Naar boven ↑

Update

Nummer 23, 2014
Uitspraken van 20-06-2014 tot 26-06-2014
Redactie: prof. mr. J.S. Nan en mr. C.L. van der Vis.

Geachte heer/mevrouw,

Rechtspraak
De afgelopen week is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs:

Uitgangspunten grootschalige kinderpornografie (SR 2014-0273)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie het bezit van virtuele kinderpornografie is bewezenverklaard, over het oordeel van het hof dat de afbeeldingen van een tweetal slachtoffers moeten worden aangemerkt als afbeeldingen, bedoeld in het eerste lid van artikel 240b Sr. Het hof oordeelde dat van die afbeeldingen de afbeeldingen waarbij het hoofd van het tweetal – die blijkens de vaststellingen van het hof 9 of 10 jaar respectievelijk 4 jaar oud waren – op het lichaam van een (jong)volwassene is geplakt, ook moeten worden aangemerkt als afbeeldingen, bedoeld in het eerste lid van artikel 240b Sr, dus als afbeeldingen van een seksuele gedraging waarbij personen die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet hadden bereikt, waren betrokken of schijnbaar waren betrokken. De Hoge Raad oordeelt dat het hof in dat verband evenwel niet meer heeft vastgesteld dan dat ‘voor een buitenstaander niet zonder meer duidelijk is dat deze beelden bewerkt zijn, laat staan dat ze “fake” zijn’ en dat, in aanmerking genomen dat het in dit verband moet gaan om hetzij een afbeelding van een bestaand kind, hetzij ‘een realistische afbeelding van een niet-bestaand kind in de zin dat de afbeelding niet van echt is te onderscheiden’ (vgl. HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY9719, NJ 2013/403), het hof zijn oordeel niet toereikend heeft gemotiveerd. De Hoge Raad geeft aan bij voorkeur de verdachte partieel vrij te spreken voor dit onderdeel van de tenlastelegging uit oogpunt van doelmatigheid, maar overweegt dat een uitdrukkelijk partiële vrijspraak niet mogelijk is omdat uit de tenlastelegging niet blijkt welke afbeeldingen de aldus gemanipuleerde afbeeldingen zijn waarop de overweging van het hof betrekking heeft en volstaat daarom met de enkele vaststelling dat het middel gegrond is.
Een en ander geeft de Hoge Raad aanleiding tot het maken van enkele opmerkingen over de wijze van tenlasteleggen in zaken waarbij bij de straftoemeting rekening kan worden gehouden met het grootschalige karakter van het delict. De Hoge Raad geeft aan dat als uitgangspunt bij deze delicten te gelden heeft dat niets zich ertegen verzet dat ingeval het gaat om een groot aantal afbeeldingen, de steller van de tenlastelegging zich beperkt tot een selectie van (representatieve) afbeeldingen. Bewezenverklaring daarvan kan dan immers worden gekwalificeerd als 'meermalen gepleegd', terwijl het mogelijk voor de straftoemeting relevante grootschalige karakter van het delict ook op andere manieren aannemelijk kan worden gemaakt dan door middel van het opnemen van al die afbeeldingen in de tenlastelegging en bewezenverklaring. Datzelfde geldt indien, zoals in de onderhavige zaak, tenlastegelegd is dat de verdachte een gewoonte heeft gemaakt van het misdrijf. In zo’n geval behoeven niet meer afbeeldingen in de tenlastelegging te worden beschreven dan nodig zijn om, indien de pluraliteit van de aan de verdachte verweten handelingen is bewezen, te kunnen worden gekwalificeerd als het maken van een gewoonte.
De Hoge Raad overweegt verder nog dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat de rechter bij de strafoplegging rekening houdt met feiten en omstandigheden die kunnen gelden als omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde feit is begaan en dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat de strafoplegging mede steunt op de uitkomst van een in het voorbereidend onderzoek – gelet op de praktische werkbaarheid bij voorkeur globaal te houden – steekproef uit het aangetroffen materiaal. Zo’n steekproef komt tegemoet aan de eis dat mensen en middelen doelmatig worden ingezet.

Op de uitkijk staan volgt niet uit het bewijs geen medeplichtigheid (SR 2014-0274)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie diefstal in vereniging met geweld bewezen is verklaard, dat het hof de bewezenverklaring van de diefstal in vereniging met geweld onvoldoende heeft gemotiveerd door de overweging dat verdachte ten tijde van het plegen van het feit op de uitkijk heeft gestaan. De Hoge Raad oordeelt dat de bewijsvoering weliswaar inhoudt dat verdachte bereidheid heeft getoond op de uitkijk te staan en te waarschuwen als iemand langs zou komen, maar tevens inhoudt dat verdachte, voordat het slachtoffer werd bestolen, zoals bewezenverklaard, al is weggegaan. Het bewezenverklaarde ‘ten tijde van het plegen van het feit’ op de uitkijk staan en aldus daarbij behulpzaam zijn geweest, volgt derhalve niet uit de bewijsvoering.

SR Talk Sessie:
Graag wijs ik u op de SR-Talk sessie van donderdag 3 juli 2014 en donderdag 4 september 2014, waarin de actuele jurisprudentie wordt besproken. De link is te vinden op deze site.

SR Updates Talk | Weinig tijd maar toch up to date blijven?
Volg de online jurisprudentiebespreking Strafrecht, inclusief PO-punten.

Elke 6 tot 8 weken de meest actuele rechtspraak (incl. de Hoge Raad van de dinsdag ervoor) in één uur tijd besproken door prof. Paul Mevis, mr. Joost Verbaan of mr. dr. Joost Nan.

Eerstvolgende sessie 3 juli: 17 – 18 uur

Kosten: € 69 excl. btw per sessie (1 PO-punt)
Nieuw rechtsgebied? Tijdelijke break?
Volg dan on demand de opnames van SR Updates Talk van medio 2013 tot heden.
Meer informatie en inschrijven: SR Updates Talk Live en On Demand

Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.

Vragen of opmerkingen

Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar
sr-updates@budh.nl.
Veel leesplezier.

Met vriendelijke groet,

J.H.J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates