Naar boven ↑

Update

Nummer 24, 2014
Uitspraken van 27-06-2014 tot 03-07-2014
Redactie: prof. mr. J.S. Nan en mr. C.L. van der Vis.

Geachte heer/mevrouw,

Rechtspraak
De afgelopen week is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs:

Overzichtsarrest oproepen en horen getuigen ter zitting (SR 2014-0279)

De Hoge Raad wijst een overzichtsarrest inzake het oproepen en horen van getuigen ter terechtzitting in gewone strafzaken op verzoek van de verdediging. De Hoge Raad gaat daarbij in op de aan te leggen maatstaven zoals het verdedigingsbelang en het noodzakelijkheidscriterium en de uitleg van die criteria. Vervolgens bespreekt de Hoge Raad de procedure in eerste aanleg. De Raad bespreekt hierbij de eerste terechtzitting, het meebrengen van getuigen naar de terechtzitting en het verzoek tot oproeping van getuigen gedaan vóór de terechtzitting, geregeld in de bepalingen van de artikelen 263, 264, 287 en 288 Sv. De Hoge Raad geeft aan dat, samengevat, een en ander erop neerkomt dat ingeval een door de verdediging overeenkomstig de voorschriften van art. 263 Sv opgegeven getuige ter terechtzitting niet is verschenen, de rechter slechts dan gehouden is een beslissing te geven omtrent de (hernieuwde) oproeping van die getuige indien daartoe door of namens de verdachte ter terechtzitting een uitdrukkelijk en gemotiveerd verzoek is gedaan. Bij de beslissing op zo een verzoek is de maatstaf het verdedigingsbelang. Daarna wordt een overzicht gegeven van het verzoek tot oproeping van getuigen gedaan op de terechtzitting. Dat verzoek wordt beheerst door de bepalingen van artikel 315, 328 en 330 Sv. Bij de beoordeling van het verzoek is de maatstaf of de rechter het horen van de getuigen ‘noodzakelijk’ oordeelt. Opmerking verdient dat de wet een strik onderscheid maakt in maatstaf bij beoordeling naar gelang het getuigen betreft die op de voet van art. 263-264 Sv vóór de terechtzitting aan de officier van justitie zijn opgegeven en getuigen om wier oproeping eerst op de terechtzitting is verzocht. In het eerste geval is het verdedigingsbelang de maatstaf; in het tweede geval het noodzakelijkheidscriterium. Het verschil tussen deze criteria is wat betreft de toepassing in concrete gevallen in HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1702, NJ 2007/626 gerelativeerd. In lijn met die relativering moet worden geoordeeld dat – zoals in het geval dat de verdachte (nog) niet beschikt over alle processtukken als bedoeld in art. 33 Sv – niet altijd van verdachte zal kunnen worden gevergd dat hij voorafgaand aan de eerste terechtzitting in eerste aanleg op de voet van art. 263-264 Sv getuigen opgeeft aan de officier van justitie. De Raad gaat in op verzoeken tot oproepen en horen getuigen op de terechtzitting na schorsing van het onderzoek op de pro forma-zitting en regiezitting. Na het overzicht van de procedure in eerste aanleg, behandelt de Hoge Raad in het overzicht de procedure in hoger beroep. De Hoge Raad bespreekt de eerste terechtzitting, het meebrengen van getuigen naar de terechtzitting in hoger beroep, de opgave gedaan bij appelschriftuur en niet gedaan bij appelschriftuur. Het verzoek tot oproeping van getuigen gedaan op de terechtzitting in hoger beroep wordt evenals de terechtzitting na schorsing van het onderzoek besproken door de Hoge Raad. Ook wordt ingegaan op de verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen op de pro forma-zitting en regiezitting in hoger beroep en wordt stilgestaan bij de procedure in hoger beroep na terug- of verwijzing van de zaak door de Hoge Raad.

Over de toetsing in cassatie merkt de Hoge Raad op dat het in de cassatieprocedure niet meer gaat om het al dan niet oproepen of horen van getuigen maar uitsluitend om de toetsing van de beslissingen van de feitenrechter dienaangaande. In cassatie kan door de verdediging slechts worden geklaagd over (a) de beslissing van het hof tot het niet horen van een ter terechtzitting verschenen getuige en (b) de afwijzing door het hof van een ter terechtzitting in hoger beroep gedaan verzoek tot het oproepen van een aldaar niet verschenen getuige. Voorts kan worden geklaagd over het verzuim van het hof op zo een verzoek te beslissen. In cassatie kan door de verdediging dus niet over beslissingen of verzuimen van het openbaar ministerie dan wel de rechter in eerste aanleg worden geklaagd. Over de juistheid van de onder (a) en (b) genoemde beslissingen kan in cassatie niet worden geklaagd. Immers kan niet worden beoordeeld of het hof een getuige terecht niet heeft opgeroepen of gehoord. Over de maatstaf die het hof heeft toegepast en over de begrijpelijkheid van de beslissing kan in cassatie wel worden geklaagd.

De Hoge Raad eindigt met de vaststelling dat bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen het in cassatie uiteindelijk gaat om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van – als waren het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. Bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van de beslissing kan ook het procesverloop van belang zijn, zoals (i) het stadium waarin het verzoek is gedaan, in die zin dat het verzoek eerder had kunnen en redelijkerwijs ook had moeten worden gedaan, en (ii) de omstandigheid dat de bij de appelschriftuur opgegeven getuigen – al dan niet op vordering van de advocaat-generaal – (alsnog) op de voet van art. 411a of art. 420 Sv zijn gehoord door een rechter-commissaris of een raadsheer-commissaris, waardoor in de regel het belang zal zijn ontvallen aan de oproeping van die getuigen ter terechtzitting.

De Hoge Raad besluit het overzicht met de opmerking dat gelet op al het vorenoverwogene de vraag kan rijzen naar het bestaansrecht van twee verschillende maatstaven voor de beoordeling van verzoeken om getuigen op te roepen respectievelijk te horen, mede in aanmerking genomen dat de in art. 6 EVRM gewaarborgde rechten van de verdachte daartoe geenszins dwingen en dat – aldus HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1702, NJ 2007/626 – de concrete toepassing van het ene criterium soms niet wezenlijk verschilt van wat met de toepassing van het andere criterium zou worden bereikt, maar dat de beantwoording van die vraag niet aan de rechter is maar aan de wetgever.
(In SR 2014-281, SR 2014-288, SR 2014-289 en SR 2014-290 wordt het arrest aangehaald.)

Opsporingsmethode de ‘stealth sms’ (SR 2014-0280)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie delicten uit de Opiumwet, onder meer met betrekking tot hennep en amfetamine, gepleegd in vereniging bewezen zijn verklaard, dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft dat op de privacy van de ontvanger geen inbreuk van betekenis wordt gemaakt met de inzet van de zogenoemde 'stille sms' en dat de inzet daarvan als zodanig geen bijzondere risico's oproept voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing. Het hof overwoog kort gezegd, dat het toezenden van voor de gebruiker van het toestel niet-waarneembare sms-berichten, een beperkte inbreuk heeft gemaakt op grondrechten van de verdachte en niet zeer risicovol is geweest voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing. De Hoge Raad oordeelt dat bovengenoemd oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Of dat oordeel begrijpelijk is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In het onderhavige geval is dat oordeel niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat het hof heeft vastgesteld dat:

- gelet op de duur en frequentie van toezending, slechts een beperkt beeld van de bewegingen van de gebruiker van de telefoon werd verkregen;
- het opsporingsmiddel met toestemming van de officier van justitie is ingezet;
- ondanks gebreken in de verslaglegging uiteindelijk voldoende duidelijkheid over de inzet van de methode is verkregen; en
- reeds uitvoering werd gegeven aan op de voet van de art. 126g, 126m en 126n Sv door de officier van justitie gegeven bevelen en een machtiging van de rechter-commissaris als bedoeld in art. 126m, vijfde lid, Sv was verstrekt.

SR Talk Sessie:
Graag wijs ik u op de SR-Talk sessie van donderdag 4 september 2014, waarin de actuele jurisprudentie wordt besproken. De link is te vinden op deze site.

SR Updates Talk | Weinig tijd maar toch up to date blijven?
Volg de online jurisprudentiebespreking Strafrecht, inclusief PO-punten.
Elke 6 tot 8 weken de meest actuele rechtspraak (incl. de Hoge Raad van de dinsdag ervoor) in één uur tijd besproken door prof. Paul Mevis, mr. Joost Verbaan of mr. dr. Joost Nan.

Eerstvolgende sessie 3 juli: 17 – 18 uur

Kosten: € 69 excl. btw per sessie (1 PO-punt)
Nieuw rechtsgebied? Tijdelijke break?
Volg dan on demand de opnames van SR Updates Talk van medio 2013 tot heden.
Meer informatie en inschrijven: SR Updates Talk Live en On Demand

Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar sr-updates@budh.nl.
Veel leesplezier.

Met vriendelijke groet,

J.H.J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates

Hoge Raad