Update
Geachte heer/mevrouw,
Rechtspraak
De afgelopen weken is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs:
Het enkele hebben van antecedenten levert nog geen ernstige bezwaren op in de zin van artikel 9 van de Opiumwet (SR 2014-0019)
De verdediging klaagt over het op ontoereikende gronden verwerpen van het hof van een verweer strekkende tot bewijsuitsluiting. Ten laste van de verdachte is diefstal met braak bewezenverklaard. De verdediging klaagde bij het hof dat sprake was van onrechtmatige staandehouding van verdachte aangezien een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit ontbrak. Dat is een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a dat niet meer kan worden hersteld. De staandehouding heeft geleid tot het kijken in de kofferbak, waarbij een hoeveelheid snoepgoed is aangetroffen en tot onrechtmatige fouillering van de verdachte, bij wie gereedschap en een bivakmuts is aangetroffen. Het hof achtte, gelet op de feiten en omstandigheden die door verbalisanten zijn weergegeven, dat rechtmatig gebruik is gemaakt van de bevoegdheid tot staandehouden. Het hof stelde vervolgens vast dat opsporingsambtenaren in verband met de antecedenten van verdachte op het gebied van de Opiumwet mocht worden overgegaan tot onderzoek aan de kleding van verdachte. De Hoge Raad geeft aan dat het enkele hebben van antecedenten geen ernstige bezwaren bedoeld in artikel 9, tweede lid Opiumwet meebrengt. De klacht wordt derhalve gegrond maar leidt niet tot cassatie aangezien de schending van het bepaalde in artikel 8 EVRM geen schending op het recht op een eerlijk proces hoeft mee te brengen. Uit de vaststelling van de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de staandehouding leidt de Hoge Raad af dat indien niet was uitgegaan van ernstige bezwaren in de zin van de Opiumwet voldoende ernstige bezwaren hadden kunnen worden aangenomen om tot onderzoek aan de kleding van verdachte over te gaan. Voor bewijsuitsluiting is dan ook geen plaats.
Gehanteerde maatstaf beoordeling verzoeken van procespartijen tijdens regiezitting geldt ook als beslissing nogmaals wordt beoordeeld met inachtneming van alle beschikbare gegevens. Niet handelen volgens Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik hoeft niet te leiden tot niet-ontvankelijkheid (SR 2014-0020)
De verdediging klaagt namens verdachte ten aanzien van wie seksuele gemeenschap met een persoon beneden de 12 jaren bewezenverklaard is, onder meer over het door het hof afgewezen verzoek om twee personen als getuigen te horen en over het verwerpen van het verweer tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wegens het niet handelen conform de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik. Ten aanzien van het niet oproepen van de getuigen heeft het hof op de regiezitting van 21 december 2010 die verzoeken afgewezen op grond van het feit dat verzoeken onvoldoende onderbouwd zijn in het licht van de bewezenverklaring en de eigen verklaring van de verdachte. Het hof heeft op de zitting van 1 december 2011 niets opgemerkt over het al dan niet horen van die getuigen. De Hoge Raad merkt op dat de maatstaf voor beslissingen op een 'regiezitting', indien die zitting wordt benut om, vooruitlopend op de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep, beslissingen te nemen die van belang zijn voor de omvang en inrichting van die inhoudelijke behandeling de geldende maatstaf vormt. Het voorbereidende karakter van een dergelijke zitting brengt mee dat zich gevallen kunnen voordoen waarin de rechter het weliswaar niet nodig acht de beslissing op een verzoek van een procespartij tot het horen van een getuige aan te houden (vgl. HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9346), maar hij in de motivering van zijn afwijzende beslissing van dat verzoek niettemin tot uitdrukking brengt dat pas bij de inhoudelijke behandeling van de zaak de voor de beoordeling van dat verzoek relevante belangen in hun volle omvang – en met toepassing van de ten tijde van de regiezitting geldende beoordelingsmaatstaf – gewogen kunnen worden. Indien die procespartij het in een dergelijk geval wenselijk acht dat de desbetreffende getuige alsnog wordt gehoord, zal hij die wens voorafgaand aan of tijdens die inhoudelijke behandeling kenbaar moeten maken door een daartoe strekkend, gemotiveerd verzoek te doen. Nu de verdediging haar verzoek bij de inhoudelijke behandeling niet meer naar voren heeft gebracht, bestond geen aanleiding te beoordelen of het verzoek alsnog voor toewijzing in aanmerking kwam. De Hoge Raad merkt nog op dat, wanneer gedurende een eerdere terechtzitting een verzoek van een procespartij is afgewezen en de rechter nadien constateert dat aan die afwijzing een gebrek kleeft ten aanzien van bijvoorbeeld de daarin gehanteerde beoordelingsmaatstaf, de rechter dit gebrek zal kunnen herstellen door op de latere terechtzitting het verzoek ambtshalve opnieuw aan de orde te stellen en – indien het verzoek wordt gehandhaafd – daarover opnieuw te beslissen aan de hand van de ten tijde van die eerdere terechtzitting geldende beoordelingsmaatstaf doch met inachtneming van alle gegevens die hem ten tijde van het nemen van zijn beslissing bekend zijn. Ten aanzien van het niet-naleven van de Aanwijzing heeft het hof opgemerkt dat dit niet een zodanig ernstig verzuim oplevert dat dit moet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De Hoge Raad acht dat oordeel van het hof niet onbegrijpelijk gelet op hetgeen is aangevoerd en het oordeel getuigt ook niet van een onjuiste rechtsopvatting.
Camerabeelden van ongeregeldheden tijdens en na FC Utrecht- FC Twente onrechtmatig bewijs? (SR 2013-0009)
De verdachte, veroordeeld wegens openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen, klaagt over het verwerpen van het verweer over het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal. Het hof heeft geoordeeld dat artikel 2 van de Politiewet 1993 in samenhang met het bepaalde in artikel 141 en 142 Sv een toereikende grondslag biedt voor het tonen van beelden op het internet. De politie heeft om de identiteit van personen die bij ongeregeldheden betrokken waren vast te stellen beelden op politie.nl geplaatst. Het hof overweegt daarbij dat de gebruikte methode van opsporing proportioneel was, dat oproepen in de pers aan verdachte(n) om zich te melden hebben geen effect gehad, dat zich voorts geen getuigen hebben gemeld en er kennelijk geen andere manieren bestonden om de verdachten te identificeren. De Hoge Raad stelt vast dat het oordeel van het hof dat artikel 2 Politiewet 1993 in samenhang met de artikelen 141 en 142 als wettelijk basis kan dienen, juist is. En dat in de gegeven omstandigheden het tonen van de camerabeelden van de verdachte op internet niet strijdig is met beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Vervolging door het Openbaar Ministerie wegens stropen hout opportuun? (SR 2014-0003)
De verdediging klaagt over het vervolgen door het Openbaar Ministerie van verdachte wegens diefstal van hout. Verdachte heeft een bedrag van 44 euro als schadevergoeding geweigerd te betalen aangezien hij het hout niet heeft meegenomen. De A-G had in hoger beroep al gevorderd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zou worden verklaard omdat de zaak anders had moeten worden afgedaan dan door het aanbieden van een transactie. Het hof overwoog dat de officier van justitie tot de beslissing tot vervolging kon en mocht komen. Dat verdachte heeft verklaard dat hij in de veronderstelling verkeerde dat het om afvalhout ging en dat hij het hout weer heeft uitgeladen, maakt dit niet anders. Het hof stelt daarbij vast dat verdachte het transactiebedrag niet heeft betaald. Dat kon en mocht voor de officier van justitie aanleiding zijn om alsnog tot vervolging van diefstal dan wel poging tot diefstal over te gaan. De Hoge Raad overweegt dat artikel 167, eerste lid, Sv het Openbaar Ministerie de bevoegdheid toekent zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging. Indien een rechter op deze grond tot het oordeel komt dat sprake is van een uitzonderlijk geval waarin het Openbaar Ministerie om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, gelden voor deze beslissing zware motiveringseisen (vgl. ECLI:NL:HR:2012:BX4280).
De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn oordeel dat de officier van justitie tot de beslissing ’kon en mocht’ komen om verdachte een transactie aan te bieden alsmede dat de omstandigheid dat het transactiebedrag niet was betaald vervolgens aanleiding ‘kon en mocht’ zijn om alsnog over te gaan tot vervolging ter zake van diefstal dan wel poging tot diefstal, niet toereikend heeft gemotiveerd, in aanmerking genomen dat ter terechtzitting in hoger beroep door de Advocaat-Generaal bij het hof is verklaard dat het Openbaar Ministerie de zaak op een andere manier had moeten afdoen.
SR Talk Sessie:
Graag wijs ik u op de SR-Talk sessie van 30 januari 2014, waarin de actuele jurisprudentie wordt besproken. De link is te vinden op deze site.
Weinig tijd maar toch up-to-date blijven?
Volg de online jurisprudentiebespreking Strafrecht, incl. PO-punten
In één uur tijd en op hoog niveau wordt u elke 6 weken door prof. Paul Mevis, dr. Joost Nan of mr. Joost Verbaan bijgepraat over de laatste ontwikkelingen binnen het strafrecht.
U kunt daarbij denken aan jurisprudentie, wetsvoorstellen of belangwekkende tijdschriftartikelen.
Data: 30-1, 6-3, 17-4, 5-6, 3-7, 4-9, 30-10, 11-12. Tijd: 17:00 tot 18:00 uur
Kosten: € 69,- excl. btw per sessie (1 PO-punt )
Meer informatie en inschrijven
www.lawatweb.nl
Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar sr-updates@budh.nl.
Veel leesplezier.
Met vriendelijke groet,
J.H.J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates
Hoge Raad
- Hoge Raad Instelling hoger beroep door een advocaat d.m.v. een bijzondere schriftelijke volmacht aan een griffiemedewerker. De Hoge Raad herhaalt de toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2009:BJ7810, ECLI:NL:HR:2012:BV6999 en ECLI:NL:HR:2013:BY8357 m.b.t. de eisen die worden gesteld aan een dergelijke volmacht en de ratio van die eisen. Het middel klaagt terecht dat het hof hetgeen in die arresten is bepaald heeft miskend, nu uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat verdachte en zijn raadsman op die terechtzitting zijn verschenen en het aldaar verhandelde bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan dat aan de verlening van de (onvolkomen) volmacht de wens van verdachte ten grondslag lag om (op rechtsgeldige wijze) hoger beroep te doen instellen. 07-01-2014
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2010:BL2823 m.b.t. de aan te leggen maatstaf. Uit de overwegingen van de rechtbank blijkt niet dat zij de van toepassing zijnde maatstaf heeft gehanteerd. De toe te passen maatstaf sluit niet uit dat de rechtbank, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van prop. en subs. Aan de omstandigheid dat de zaak tegen de klagers ‘al 5 maanden lijkt stil te liggen en sprake is van inbreuk op het eigendomsrecht’, kan evenwel niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat voortzetting van het beslag niet in overeenstemming is met die eisen en de beslagen moeten worden opgeheven. Ook in zoverre is het oordeel niet toereikend gemotiveerd. 07-01-2014
- Hoge Raad Aangezien ’s hofs kennelijke oordeel dat verdachte ‘op de hoogte is geweest van het in zijn auto aangetroffen geldbedrag’ niet zonder meer uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid, is de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed. 07-01-2014
- Hoge Raad Op grond van de inhoud van de brief van een van de raadsheren die het arrest heeft gewezen, moet het ervoor worden gehouden dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van de samenstelling van het hof een misslag bevat. De Hoge Raad leest het proces-verbaal met verbetering van die misslag. 07-01-2014
- Hoge Raad Slagende bewijsklacht met betrekking tot het opzet en medeplegen. 07-01-2014
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:150. Aangezien uit ’s hofs motivering niet kan worden afgeleid dat sprake is van meer dan het enkel verwerven en voorhanden hebben van geldbedragen doordat de gedragingen van verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen, is ’s hofs oordeel dat het feit als gewoontewitwassen kan worden gekwalificeerd ontoereikend gemotiveerd. 07-01-2014
- Hoge Raad De vaststelling dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 21 maart 2012 ‘al eens onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit’, is niet zonder meer begrijpelijk aangezien voormeld uittreksel justitiële documentatie daarvoor geen steun biedt. De strafoplegging is daarom ontoereikend gemotiveerd. 07-01-2014
- Hoge Raad De bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat verdachte opzettelijk het goed wederrechtelijk zich heeft toegeëigend, kan, mede in het licht van hetgeen namens verdachte is aangevoerd, niet zonder meer uit de inhoud van ‘s hofs bewijsvoering worden afgeleid. 07-01-2014
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:1989:ZC8253. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte 1,5 jaar na het ‘lenen’ van de geldbedragen het geld nog niet had teruggegeven ondanks zijn toezegging het geld binnen 1,5 uur respectievelijk dezelfde dag terug te brengen. Gelet hierop alsmede gelet op de omstandigheden waaronder verdachte het geld heeft geleend, heeft het hof kennelijk afgeleid dat verdachte als heer en meester heeft beschikt over de geldbedragen. ’s Hofs oordeel dat verdachte zich aldus de bedragen wederrechtelijk heeft toegeëigend geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Conclusie A-G: anders. 07-01-2014
- Hoge Raad De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af. 07-01-2014
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2012:BX4280. Het hof heeft zijn oordeel dat de OvJ ‘kon en mocht’ komen tot de beslissing de verdachte een transactie aan te bieden alsmede dat de omstandigheid dat het transactiebedrag niet was betaald vervolgens aanleiding ‘kon en mocht’ zijn om alsnog over te gaan tot vervolging ter zake van diefstal dan wel poging tot diefstal, niet toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat ter terechtzitting in hoger beroep door de A-G bij het hof is verklaard dat het OM de zaak op een andere manier had moeten afdoen, op grond waarvan is verzocht het OM niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. Het kennelijke oordeel van het hof dat zich niet de in voornoemd arrest bedoelde situatie voordoet, is niet zonder meer begrijpelijk. 07-01-2014
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:963. Het hof heeft zijn oordeel, gelet op hetgeen in genoemd arrest is vooropgesteld met betrekking tot mogelijke contra-indicaties, ontoereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat het hof kennelijk heeft geoordeeld dat de gelegenheid voor verdachte om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en om zich daarvan rekenschap te geven, zich in het bijzonder voordeed ‘gedurende het tijdsbestek dat hij zijn auto tot stilstand bracht op de Sint Ludwinastraat (nadat hij kennelijk de aanwezigheid van X in het park had opgemerkt) en het moment dat hij X aanreed’, terwijl verdachte in datzelfde korte tijdsbestek eerst ‘vol in de remmen ging’, vervolgens ‘vol gas achteruit ging’ en daarna ‘heel hard door het park’ reed. 07-01-2014
- Hoge Raad Hetgeen het hof heeft vastgesteld – waarbij het hof verdachtes antecedenten op het gebied van de Opiumwet heeft genoemd – brengt mee dat de verbalisanten tot het instellen van het onderzoek aan de kleding op grond van artikel 9 lid 2 Ow niet bevoegd waren. Het enkele hebben van antecedenten ter zake levert immers nog geen ernstige bezwaren in de zin van voornoemde bepaling op die tot onderzoek aan de kleding van verdachte kon leiden, ook niet in combinatie met de overige vastgestelde feiten en onderzoek. Dit behoeft niet tot cassatie te leiden, nu uit de vaststellingen van het hof onmiskenbaar kan worden afgeleid dat de verbalisanten ten aanzien van verdachte voldoende ernstige bezwaren hadden kunnen aannemen ter zake van zijn betrokkenheid bij woninginbraken, indien zij niet waren uitgegaan van het bestaan van ernstige bezwaren op grond van de Opiumwet. De enkele omstandigheid dat het onderzoek aan de kleding van verdachte heeft plaatsgevonden toen hij te dier zake nog niet was aangehouden en aan dit in artikel 56 Sv gestelde vereiste nog niet was voldaan, kan niet worden aangemerkt als een verzuim waardoor een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Voor bewijsuitsluiting is dan geen plaats. 07-01-2014
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:963. Het hof heeft zijn oordeel, gelet op hetgeen in genoemd arrest is vooropgesteld met betrekking tot mogelijke contra-indicaties, ontoereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat het hof kennelijk heeft geoordeeld dat de gelegenheid voor verdachte om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en om zich daarvan rekenschap te geven, zich direct na een woordenwisseling tussen het latere slachtoffer en verdachte in het bijzonder voordeed ‘in het tijdsbestek nadat hij zijn pistool had doorgeladen, ongeveer één meter in de richting van X liep en hij zijn pistool richtte op X’. 07-01-2014
- Hoge Raad Nu uit de gebezigde bewijsvoering niet méér kan worden afgeleid dan dat in de auto een plastic tas met geld is aangetroffen, is de bewezenverklaring wat betreft het ‘verhullen’ van de herkomst van het geldbedrag, mede gelet op de wetsgeschiedenis, niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Opmerking verdient dat de o.m. uit ECLI:NL:HR:2013:BX6909 voortvloeiende rechtsregels slechts betrekking hebben op het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf (vgl. ECLI:NL:HR:2013:2002). 07-01-2014
- Hoge Raad Nu in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat een proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank niet is opgemaakt, kan niet worden vastgesteld of de dag van de uitspraak op die terrechtzitting is bekendgemaakt. Het proces-verbaal van de terechtzitting is in beroep de enige kenbron voor de ter terechtzitting in acht genomen vormen (ECLI:NL:HR:2005:AU1993). Anders dan het hof heeft geoordeeld kan die bekendmaking niet worden afgeleid uit de aantekeningen op de door de A-G bij het hof overgelegde zittingslijst van de terechtzitting van de rechtbank. ’s Hofs oordeel dat binnen 14 dagen na de uitspraak van de rechtbank door betrokkene hoger beroep had moeten worden ingesteld, is ontoereikend gemotiveerd. 07-01-2014
- Hoge Raad 1. Afwijzing getuigenverzoek. Herstelmogelijkheid maatstaf. Regiezitting. 2. Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik. 3. Vordering beledigde partij. Schadevergoedingsmaatregel. 20-12-2013
Uitspraken zonder ECLI
- Het oordeel van het hof dat artikel 2 Politiewet 1993 in samenhang met artikel 141 en 142 Sv als wettelijke basis kan dienen voor het tonen van één of meer foto(’s) van verdachte op internet is juist. Het oordeel van het hof, erop neerkomende dat het tonen van de camerabeelden van verdachte op het internet in de gegeven omstandigheden niet in strijd is met beginselen van prop. en subs., zodat het tonen van de beelden van verdachte op het internet niet onrechtmatig is geweest en geen vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv oplevert dat tot bewijsuitsluiting of strafvermindering aanleiding kan geven, is niet onbegrijpelijk en behoefde, mede gelet op hetgeen ten verwere is aangevoerd, geen nadere motivering.
- De Hoge Raad stelt ECLI:NL:HR:2013:BY3151 en ECLI:NL:HR:2013:705 voorop. Uit het bestreden arrest blijkt niet dat het hof zich ervan heeft vergewist dat de stappen van de terugkeerprocedure zijn doorlopen. De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest wat betreft de strafoplegging.
- De Hoge Raad verklaart verdachte niet-ontvankelijk in het beroep, nu niet binnen de in artikel 437 lid 2 Sv genoemde termijn door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie is ingediend.