Update
Geachte heer/mevrouw,
Rechtspraak
Graag wijs ik u nogmaals op de commentaren bij de Hoge Raad van 10 december 2013 door J.S. Nan (SR 2013-0499) en bij de Hoge Raad van 5 november 2013 door B.J.V. Keupink (SR 2013-0427).
De afgelopen weken is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs:
Aanhouding een uur na de aangifte ontdekking op heterdaad of buiten heterdaad? (SR 2014-0030)
De verdediging klaagt over de uitleg die door het hof is gegeven aan het begrip ‘heeter daad’, bedoeld in artikel 55 Sv. Het hof heeft bewezenverklaard dat verdachte opzettelijk hennepplanten heeft geteeld in twee panden en elektriciteit heeft weggenomen met oogmerk op wederrechtelijke toe-eigening. Volgens verdediging zijn verbalisanten onrechtmatig de woning betreden aangezien op dat moment geen sprake meer was van een aanhouding op heterdaad en daarnaast niet is voldaan aan de vereisten van artikel 54 Sv. Het hof heeft vastgesteld dat op 6 februari om 19:05 uur werd aangifte gedaan van een kort daarvoor gepleegd strafbaar feit, om 18:55 uur. De woning is door verbalisanten, in het bezit van een machtiging van de hulpofficier van justitie, om 20:05 uur binnengetreden. De deur is geopend door een opgeroepen sleutelmaker nadat de deur niet werd geopend na aanbellen en kloppen. Na betreden van de woning werd een in werking zijnde hennepplantage aangetroffen. Het hof merkt de handelingen in het uur tussen aangifte en het binnentreden aan als onafgebroken verrichten van opsporingsactiviteiten De Hoge Raad stelt vast dat het door het hof vastgestelde ‘onafgebroken verrichten van opsporingsactiviteiten’ na het tijdstip waarop aangifte is gedaan van het strafbare feit tot het betreden van de woning geen blijk geeft van een onjuiste uitleg van het begrip ‘ontdekking op heeter daad’.
Advocaat hoeft niet mede te delen tijdens verhoor van jeugdige verdachte aanwezig te willen zijn (SR 2014-0031)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie diefstal met geweld is bewezenverklaard, over het gebruiken van een verklaring van de minderjarige verdachte afgelegd bij de politie voor het bewijs zonder dat hij tijdens dat verhoor werd bijgestaan door een advocaat of andere vertrouwensman terwijl hij van dat recht op rechtsbijstand niet ondubbelzinnig afstand heeft gedaan. Het hof heeft dat het verweer verworpen omdat volgens het hof geen sprake was van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Dat constateert het hof aan de hand van de vaststelling dat verdachte vrijwillig op het bureau is verschenen en voorafgaand aan het verhoor met zijn advocaat heeft gesproken en niet gebleken is dat zijn advocaat heeft medegedeeld dat hij bij het verhoor aanwezig wenste te zijn. De Hoge Raad herhaalt zijn uitspraak van 30 juni 2009, waaruit blijkt dat jeugdige verdachten naast het recht op voorafgaand overleg voor het verhoor tevens recht hebben op bijstand door een raadsman of vertrouwenspersoon tijdens het verhoor door de politie. De Hoge Raad stelt vast dat uit de enkele omstandigheid dat de advocaat, die verdachte voorafgaand aan het verhoor heeft geraadpleegd, niet heeft medegedeeld bij het verhoor aanwezig wenste te zijn, niet kan volgen dat de verdachte ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van het recht zich tijdens het verhoor door de politie te laten bijstaan door een raadsman of andere vertrouwenspersoon. Het oordeel van het hof wordt dan ook als niet begrijpelijk aangemerkt.
Betekeningsperikelen (SR 2014-0032)
De verdediging klaagt namens de door het hof bij verstek veroordeelde verdachte over het feit dat de betekening niet op rechtsgeldige wijze zou zijn geschied en dat het hof ten onrechte verstek tegen de niet-verschenen verdachte heeft verleend. Met betrekking tot de betekening zijn een akte van uitreiking in persoon van het bij verstek gewezen vonnis, een appelakte met een adres van de verdachte, een aan die akte gehechte schriftelijke volmacht van een advocaat tot het instellen van hoger beroep, waarin strijdig met artikel 450 lid 3 jo 408 Sv, geen opgave van het adres van verdachte voor ontvangst van het afschrift van de appeldagvaarding is gedaan, een aan het dubbel van de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep van 15 februari 2012 gehechte akte van uitreiking, inhoudende dat de dagvaarding op 16 december tevergeefs is aangeboden aan het eerder genoemde adres van verdachte, de dagvaarding op 9 januari 2012 is uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank Den Haag, omdat de geadresseerde, blijkens de aan de akte gehechte mededeling, op het GBA-adres was ingeschreven en naar dat adres een afschrift is gezonden, en een aan het dubbel van de appeldagvaarding gehechte ID-staat SKDB van 9 januari 2012 inhoudende dat de verdachte vanaf 8 februari 2012 is ingeschreven op het eerder genoemde adres.
Het oordeel van het hof, besloten in de bij verstek gewezen bestreden uitspraak, dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig betekend is, geeft volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste opvatting. Met betrekking tot het verstek verlenen tegen de niet verschenen verdachte bevindt zich voorts een faxbericht van de gevolmachtigde advocaat, waarin hij met referte aan de zaak verklaart, na herhaaldelijke verzoeken, niets meer van de verdachte te hebben vernomen en gelet daarop het niet duidelijk acht of verdachte nog bijstand wenst en derhalve niet op de zitting aanwezig zal zijn en het hof in overweging geeft de zaak aan te houden opdat verdachte gelegenheid krijgt met hem of een nieuwe raadsman te overleggen. De advocaat-generaal verzet zich tegen aanhouding. Het hof wijst het verzoek tot aanhouding af met de overweging dat raadsman na herhaaldelijke verzoeken geen contact heeft gehad met verdachte. Er niets is dat er op wijst dat de raadsman in de nabije toekomst wel contact met de verdachte zal kunnen hebben. Dat evenmin is aangegeven waarom de verdachte niet ter terechtzitting kan verschijnen en dat gelet daarop en alle daarvoor in aanmerking komende belangen, waaronder het aanwezigheidsrecht van de verdachte, het belang bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging, afwegende het hof van oordeel is dat het belang bij een spoedige berechting en een goede organisatie van de rechtspleging in dit geval prevaleert boven het belang van de verdachte om bij de behandeling van de zaak aanwezig te zijn. De Hoge Raad herhaalt vaste rechtspraak dat de justitiële autoriteiten rekening moeten houden met de waarschijnlijkheid dat de verdachte van dat recht gebruik wil maken, en met het oog daarop mag van de verdachte die hoger beroep instelt en prijs stelt op berechting op tegenspraak, worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de appeldagvaarding hem niet bereikt of de inhoud daarvan niet te zijner kennis komt, waaronder in ieder geval kan worden gerekend dat de verdachte zich bereikbaar houdt voor zijn raadsman opdat hij in voorkomende gevallen (ook) langs die weg van het tijdstip van de behandeling van zijn zaak op de hoogte komt en dat de rechter bij zijn beslissing tot aanhouding een afweging dient te maken tussen alle betrokken belangen. De beslissing van het hof getuigt volgens de Hoge Raad gelet op die overwegingen niet van een onjuiste opvatting.
SR Talk Sessie
Graag wijs ik u op de SR-Talk sessie van 30 januari 2014, waarin de actuele jurisprudentie wordt besproken. Klik hier voor meer informatie.
Weinig tijd maar toch up to date blijven?
Volg de online jurisprudentiebespreking Strafrecht, inclusief PO-punten. In één uur tijd en op hoog niveau wordt u door prof. Paul Mevis, dr. Joost Nan of mr. Joost Verbaan bijgepraat over de laatste ontwikkelingen binnen het strafrecht. U kunt daarbij denken aan jurisprudentie, wetsvoorstellen of belangwekkende tijdschriftartikelen.
Data: 30-1, 6-3, 17-4, 5-6, 3-7, 4-9, 30-10, 11-12
Tijd: 17:00 tot 18:00 uur
Kosten: € 69 excl. btw per sessie (1 PO-punt)
Meer informatie en inschrijven: www.lawatweb.nl
Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar sr-updates@budh.nl.
Veel leesplezier.
Met vriendelijke groet,
J.H. J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates
Hoge Raad
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt HR 22 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM6159, NJ 2011/356 met betrekking tot het feit dat ook in ontnemingszaken ter terechtzitting met voldoende duidelijkheid dient te worden aangegeven – eventueel bekort door middel van een duidelijke verwijzing naar de inhoud van in het kader van een schriftelijke voorbereiding van de behandeling ter terechtzitting ingediende stukken – welke verweren worden gevoerd en welke onderbouwde standpunten worden ingenomen. Nu het proces verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niets inhoudt omtrent de in het middel bedoelde verweren en onderbouwde standpunten moet het ervoor worden gehouden dat die verweren en onderbouwde standpunten niet ter terechtzitting zijn voorgedragen. Aan de vermelding in het bestreden arrest dat het hof kennis heeft genomen van hetgeen door de betrokkene en zijn raadsman naar voren is gebracht, kan niet de betekenis worden toegekend dat het hof ‘vanzelfsprekend tot uitdrukking heeft willen brengen dat de standpunten en verweren die in de schriftelijke voorbereiding zijn gerelateerd als ter terechtzitting voorgedragen zijn beschouwd’. Het middel kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad stelt de AG alsnog in de gelegenheid zich uit te laten over het andere voorgestelde middel. 21-01-2014
- Hoge Raad Het in de bestreden, bij verstek gewezen, uitspraak besloten liggende oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting nopens artikel 588 Sv. De Hoge Raad herhaalt HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 202/317 met betrekking tot de bereikbaarheid van de verdachte en HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1314, NJ 1999/294 met betrekking tot het aanwezigheidsrecht. Gelet op een en ander getuigt de beslissing van het hof om de zaak niet aan te houden ook niet van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het middel steunt op de opvatting dat het hof het aanhoudingsverzoek had moeten toewijzen, omdat verdachte ook in eerste aanleg bij verstek is berecht, faalt het opdat die opvatting in zijn algemeenheid geen steun vindt in het recht, ook niet in artikel 6 EVRM. Conclusie AG: anders. 21-01-2014
- Hoge Raad Nu de AG bij de Hoge Raad zich tot de rechtbank heeft gewend, hetgeen geleid heeft tot toezending van het in de conclusie genoemde proces verbaal, behoort de raadsman van verdachte, die klaagt dat dit proces verbaal niet overeenkomstig artikel 327 Sv is ondertekend, in de gelegenheid te worden gesteld van dit nagezonden stuk kennis te nemen teneinde zich schriftelijk daarover te kunnen uitlaten voordat op het cassatieberoep verder wordt beslist. De Hoge Raad stelt een termijn van twee weken en houdt elke verdere beslissing aan. 21-01-2014
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3559 inhoudende dat uit de bepalingen van het BW voortvloeit dat verdachte ten gevolge van zijn onrechtmatige gedragingen jegens de benadeelde partij jegens deze schadeplichtig is en dat hij zonder ingebrekestelling tevens de wettelijke rente verschuldigd is vanaf het moment dat de schade is ingetreden. Door te bepalen dat het toegewezen bedrag van de vordering van de benadeelde partij pas vanaf de dag waarop het Hof zijn arrest heeft uitgesproken wordt vermeerderd met de wettelijke rente, heeft het hof het voorgaande miskend. De Hoge Raad doet de zaak zelf af. 21-01-2014
- Hoge Raad De Hoge Raad verklaart verdachte niet ontvankelijk, geen middelen ingediend. 21-01-2014
- Hoge Raad De Hoge Raad stelt de AG alsnog in de gelegenheid zich uit te laten over de klacht met betrekking tot de verbeurdverklaring. 21-01-2014
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:BY8357, NJ 2013/75 met betrekking tot het voor het gedekt houden van een onvolkomen schriftelijke volmacht van een advocaat aan een griffiemedewerker om hoger beroep in te stellen. Het hof heeft genoemd arrest miskend, nu uit het proces verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de betrokkene en de raadsman op die terechtzitting zijn verschenen en het aldaar verhandelde bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan dat aan de verlening van de (onvolkomen) volmacht de wens van betrokkene ten grondslag lag om (op rechtsgeldige wijze) hoger beroep in te stellen. 21-01-2014
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3079, NJ 2009/349. Uit de enkele omstandigheid dat de advocaat die verdachte na zijn aanhouding voorafgaand aan zijn eerste verhoor door de politie heeft geraadpleegd niet heeft medegedeeld dat hij bij het verhoor van verdachte aanwezig wenste te zijn, kan niet volgen dat verdachte ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van het recht zich tijdens het verhoor door de politie te laten bijstaan door een raadsman of een andere vertrouwenspersoon. ’s Hofs oordeel dat ‘onder deze omstandigheden geen sprake [is] van schending van de geldende normen ten aanzien van rechtsbijstand van de verdachte’ is niet begrijpelijk. Het hof had de verklaring die de minderjarige verdachte heeft afgelegd zonder dat hij tijdens het verhoor door een raadsman of andere vertrouwenspersoon is bijgestaan niet voor het bewijs mogen bezigen. Gelet op de inhoud van de verklaring die verdachte op de terechtzititng in eerste aanleg heeft afgelegd en die door het hof als bewijsmiddel is gebruikt, moet worden geoordeeld dat verdachte geen rechtens te respecteren belang heeft bij vernietiging van het bestreden arrest. Het middel kan niet tot cassatie leiden. 21-01-2014
- Hoge Raad Dierenarts in hoedanigheid van toezichthouder namens de Voedsel en Waren Autoriteit. Gelet op hetgeen is aangevoerd, bestond voor n-o verklaring van het OM geen grond. ’s Hofs oordeel dat het daarop betrekking hebbende verweer moet worden verworpen is dus juist. Reeds daarop stuit het middel af. Opmerking verdient dat het bestaan van een redelijk vermoeden van schuld van een in de WED strafbaar gesteld feit niet in de weg staat aan het uitoefenen van de bevoegdheden die de dierenarts in zijn hoedanigheid van toezichthouder namens de Voedsel en Waren Autoriteit heeft, mits bij aanwending van die bevoegdheden tegenover een verdachte de aan deze als zodanig toekomende waarborgen in acht worden genomen. Het Hof heeft niet onbegrijpelijk geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat bij het gebruik van die bevoegdheid de aan de verdachte toekomende waarborgen niet in acht zijn genomen. De enkele omstandigheid dat de dierenarts, zoals namens de verdachte wordt gesteld, op verzoek van de AID en met instemming van de OvJ de door hem verrichtte monsternemingen heimelijk heeft verricht maakt dit niet anders. 21-01-2014
- Hoge Raad In aanmerking genomen het door het hof vastgestelde ‘onafgebroken verrichten van opsporingsactiviteiten’ na het tijdstip waarop het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan is gepleegd tot het tijdstip waarop de woning van de verdachte is binnengetreden, geeft het oordeel van het hof dat de politieambtenaren de woning van de verdachte zijn binnengetreden ter aanhouding ‘op heeter daad’ niet blijk van een onjuiste uitleg van het begrip ‘ontdekking op heeter daad’ als bedoeld in artikel 55 lid 1 Sv. 17-01-2014
- Hoge Raad De Hoge Raad stelt relevante overwegingen m.b.t. toetsingsruimte in cassatie uit ECLI:NL:HR:BD2578, NJ 2008/358 voorop. ’s Hofs oordeel dat er geen aanleiding is om aan het oordeel dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden, is niet onbegrijpelijk. 17-01-2014