Update
Geachte heer/mevrouw,
Rechtspraak
De afgelopen weken is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs.
Goudsnip-zaken: informanten en het tallon-criterium (SR 2014-0127)
De onderhavige zaak is de zesde in de reeks van de zogenoemde ‘Goudsnip-zaken’. In deze zaken ging het om zes personen die verdacht werden van bezit, transport en handelen in vals geld. Een door de CIE gerunde informant had diverse malen bij een van de verdachten geïnformeerd hoe hij aan vals geld kon komen. Die verdachte heeft vervolgens de medeverdachten benaderd. De doorgespeelde informatie van de CIE-informant over een op handen zijnde valsgeldtransactie was aanleiding voor aanhouding van de verdachten. In de andere zaken is door de Hoge Raad reeds in 2010 en 2011 uitspraak gedaan. In alle zaken, waaronder de onderhavige, heeft het hof het OM niet-ontvankelijk verklaard. Het hof is van oordeel dat er sprake is van een grove veronachtzaming van de belangen van verdachte waardoor tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijke behandeling, vanwege de omstandigheden dat:
(1) tegen betaling een CIE-informant was ingezet die betrokken was bij de overdracht van vals geld;
(2) verdachte door hem is uitgelokt tot het plegen van strafbare feiten;
(3) de CIE e.e.a. onvoldoende heeft onderzocht, en;
(4) het OM onvoldoende controle heeft uitgeoefend op de aangewende opsporingsmethoden.
In vijf van de zes zaken vernietigt de Hoge Raad de bestreden uitspraak. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het hof niet heeft vastgesteld dat de verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel een persoon voor wiens handelen de politie of het OM verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van de strafbare feiten waarvoor hij wordt vervolgd. Tevens merkt de Hoge Raad op dat de sanctie van niet-ontvankelijkheid niet is bedoeld om de ernst van de situatie te willen laten doordringen bij het OM en de CIE. In de onderhavige zaak is sprake van dezelfde problematiek en ook hier behield het OM zijn vervolgingsrecht. Enkel in de zaak van 29 juni 2010, NJ 2010, 440 m.nt. Schalken, bleef de niet-ontvankelijkheid van het OM in stand. Het betrof hier de verdachte die direct door de CIE-informant was benaderd. Op grond van, voornamelijk, twee argumenten (veronachtzaming van het individuele belang van de verdachte en van het publieke belang inzake handhaving van een integere overheid) werd het OM zijn vervolgingsrecht in deze zaak wel ontzegd. De onderhavige zaak van 18 maart 2014 geeft geen ander licht op deze zaken of een andere uitleg over het inzetten van informanten en/of schending van het tallon-criterium.
Cassatie in het belang der wet, uitleg inzake overleveringswet (SR 2014-0128)
Het middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat artikel 6, vijfde lid, van de Overleveringswet (hierna: OLW) buiten toepassing moet blijven voor zover daarin de voorwaarde van rechtsmacht wordt gesteld. De rechtbank heeft de overlevering van de in casu opgeëiste persoon aan Polen geweigerd en daartoe overwogen dat tussen Nederland en de uitvaardigende lidstaat niet een verdrag als bedoeld in artikel 6 lid 3 OLW van kracht is op grond waarvan Nederland de tenuitvoerlegging van het vonnis kan overnemen. Dat brengt mee dat - anders dan zou gelden wanneer de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit zou hebben - het niet mogelijk is de door de Poolse rechter aan de opgeëiste persoon opgelegde gevangenisstraf overeenkomstig artikel 6 lid 2 en 6 lid 3 OLW in Nederland ten uitvoer te leggen. Dit, in samenhang met de omstandigheid dat in geval van niet-overlevering aan Polen de opgeëiste persoon niet alsnog in Nederland kan worden vervolgd voor het misdrijf waarvoor hij in Polen is veroordeeld, terwijl een Nederlander in een dergelijk geval op grond van artikel 5 Wetboek van Strafrecht wel alsnog hier te lande vervolgd kan worden. Het middel slaagt. In het onderhavige geval is een redelijke en objectieve rechtvaardiging voor de door de rechtbank aangenomen ongelijke behandeling.
Hoofdelijke aansprakelijkheid betalingsverplichting, sanctierecht (SR 2014-0129 & SR 2014-0130)
Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft bepaald dat de betrokkene hoofdelijk aansprakelijk is voor de gezamenlijke betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, althans dat het hof die beslissing niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed. Het zevende lid van artikel 36e Wetboek van Strafrecht is in 2011 gewijzigd. Bij het opleggen van een verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 36e, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafrecht, kan de rechter ingevolge het zevende lid van dat artikel, indien het gaat om strafbare feiten die door twee of meer personen zijn gepleegd en die personen voor die feiten zijn veroordeeld, bepalen dat deze hoofdelijk dan wel voor een door hem te bepalen deel aansprakelijk zijn voor de gezamenlijke betalingsverplichting. Artikel 36e, zevende lid, Wetboek van Strafrecht houdt in zoverre een wijziging in van wetgeving ten aanzien van de toepasselijke regels van sanctierecht. In een dergelijk geval dient door de rechter op grond van artikel 1, tweede lid, Wetboek van Strafrecht bij verandering van wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan, de voor de betrokkene gunstigste bepalingen te worden toegepast. Het hof heeft geoordeeld dat ‘deze wetsbepaling niet valt onder artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht nu het geen materiële (extra) sanctie betreft maar louter een executiemodaliteit en derhalve direct toegepast kan worden’. Het middel klaagt daarover terecht.
Herstelmogelijkheid maatstaf afwijzen getuigen (SR 2014-0131)
Het middel klaagt blijkens de toelichting over de door het hof bij tussenarrest gegeven beslissing tot afwijzing van het door de verdediging gedane verzoek tot het horen van bepaalde getuigen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof bij de afwijzing een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd. Niet het noodzakelijkheidscriterium van artikel 315 Wetboek van Strafvordering, maar de gronden zoals opgenomen in artikel 288, eerste lid, Wetboek van Strafvordering hadden als voorziene maatstaf gehanteerd moeten worden. Opmerking verdient dat wanneer gedurende een eerdere terechtzitting of bij tussenarrest een verzoek van een procespartij is afgewezen en de rechter nadien constateert dat aan die afwijzing een gebrek kleeft ten aanzien van bijvoorbeeld de daarin gehanteerde beoordelingsmaatstaf, de rechter dit gebrek zal kunnen herstellen door op de latere terechtzitting het verzoek ambtshalve opnieuw aan de orde te stellen en - indien de desbetreffende procespartij het verzoek handhaaft - daarover opnieuw te beslissen aan de hand van de ten tijde van die eerdere terechtzitting geldende beoordelingsmaatstaf doch met inachtneming van alle gegevens die hem ten tijde van het nemen van zijn beslissing bekend zijn. Met deze herstelmogelijkheid wordt de kwaliteit van de gedingvoering bevorderd en wordt ook voorkomen dat een strafzaak wordt behandeld en afgerond, terwijl ten tijde van die behandeling en afronding reeds vaststaat dat een eerder in die zaak gegeven beslissing lijdt aan een gebrek dat grond zou kunnen bieden aan bijvoorbeeld een cassatieklacht. De Hoge Raad herhaalt de relevante overwegingen uit HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2056.
SR Talk Sessie
Graag wijs ik u op de SR-Talk sessie van 17 april 2014, waarin de actuele jurisprudentie wordt besproken. Klik hier voor meer informatie.
Weinig tijd maar toch up to date blijven?
Volg de online jurisprudentiebespreking Strafrecht, inclusief PO-punten. In één uur tijd en op hoog niveau wordt u door prof. Paul Mevis, dr. Joost Nan of mr. Joost Verbaan bijgepraat over de laatste ontwikkelingen binnen het strafrecht. U kunt daarbij denken aan jurisprudentie, wetsvoorstellen of belangwekkende tijdschriftartikelen.
Data: 17-4, 5-6, 3-7, 4-9, 30-10, 11-12
Tijd: 17:00 tot 18:00 uur
Kosten: € 69 excl. btw per sessie (1 PO-punt)
Meer informatie en inschrijven: www.lawatweb.nl
Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar sr-updates@budh.nl.
Veel leesplezier.
Met vriendelijke groet,
B.A. Salverda
Redacteur SR Updates
Hoge Raad
- Hoge Raad Hetgeen door en namens de verdachte ten verwere is aangevoerd houdt in dat het deel van de Oudebrugsteeg dat de verdachte gaande vanaf het Damrak in de richting van de Spuistraat is ingelopen niet in het gebied lag waar de verdachte niet mocht komen. In aanmerking genomen dat de Oudebrugsteeg, gelet op de begrenzingen van het dealeroverlastgebied 1.1 zoals dat blijkt uit de zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindende plattegrond van het verboden gebied (weergegeven in de conclusie van de A-G onder 8), deels binnen en deels buiten het verboden gebied valt en uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen niet met voldoende duidelijkheid is op te maken welk deel van de Oudebrugsteeg de verdachte is ingelopen, is het oordeel van het hof dat de verdachte zich ‘vanaf het Damrak in het voor hem verboden gebied heeft begeven’ niet zonder meer begrijpelijk. Het middel is terecht voorgesteld. 18-03-2014
- Hoge Raad Blijkens zijn weergegeven overweging heeft het hof bij de verwerping van het verweer tot uitgangspunt genomen dat sprake was van een onrechtmatige aanhouding van de verdachte. Voorts heeft het hof geoordeeld dat die onrechtmatige aanhouding ‘geen invloed [had] op het bewijsmateriaal met betrekking tot het onder 2 aan verdachte tenlastegelegde’. Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk. Het voorgestelde middel slaagt. 18-03-2014
- Hoge Raad In een geval waarin in de appèlschriftuur als bedoeld in artikel 410 lid 1 Sv een opgave van getuigen wordt gedaan, dient de rechter, gelet op artikel 418 lid 1 Sv, behoudens de zich hier niet voordoende uitzondering van artikel 418 lid 2 Sv, de in artikel 288 lid 1 Sv voorziene maatstaf te hanteren. Voor het onderhavige geval betekent dit dat het hof onder ogen had te zien of redelijkerwijs valt aan te nemen dat door het afzien van de oproeping van [betrokkene 2] als getuige de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad. Het hof, dat het verzoek heeft afgewezen omdat het horen van [betrokkene 2] als getuige niet noodzakelijk heeft geacht, heeft dus bij de afwijzing van dat verzoek een onjuiste maatstaf gehanteerd. Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld. 18-03-2014
- Hoge Raad De door het hof gevolgde werkwijze voldoet aan de eisen die door de Hoge Raad zijn gesteld. Voor zover het middel klaagt dat de voor het bewijs gebezigde processen-verbaal enkel de conclusies bevatten van de verbalisanten die de desbetreffende rapportages hebben opgemaakt, maar niet de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden, is het tevergeefs voorgesteld. De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is toereikend gemotiveerd. Artikel 36e lid 7 Sr houdt een wijziging van wetgeving in ten aanzien van de toepasselijke regels van sanctierecht. Op grond van artikel 1 lid 2 Sr dient bij verandering van wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan, de voor de betrokkene gunstigste bepalingen te worden toegepast. ’s Hofs oordeel dat ‘deze wetsbepaling niet valt onder artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht nu het geen materiële (extra) sanctie betreft maar louter een executiemodaliteit en derhalve direct toegepast kan worden’, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. 18-03-2014
- Hoge Raad ‘s Hofs overwegingen komen daarop neer dat in dit geval geen sprake is geweest van een doorzoeking, nu, voor zover hier van belang, slechts een niet-afgesloten roldeur van een koelruimte in de bedrijfshal is geopend, welke deur toegang gaf tot die in het pand aanwezige ruimte met een afmeting van ongeveer vijf bij zes meter, en vervolgens deze ruimte is betreden. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste opvatting, nu de bevoegdheid tot het binnentreden in een perceel omvat de bevoegdheid om zich de doorgang in dat perceel te verschaffen 18-03-2014
- Hoge Raad De enkele door het hof in aanmerking genomen omstandigheid dat de verdachte het slachtoffer een harde duw heeft gegeven ten gevolge waarvan zij ten val kwam, vormt onvoldoende grond voor het oordeel dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou bekomen. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld. 18-03-2014
- Hoge Raad De Hoge Raad wijst voorts op de herstelmogelijkheid als bedoeld in ECLI:NL:HR:2013:2056. Artikel 36e lid 7 Sr houdt een wijziging van wetgeving in ten aanzien van de toepasselijke regels van sanctierecht. Op grond van artikel 1 lid 2 Sr dient bij verandering van wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan, de voor de betrokkene gunstigste bepalingen te worden toegepast. ’s Hofs oordeel dat ‘deze wetsbepaling niet valt onder artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht nu het geen materiële (extra) sanctie betreft maar louter een executiemodaliteit en derhalve direct toegepast kan worden’, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. 18-03-2014
- Hoge Raad Bij gebreke van een bewezenverklaring is de rechter in het kader van het beslissingsschema van artikel 350 Sv dus niet toegekomen aan de vraag of sprake was van een strafbaar feit. Nu de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen is bevolen maar de bestreden uitspraak niets inhoudt omtrent de vaststelling van enig strafbaar feit, is niet voldaan aan het vereiste van artikel 36b lid 1 aanhef onder sub 3 Sr. 18-03-2014
- Hoge Raad De bestreden uitspraak is niet naar de eis der wet met redenen omkleed aangezien de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte door met hoge snelheid op [betrokkene] in te rijden ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk [betrokkene] van het leven te beroven, niet zonder meer kan worden afgeleid uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen. 18-03-2014
- Hoge Raad Tallon-criterium. 's Hofs oordeel dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat aan verdachtes recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan, is niet begrijpelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het hof niet heeft vastgesteld dat verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel een persoon voor wiens handelen de politie of het Openbaar Ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van de strafbare feiten waarvoor hij wordt vervolgd. 18-03-2014
- Hoge Raad Uit de onder 2.3 weergegeven stukken valt af te leiden dat van de verdachte ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding in hoger beroep niet een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland maar wel een adres in het buitenland bekend was. Noch de hierboven genoemde akte uitreiking, noch enig ander gedingstuk houdt in dat de dagvaarding in hoger beroep naar voornoemd adres van de verdachte in het buitenland is verzonden. Daaruit volgt dat de dagvaarding in hoger beroep niet is betekend overeenkomstig artikel 588 lid 2 Sv. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend, is derhalve onjuist. 18-03-2014
- Hoge Raad Noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch het bestreden arrest houdt een beslissing van het hof in op het verzoek [betrokkene 1] als getuige te horen. Dat verzuim heeft ingevolge artikel 330 Sv in verbinding met artikel 415 Sv nietigheid tot gevolg. Het middel slaagt. 18-03-2014
- Hoge Raad In aanmerking genomen dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet zonder meer kan worden afgeleid dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de bromfiets in die mate is tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht dat hij met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld, is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed. 18-03-2014
- Hoge Raad De dagvaarding in hoger beroep is niet betekend overeenkomstig artikel 588 lid 2 Sv. De enkele omstandigheid dat verdachte volgens zijn opgave niet meer op het adres in het buitenland woonde vanwege zijn werk in Afghanistan, doet aan dat oordeel niet af. 18-03-2014
- Hoge Raad De betekening van de dagvaarding in hoger beroep heeft niet aan de verdachte in persoon, maar aan een ander die zich op voorgenoemd adres bevond plaatsgevonden. Diegene had zich bereid verklaard de brief in ontvangst te nemen en onverwijld aan de verdachte te doen toekomen. 18-03-2014
- Hoge Raad Het kennelijke oordeel van het hof dat uit de onder 2.2.2 sub (ii) en (iii) genoemde stukken niet kan blijken dat de verdachte zich in hoger beroep van rechtsbijstand door mr. Silvis had voorzien en het voorschrift van artikel 51 Sv in het onderhavige geval niet van toepassing is, geeft, gelet op hetgeen onder 2.5 is overwogen, ofwel blijk van een onjuiste rechtsopvatting ofwel is niet begrijpelijk. De middelen zijn terecht voorgesteld. 18-03-2014
- Hoge Raad ’s Hofs oordeel dat het verweer dat bij het getuigenverhoor van getuige X opzettelijk op ambtseed een onjuist proces-verbaal is opgemaakt door daarin een deel van de verklaringen van de getuige onjuist en in voor verdachte belastende zin weer te geven, moet worden verworpen omdat aan voornoemd vereiste niet is voldaan, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, zoals het hof heeft overwogen, de verdediging door de beschikbaarheid van geluidsopnamen van de verhoren op de onjuiste weergave heeft kunnen wijzen en – zoals het hof niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld – het verzuim is hersteld doordat de A-G bij het hof een aanvullend proces-verbaal heeft doen opmaken waarin een juiste weergave van de verklaring van de getuige is gerelateerd. De klacht dat het hof heeft verzuimd te beslissen op het verweer dat het opgemaakte proces-verbaal van het getuigenverhoor van Y niet een correcte zakelijke weergave bevat en deels in strijd met de waarheid is, is terecht voorgesteld, maar behoeft niet tot cassatie te leiden, omdat het hof het verweer slechts had kunnen verwerpen. Het aangevoerde levert niet een bijzonder geval als voornoemd op. 18-03-2014
- Hoge Raad Cassatie in het belang der wet. De rechtbank heeft de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen geweigerd en daartoe overwogen dat tussen Nederland en de uitvaardigende lidstaat niet een verdrag als bedoeld in artikel 6.3 OLW van kracht is op grond waarvan Nederland de tenuitvoerlegging van het vonnis kan overnemen. Dat brengt mee dat – anders dan zou gelden wanneer de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit zou hebben – het niet mogelijk is de door de Poolse rechter aan de opgeëiste persoon opgelegde gevangenisstraf overeenkomstig artikel 6.2 en 6.3 OLW in Nederland ten uitvoer te leggen. In samenhang met de omstandigheid dat in geval van niet-overlevering aan Polen de opgeëiste persoon niet alsnog in Nederland kan worden vervolgd voor het misdrijf waarvoor hij in Polen is veroordeeld, terwijl een Nederlander in zo een geval op grond van artikel 5 Sr wel alsnog hier te lande vervolgd kan worden, bestaat reeds daarom in het onderhavige geval een redelijke en objectieve rechtvaardiging voor de door de rechtbank aangenomen ongelijke behandeling. 18-03-2014
- Hoge Raad Aan een met de toenmalige wettelijke regeling strijdige en dus rechtens onjuiste mededeling van de Dienst Wegverkeer, welke eerst is gedaan nadat de aanvrager zijn verzekeringsplicht had verzaakt, kon aanvrager niet het in rechte te honoreren vertrouwen verlenen dat hij ten tijde van het bewezenverklaarde niet verzekeringsplichtig was. De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af. 18-03-2014