzoeken is of de noodzaak van hetgeen verzocht wordt, gebleken is. Het hof heeft derhalve bij de beslissing tot afwijzing de juiste maatstaf toegepast en is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. In acht genomen dat in de motivering van de afwijzing besloten ligt dat hof zich voldoende ingelicht achtte.

Niet-ontvankelijkheid ten onrechte (SR 2014-0468)
Het Openbaar Ministerie klaagt over het oordeel van het hof, in een zaak tegen een verdachte die medeplegen van kraken van een bedrijfspand ten laste was gelegd, dat een onrechtmatige ontruiming aan te merken is als een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv dat tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie moet leiden. Het hof heeft ten aanzien van het niet-ontvankelijk verklaren van het Openbaar Ministerie in de vervolging overwogen dat op grond van het onderzoek ter terechtzitting en de stukken van het geding naar voren gekomen feiten en omstandigheden moet worden geoordeeld dat de facto sprake is geweest van een gedwongen ontruiming van het bewuste bedrijfspand te Rotterdam en de politie door haar optreden inbreuk heeft gemaakt op het aan de verdachte en de medeverdachten als feitelijke bewoners van dat pand toekomende, onder meer door artikel 8 EVRM beschermde huisrecht. Dat een dergelijke inbreuk, gegeven het bepaalde in het tweede lid van dit artikel, slechts is toegestaan voor zover deze inbreuk bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van onder meer de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten en de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dat de door de poltie aangewende, in artikel 55 Sv neergelegde, bevoegdheid om het pand ter aanhouding van aldaar aanwezige verdachten te betreden, niet tevens de bevoegdheid inhoudt om – in essentie – tot ontruiming van dat pand en daarmede tot een beëindiging van het huisrecht van de verdachte en medeverdachten over te gaan. Die laatstbedoelde bevoegdheid valt wel aan artikel 551a Sv te ontlenen. Dat deze bepaling, gegeven artikel 8, tweede lid, en artikel 13 van het EVRM evenwel niet los kan worden gezien van eerdergenoemde beleidsbrief van het College van procureurs-generaal, in welke beleidsbrief – ter bescherming van het door artikel 8 van het EVRM beschermde huisrecht en het in artikel 13 van het EVRM verankerde recht op een ‘daadwerkelijk rechtsmiddel’ – de procedurele waarborgen zijn vastgelegd waarmee de uitoefening van de in artikel 551a Sv bedoelde bevoegdheid dient te zijn omgeven. Dat het door het College van procureurs-generaal in deze brief voorgeschreven beleid inhoudt dat het openbaar ministerie een ontruiming minstens zeven dagen voordien schriftelijk aan de bewoners van het te ontruimen pand dient aan te kondigen, teneinde hen de gelegenheid te bieden het oordeel omtrent de voorgenomen ontruiming van de rechter in kort geding uit te lokken door binnen die termijn een daartoe strekkende dagvaarding tegen de Staat uit te brengen. Slechts onder bepaalde, in de beleidsbrief nader omschreven omstandigheden kan hiervan worden afgeweken en kan terstond tot ontruiming worden overgegaan, te weten, kort weergegeven:
a. bij verdenking van huisvredebreuk waarbij het huisrecht van een ander wordt geschonden;
b. bij verdenking van andere strafbare feiten, bijvoorbeeld ernstige vernielingen, ten gevolge waarvan de rechthebbende van het pand ernstig wordt getroffen;
c. indien door de wederrechtelijke bewoning een gevaarlijke situatie ontstaat of in stand blijft; of
d. indien sprake is van een (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde en veiligheid.

Het hof oordeelt dat van een aankondiging voorafgaande aan het moment dat de politie het bewuste pand te Rotterdam is binnengetreden en dit pand de facto heeft ontruimd geen sprake is geweest, terwijl niet is gebleken dat zich één of meer van de hiervoor onder a. tot en met d. weergegeven omstandigheden heeft voorgedaan. In dat verband wordt volledigheidshalve nog overwogen dat de door de verbalisanten voorafgaande aan het binnentreden geconstateerde, doch door hen in hun relaas niet nader omschreven braakschade aan een tweetal deuren van het pand naar het oordeel van het hof geen rechtvaardiging kon bieden om van de in meergenoemde beleidsbrief voorgeschreven hoofdregel af te wijken, terwijl de vernielingen welke volgens de aangever in het pand zijn aangericht eerst na het binnentreden zijn geconstateerd en niet is gebleken dat ter zake daarvan reeds voorafgaande aan dat binnentreden een verdenking was gerezen. Het hof oordeelt dat door het pand binnen te treden op grond van artikel 55 Sv en het huisrecht van onder meer de verdachte vervolgens de facto te beëindigen in plaats van, met inachtneming van de door het College van procureurs-generaal ter zake voorgeschreven beleidslijn, gebruik te maken van de in artikel 551a Sv neergelegde bevoegdheid, de politie zowel het voornoemde grondwettelijk en verdragsrechtelijk beschermde recht van de verdachte als het door artikel 13 van het EVRM gewaarborgde recht van de verdachte heeft geschonden. Dat valt aan te merken als een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv, met welk verzuim – gelet op het belang dat de geschonden voorschriften beogen te dienen, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt – een dermate ernstige inbreuk is gemaakt op de beginselen van behoorlijke procesorde dat daardoor met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Het Openbaar Ministerie dient mitsdien in de vervolging van de verdachte ter zake van het ten laste gelegde niet-ontvankelijk te worden verklaard. De Hoge Raad oordeelt dat verdachte overtreding van artikel 138a Sr ten laste is gelegd en dat indien de strafrechter bevindt dat een ontruiming op de voet van artikel 551a Sv onrechtmatig is geweest, dit verzuim niet kan gelden als een vormverzuim dat is begaan in het kader van het voorbereidend onderzoek naar de in de strafzaak aan de verdachte tenlastegelegde overtreding van artikel 138a Sr als bedoeld in artikel 359a Sv (zo volgt uit ECLI:NL:HR:2013:1729). Daaruit volgt dat het hof de gestelde onrechtmatige ontruiming ten onrechte heeft aangemerkt als een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv dat tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging van verdachte moet leiden.

Annotatie
‘Het mag inmiddels duidelijk zijn dat de Hoge Raad flinke eisen stelt aan een bewezen verklaring van voorbedachte raad. Een behoorlijk aantal arresten waarin een hof voorbedachte raad bewezenverklaarde, is door de Hoge Raad gecasseerd. Ook in bovenstaand, door vijf raadsheren gewezen arrest vernietigd de Hoge Raad een arrest van ditmaal het Bossche Hof …’, zo begint de recente geplaatste annotatie van J.ten Voorde bij ECLI:NL:HR:2014:2962, waar ik u graag op attendeer.

SR Updates Talk | Weinig tijd maar toch up to date blijven?
Graag wijs ik u op de SR-Talk sessie van donderdag 11 december 2014, waarin de actuele jurisprudentie wordt besproken. De link is te vinden op deze site.

Volg de online jurisprudentiebespreking Strafrecht, inclusief PO-punten.
Elke 6 tot 8 weken de meest actuele rechtspraak (incl. de Hoge Raad van de dinsdag ervoor) in één uur tijd besproken door prof. Paul Mevis, mr. Joost Verbaan of mr. dr. Joost Nan.
Eerstvolgende sessie 11 december: 17 – 18 uur
Kosten: € 69 excl. btw per sessie (1 PO-punt)

Nieuw rechtsgebied? Tijdelijke break?
Volg dan on demand de opnames van SR Updates Talk van medio 2013 tot heden.
Meer informatie en inschrijven: SR Updates Talk Live en On Demand

Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar
sr-updates@budh.nl.

Veel leesplezier.

Met vriendelijke groet,

J.H.J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates

Hoge Raad