Update
Geachte heer/mevrouw,
Rechtspraak
De afgelopen weken is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs.
Rijden ‘zonder rijbewijs’ (SR 2014-0146)
De verdediging klaagt namens de verdachte, ten aanzien van wie het rijden onder invloed van alcohol zonder rijbewijs is bewezen, dat het hof besturen van een motorrijtuig ‘zonder rijbewijs’ heeft bewezenverklaard en ten onrechte art. 8, derde en vierde lid, WVW 1994 heeft toegepast. Het hof heeft die bewezenverklaring doen steunen op de verklaring van de verdachte inhoudende dat hij, kort gezegd, geen rijbewijs had omdat het ongeldig was verklaard en een ongeldigverklaring van het rijbewijs van verdachte vanaf 3 september 2010. De Hoge Raad oordeelt dat de tenlastelegging is toegesneden op art. 8 WVW 1994. Daarom moet het in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomend begrip ‘zonder rijbewijs’ geacht worden te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in het vierde lid van die bepaling. Mede gelet op wetsgeschiedenis, waarin tot uitdrukking is gebracht dat de formulering van het vierde lid van art. 8 WVW 1994, zoals dat na 1 december 2011 luidt, een ‘verduidelijking’ is van de oude - hier toepasselijke - bepaling, dient het bestanddeel ‘zonder rijbewijs’ van art. 8, vierde lid, (oud) WVW 1994 te worden uitgelegd als ‘zonder dat aan hem een rijbewijs is afgegeven’. In de vaststelling van het hof dat het rijbewijs ongeldig was verklaard, ligt besloten dat het rijbewijs op enig moment is afgegeven. Het oordeel dat verdachte het motorrijtuig heeft bestuurd ‘zonder rijbewijs’ getuigt van onjuiste wetsuitleg. De Hoge Raad wijst de zaak evenwel niet terug daar het strafmaximum niet anders is indien de bestuurder wel een rijbewijs heeft.
Wederrechtelijke toegang in de zin van artikel 197a Sr (SR 2014-0147)
De verdediging klaagt namens verdachte, ten aanzien van wie bewezen is verklaard dat hij, kort gezegd, tezamen in vereniging zich schuldig heeft gemaakt aan mensensmokkel, over het oordeel van het hof dat de toegang tot Nederland van de in bewezenverklaring genoemde personen Warsama en Hussain wederrechtelijk, als bedoeld in artikel 197a Sr, is. Het hof heeft ten aanzien van hen vastgesteld, onder meer op grond van processen-verbaal van opsporingsambtenaren van het bureau van de afdeling Falsificaten te Schiphol, dat de door hen bij hun toegang tot Nederland gebruikte paspoorten niet op naam waren gesteld. De Hoge Raad oordeelt dat de bewezenverklaarde wederrechtelijkheid van de toegang tot het land als bedoeld in artikel 197a Sr daarmee toereikend gemotiveerd is. De opvatting dat de toegang tot Nederland die voorafgaat aan het doen van asielaanvraag, ook indien de vreemdeling die asielaanvraag wil doen niet in het bezit is van een geldig grensoverschrijdingsdocument, rechtmatig is, is onjuist. Het recht om in afwachting van een beslissing op asielaanvraag, in Nederland te verblijven op grond van artikel 8 aanhef en onder f. en h. Vreemdelingenwet reikt niet zo ver dat het de wederrechtelijkheid van toegang tot het land doet vervallen.
Wederspannigheid (SR 2014-0148)
Het Openbaar Ministerie klaagt over de vrijspraak van de ten laste gelegde wederspannigheid. Het hof heeft daartoe overwogen en vastgesteld dat verdachte, kort gezegd, is tenlastegelegd dat hij zich heeft verzet tegen zijn aanhouding door opsporingsambtenaren op station Den Haag Hollands Spoor. Daar ging een vechtpartij tussen verdachte en medepassagier en zijn vriend in de trein van Rotterdam naar Den Haag aan vooraf. De opsporingsambtenaren hebben zich, na een melding, naar het perron begeven en werden aangesproken door de medepassagier en zijn vriend, waarbij letsel bij één van hen werd geconstateerd. Hierop is een opsporingsambtenaar de trein ingegaan en is verdachte, bij wie ook letsel werd geconstateerd, verzocht uit te stappen. Na het voldoen aan dit verzoek werd verdachte op het perron aangehouden. Daartegen maakte verdachte bezwaar, omdat hij de indruk had dat alleen hij zou worden aangehouden voor mishandeling en heeft zich tegen de aanhouding verzet. Het hof oordeelt vervolgens dat, ofschoon de opsporingsambtenaren terecht tegen de verdachte een verdenking van mishandeling op heterdaad hebben aangenomen, in dit geval niet kan worden gezegd dat de verdachte zich, door zich tegen zijn aanhouding te verzetten, heeft verzet tegen opsporingsambtenaren in de rechtmatige uitoefening hunner bediening, omdat de opsporingsambtenaren met de aanhouding niet geacht kunnen worden ‘het belang op het oog te hebben gehad dat de voor het nemen van strafvorderlijke beslissingen vereiste waarheid aan de dag zou worden gebracht’. De Hoge Raad oordeelt dat het hof daarmee heeft miskend dat aan de rechtmatigheid van de aanhouding – en dus aan de rechtmatigheid van de uitoefening van de bediening – niet in de weg staat dat het opsporingsonderzoek naar het op heterdaad ontdekte feit, achteraf bezien, onvolledig of gebrekkig is geweest.
SR Talk Sessie
Graag wijs ik u op de SR-Talk sessie van 17 april 2014, waarin de actuele jurisprudentie wordt besproken. Klik hier voor meer informatie.
Weinig tijd maar toch up to date blijven?
Volg de online jurisprudentiebespreking Strafrecht, inclusief PO-punten. In één uur tijd en op hoog niveau wordt u door prof. Paul Mevis, dr. Joost Nan of mr. Joost Verbaan bijgepraat over de laatste ontwikkelingen binnen het strafrecht. U kunt daarbij denken aan jurisprudentie, wetsvoorstellen of belangwekkende tijdschriftartikelen.
Data: 17-4, 5-6, 3-7, 4-9, 30-10, 11-12
Tijd: 17:00 tot 18:00 uur
Kosten: € 69 excl. btw per sessie (1 PO-punt)
Meer informatie en inschrijven: www.lawatweb.nl
Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar sr-updates@budh.nl.
Veel leesplezier.
Met vriendelijke groet,
J.H.J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates
Hoge Raad
- Hoge Raad Een afwijzing van een herzieningsaanvrage als bedoeld in artikel 461 Sv Curaçao kan niet worden aangemerkt als een ‘vonnis’ in een ‘strafzaak’ in de zin van de Rijkswet cassatierechtspraak, zoals ook de veroordeelde niet kan worden aangemerkt als ‘verdachte’ als bedoeld in die wet. Nu noch in de Rijkswet cassatierechtspraak noch in enige andere wetsbepaling tegen zo een afwijzing beroep op de Hoge Raad is opengesteld, kan de veroordeelde niet worden ontvangen in zijn cassatieberoep. 25-03-2014
- Hoge Raad Het bestanddeel ‘zonder rijbewijs’ van artikel 8.4 (oud) WVW 1994 moet worden uitgelegd als ‘zonder dat aan hem een rijbewijs is afgegeven’. Nu het hof blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft vastgesteld dat het rijbewijs van verdachte ongeldig was verklaard, waarin besloten ligt dat hem op enig moment een rijbewijs is afgegeven, getuigt zijn oordeel dat verdachte het motorrijtuig heeft bestuurd ‘zonder rijbewijs’ van een onjuiste wetsuitleg. 25-03-2014
- Hoge Raad Het hof heeft het onder 3 bewezenverklaarde gekwalificeerd als witwassen. Aangezien echter uit 's hofs motivering – ook waar het heeft overwogen dat ‘de gelden zijn aangetroffen in een enveloppe in een slaapkamer, resp. in een schoudertas, die door de verdachte bij het verlaten van zijn woning werd gedragen’ – niet kan worden afgeleid dat sprake is van meer dan het enkele voorhanden hebben van die geldbedragen doordat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen, is dat oordeel ontoereikend gemotiveerd. 25-03-2014
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt relevante overweging uit ECLI:NL:HR:2003:AF7985. Het hof heeft redengevend geacht voor de bewezenverklaring dat verdachte ‘in de directe omgeving van de plaats van waar de autokraken plaatsvonden op zijn buik liggend achter een stuk zeil [is] aangetroffen, terwijl hij hevig zweette en hijgde’ en dat hij een van de jongens is die door de politie zijn aangehouden. Het betreft hier gegevens die niet in de bewijsmiddelen zijn vermeld terwijl het hof in zijn overweging evenmin met voldoende mate van nauwkeurigheid het wettige bewijsmiddel heeft aangegeven waaraan het die feiten en omstandigheden ontleend. 25-03-2014
- Hoge Raad Het oordeel van het hof dat in het onderhavige geval artikel 74 AWR niet aan ontneming in de weg staat omdat kan worden aangenomen dat de betrokkene zich niet alleen aan een fiscaal delict, maar ook aan ‘witwassen’ heeft schuldig gemaakt, getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is voorts niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het middel faalt. 25-03-2014
- Hoge Raad Nu uit het in de conclusie van de waarnemend advocaat-generaal onder 20 genoemde wettelijk kader blijkt dat de regels van het sanctierecht ten gunste van de verdachte zijn veranderd, had het hof het uit artikel 28c Wet op de loonbelasting 1964 voortvloeiende mildere sanctieregime behoren toe te passen (vgl. HR 11 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8193, NJ 2012/79, r.o. 2.8). Voor zover het middel erover klaagt dat uit de beslissing van het hof niet blijkt dat het hof toepassing heeft gegeven aan dit mildere sanctieregime, is het terecht voorgesteld. 25-03-2014
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:2001, m.bt. het verwerven en voorhanden hebben van voorwerpen verkregen uit eigen misdrijf. In die gevallen waarin sprake is van voorwerpen die ‘middellijk’ afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf doordat direct uit misdrijf afkomstige voorwerpen nadien zijn omgezet in andere voorwerpen, doet zich niet de in ECLI:NL:HR:2013:2001 bedoelde situatie voor waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daardoor de uit dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Dat brengt mee dat er in beginsel geen grond is de in ECLI:NL:HR:2013:2001 bedoelde rechtsregels ook toe te passen op dergelijke gevallen, nu het automatisme dat deze rechtsregels beogen tegen te gaan, zich in die gevallen niet voordoet. Uit ’s hofs bewijsvoering kan worden afgeleid dat genoemde voorwerpen en banktegoeden niet ‘onmiddellijk’ afkomstig zijn uit het ten laste van verdachte onder 1 bewezenverklaarde misdrijf, zodat het hof de gedragingen van de verdachte m.b.t. die voorwerpen terecht en zonder tot motivering gehouden te zijn heeft gekwalificeerd als witwassen. 25-03-2014
- Hoge Raad De weergegeven tenlastelegging en bewezenverklaring onder 3 houden het verwijt in dat de verdachte wapens als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 2º, WWM voorhanden heeft gehad. Aangezien niet is tenlastegelegd en dienovereenkomstig evenmin is bewezenverklaard dat de in die bewezenverklaring genoemde wapens ‘geschikt zijn om projectielen af te schieten’, als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 2º, WWM, doch enkel is tenlastegelegd en bewezenverklaard dat de verdachte ‘middelen en een toestel bestemd voor beroepsdoeleinden’ voorhanden heeft gehad, heeft het hof het onder 3 bewezenverklaarde ten onrechte gekwalificeerd als het ‘handelen in strijd met art. 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd’. 25-03-2014
- Hoge Raad In aanmerking genomen dat de verdachte ten tijde van de uitspraak in hoger beroep meerderjarig was, had het hof op grond van artikel 77aa lid 4 Sr slechts een reclasseringsinstelling als bedoeld in artikel 14d lid 2 Sr opdracht kunnen verlenen toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarde en de verdachte daarbij hulp en steun te verlenen. De Hoge Raad zal de bestreden uitspraak vernietigen wat betreft de strafoplegging 25-03-2014
- Hoge Raad Het middel klaagt dat de toegang tot Nederland die voorafgaat aan het doen van een asielaanvraag, ook indien de vreemdeling die asiel wenst aan te vragen bij die toegang niet in het bezit is van een geldig grensoverschrijdingsdocument, rechtmatig is. De aan die klacht ten grondslag liggende opvatting is onjuist. Ingevolge artikel 8, aanhef en onder f en h, Vw is een vreemdeling gerechtigd om in afwachting van een beslissing op een asielaanvraag in Nederland te verblijven. Zodanig recht reikt niet zo ver dat het de wederrechtelijkheid van de toegang tot het land doet vervallen. 25-03-2014
- Hoge Raad Het hof heeft miskend dat aan de rechtmatigheid van de aanhouding – en dus aan de rechtmatigheid van de uitoefening van de bediening – niet in de weg staat dat het opsporingsonderzoek naar het op heterdaad ontdekte feit, achteraf bezien, onvolledig of gebrekkig is geweest, zoals een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit ook kan hebben bestaan indien bij nader onderzoek mocht blijken dat iemand het feit waarvan hij is verdacht niet heeft begaan of dat feit niet een volgens de wet strafbaar feit oplevert (vgl. HR 3 maart 1987, ECLI:NL:HR:1987:AB8324, NJ 1987/851). Het middel is derhalve terecht voorgesteld. 25-03-2014