Update
Geachte heer/mevrouw,
Rechtspraak
De afgelopen week is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs:
Toereikende motivering voorbereiding van moord (SR 2014-0420)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie voorbereiding van moord is bewezenverklaard, dat de bewezenverklaring onvoldoende is gemotiveerd. Het hof overwoog met betrekking tot de relatie voorbereidingshandelingen-specifieke misdrijven onder meer dat de verdachte naast de pyrotechnische mengsels, grondstoffen voor de springstof TATP en onderdelen voor geïmproviseerde explosieve voorwerpen ook twee vuurwapens voorhanden had met daarbij relatief grote hoeveelheden bijpassende munitie, alsook een kogelwerend vest en een bivakmuts. Het hof acht dit samenstel van stoffen en voorwerpen veelzeggend in het licht van een eerder door het hof gewezen onherroepelijk arrest van 20 februari 2002. Daaruit blijkt immers dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan twee gewapende overvallen op grenswisselkantoren, waarbij verdachte ook explosieven heeft gebruikt. Bij de tweede overval was hij gekleed in een kogelwerend vest en heeft hij zich met behulp van een semiautomatisch vuurwapen een vluchtweg verschaft. De kogels zijn daarbij, blijkens dit eerdere arrest, rakelings langs agenten en omstanders gevlogen. Door zich te voorzien van vuurwapens (waarvan één doorgeladen), relatief grote hoeveelheden munitie en een kogelwerend vest, c.q. door voorwerpen in zijn kamer aan de Boelstraat bij een te brengen, heeft verdachte zich kennelijk wederom voorbereid op een diefstal met geweld dan wel afpersing, alsook op een mogelijk vuurgevecht. Het behoeft geen betoog dat daarbij doden kunnen vallen. Door bedoelde voorbereidingen te treffen heeft verdachte in elk geval ook momenten van kalm beraad en rustig overleg gehad en dient het vorenstaande dan ook te worden gekwalificeerd als voorbereiding van moord. De Hoge Raad oordeelt dat aan het middel onder meer de opvatting ten grondslag ligt dat aan de bewezenverklaring van de voorbereiding van moord dezelfde (motiverings-)eisen moeten worden gesteld als weergegeven in de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ bij de bewezenverklaring van (poging tot) moord. Die opvatting is echter – in haar algemeenheid – onjuist. Die rechtspraak is immers toegesneden op de vraag in hoeverre na (een begin van) uitvoering van het misdrijf uit de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder die plaatsvonden, is af te leiden dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de voorbereiding van moord staat echter centraal het – doorgaans nog niet als (begin van) uitvoering van het misdrijf aan te merken – opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen verwerven, vervaardigen, invoeren, doorvoeren, uitvoeren of voorhanden hebben, ‘bestemd tot het begaan van dat misdrijf’ (in dit geval moord). Echter ook voor de voorbereiding van moord geldt dat sprake moet zijn van een voorgenomen daad en gelegenheid tot nadenken over en zich rekenschap geven van de betekenis en de gevolgen van die daad. Een en ander kan overigens volgen uit de planmatige aard van de voorbereiding. De overweging van het hof moet aldus worden verstaan dat verdachte zich blijkens zijn eerdere veroordeling ter zake van onder meer gewapende overval die gepaard ging met een vuurgevecht waarbij de kogels rakelings langs personen vlogen, bereid en in staat heeft getoond om een vuurgevecht aan te gaan waarbij dodelijke slachtoffers zouden kunnen vallen en dat hij gelet op de gezamenlijkheid van de aangetroffen voorwerpen – te weten vuurwapens, waarvan één doorgeladen, grote hoeveelheden munitie en een kogelwerend vest – aan het voorbereiden was op opnieuw een gewapende overval die mogelijk gepaard zou gaan met een vuurgevecht. Daarin ligt voorts als oordeel van het hof besloten dat de verdachte gelegenheid heeft gehad na te denken over dit voorgenomen handelen en zich daarvan rekenschap te geven. Gelet hierop en op hetgeen door het hof in deze zaak is vastgesteld, klaagt het middel tevergeefs.
Het bestanddeel ‘belediging’ in artikel 111 en 112 Wetboek van Strafrecht (Waxinelichthoudergooier) (SR 2014-0419)
De verdediging klaagt namens betrokkene, ten aanzien van wie opzettelijke belediging van de Koning en van de vermoedelijke opvolger van de Koning en diens echtgenote is bewezenverklaard, dat het hof een onjuiste of onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan het bestanddeel ‘belediging’. De verdediging heeft ter toelichting aangevoerd dat het gooien van een waxinelichthouder als zodanig niet beledigend is en ook niet een beledigend karakter krijgt als dat gooien gepaard gaat met het doen van uitlatingen die onder omstandigheden als kwetsend kunnen worden ervaren. Het hof overwoog dat verdachte heeft verklaard dat hij confronterende kritiek uitte en dat is zijn visie – kort gezegd – de inzittenden van de Gouden Koets rechtens geen aanspraken kunnen maken op de troon en verwerpt dit standpunt met de overweging dat verdachte luid heeft geroepen de woorden: ‘oplichters’, ‘dieven’, ‘Nazi's’ en ‘verraders’. De op deze manier door de verdachte gebezigde woorden een onmiskenbaar beledigend karakter hebben, dat niet wordt weggenomen door de door de namens de verdachte genoemde omstandigheden. Het op deze manier uiten van deze woorden − te meer in combinatie met het gooien van een voorwerp tegen de koets − niet anders kan worden begrepen en uitgelegd dan als een opzettelijke belediging. Uit het gooien van de waxinelichthouder tegen de Gouden Koets leidt het hof af, dat deze woorden gericht waren tegen de inzittenden van de Gouden Koets. De Hoge Raad oordeelt dat in weerwil van het middel het hof het gooien van een waxinelichthouder niet als beledigend heeft aangemerkt maar mede in aanmerking heeft genomen dat genoemde uitlatingen gepaard gingen met het gooien van de waxinelichthouder naar de Gouden Koets en dat het middel daarmee feitelijke grondslag ontbeert.
Annotatie
‘Op 1 januari 2013 trad de Wet herziening regels betreffende de processtukken in strafzaken (Stb. 2011, 601) in werking. Deze recent gepubliceerde beschikking van de rechter-commissaris op een bezwaarschrift ex artikel 30 Sv tegen de onthouding van processtukken geeft aanleiding tot het maken van enkele opmerkingen over de herziene regels…’, zo begint de recente geplaatste annotatie bij ECLI:NL:RBROT:2014:8231, waar ik u graag op attendeer.
SR Updates Talk | Weinig tijd maar toch up to date blijven?
Graag wijs ik u op de SR-Talk sessie van donderdag 11 december 2014, waarin de actuele jurisprudentie wordt besproken. De link is te vinden op deze site.
Volg de online jurisprudentiebespreking Strafrecht, inclusief PO-punten.
Elke 6 tot 8 weken de meest actuele rechtspraak (incl. de Hoge Raad van de dinsdag ervoor) in één uur tijd besproken door prof. Paul Mevis, mr. Joost Verbaan of mr. dr. Joost Nan.
Eerstvolgende sessie 11 december: 17 – 18 uur
Kosten: € 69 excl. btw per sessie (1 PO-punt)
Nieuw rechtsgebied? Tijdelijke break?
Volg dan on demand de opnames van SR Updates Talk van medio 2013 tot heden.
Meer informatie en inschrijven: SR Updates Talk Live en On Demand
Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar
sr-updates@budh.nl.
Veel leesplezier.
Met vriendelijke groet,
J.H.J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates
Hoge Raad
- Hoge Raad Nu het middel, dat klaagt over dat het hof een onjuiste of onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan het delictsbestanddeel ‘belediging’, feitelijke grondslag ontbeert, kan het niet tot cassatie leiden. 04-11-2014
- Hoge Raad Het middel dat klaagt over dat de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte heeft gehandeld ter voorbereiding van moord, ontoereikend is gemotiveerd, is tevergeefs voorgesteld. 04-11-2014
- Hoge Raad Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan de betrokkene niet in het beroep worden ontvangen. 04-11-2014
- Hoge Raad Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat het in de bewezenverklaring bedoelde geldbedrag onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf. 04-11-2014