Update
Geachte heer/mevrouw,
Rechtspraak
De afgelopen week is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs.
Aanwezigheidsrecht van verdachte (SR 2013-0476)
De verdediging klaagt het verlenen van verstek tegen de niet-verschenen verdachte door het hof. In een aan de akte gehechte bijzondere volmacht van de raadsman, bedoeld in artikel 450 eerste lid onder a jo. artikel 450 derde lid Sv is vermeld dat het kantooradres van de raadsman kan worden gebruikt om de verdachte op te roepen cq te dagvaarden. De dagvaarding is op 8 november 2011 uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank Arnhem, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats bekend is. De dagvaarding is op 11 november 2011 tevergeefs aangeboden op het adres van de verdachte en ter plaatse is een bericht van aankomst achtergelaten, waarin is vermeld dat de dagvaarding kon worden afgehaald op het in dat bericht genoemde postkantoor. De dagvaarding is op 30 november 2011 uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank Arnhem onder toezending van een afschrift van de dagvaarding naar voornoemd adres. Uit de ID-staten SKDB blijkt dat een huidig GBA-adres niet beschikbaar is en als laatst opgegeven woon- of verblijfadres op 30 augustus 2011 geregistreerd staat. De Hoge Raad merkt op dat de vermelding van het adres van de raadsman van de verdachte in de schriftelijke volmacht bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan de opgave van een adres in de zin van artikel 588a eerste lid aanhef en onder c Sv, waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Uit de stukken blijkt niet dat een afschrift van de appeldagvaarding aan dit adres is toegezonden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is geschied. Evenmin houden de stukken iets in waaruit kan volgen dat die verzending ingevolge het derde lid van artikel 588a Sv achterwege kon blijven. Het hof had blijk moeten geven van het onderzoek of redenen bestonden om het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek op de terechtzitting tegenwoordig te zijn. Daarvan is niets gebleken, hetgeen leidt tot nietigheid (vgl. HR 27 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4736, NJ 2012/695).
Afwijzing beroep op noodweer niet begrijpelijk gemotiveerd (SR 2013-0484)
De verdachte, tegen wie bewezen is verklaard dat hij poging tot doodslag heeft gepleegd, klaagt dat het hof het door verdediging gedane beroep op noodweer heeft verworpen op ontoereikende gronden. Het hof heeft daarover onder meer het volgende overwogen:
Verdachte zou door de betrokken persoon in het nauw gedreven zijn in de hoek van de tuin. Aldus was sprake van een noodweersituatie. Een van de neven van verdachte heeft vervolgens ingegrepen en heeft de betrokken persoon een kaakslag gegeven. Het was echter niet zeker dat de aanval was afgewend, zodat de noodweersituatie nog niet voorbij was. In die situatie heeft verdachte – volgens zijn verklaring – die persoon met een stanleymes geslagen. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat verdachte door de aanranding van die persoon in een hevige gemoedsbeweging verkeerde, waardoor hij de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden.
De voorwaarden voor noodweer houden in dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of een anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.
Allereerst staat ter beoordeling of sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed. Het hof gaat bij de beoordeling of aan verdachte een beroep op noodweer toekomt uit van de feitelijke gang van zaken, zoals hiervoor door het hof is vastgesteld. Het door verdachte en zijn raadsman geschetste scenario – dat in de tuin sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte door die persoon – is niet aannemelijk geworden.
Voor zover het pleidooi van de raadsman mede het oog heeft op het bestaan van een (dreigende) noodweersituatie voortvloeiend uit het feit dat die persoon kennelijk aanstalten maakte om ‘iets’ uit de kofferbak van de auto van een andere betrokkene te pakken, overweegt het hof het volgende. Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat die situatie onder de gegeven omstandigheden als een dreigende onmiddellijke wederrechtelijke aanranding als bedoeld in artikel 41 Sr kan worden aangemerkt. Hiermee is echter geenszins gezegd dat het gerechtvaardigd was om die persoon met een hamer op het hoofd te slaan. Die rechtvaardiging vergt immers dat is voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.
Voor de beoordeling daarvan is van belang dat, anders dan de verdediging meent, niet is komen vast te staan dat er door verdachte en de zijnen van moest of mocht worden uitgegaan dat de kofferbak een vuurwapen zou bevatten. Voor de juistheid van die veronderstelling ontbreekt namelijk enig concreet aanknopingspunt. Het hof gaat in dit verband voorbij aan de verklaringen van verdachte en [medeverdachte] dat die persoon iets geroepen zou hebben omtrent een 'geweer', nu het deze verklaringen in het licht van de verklaringen van de overige aanwezigen niet geloofwaardig acht. Bovendien verdient vermelding dat de auto kort na het incident, in de parkeergarage nabij de spoedeisende hulp in het ziekenhuis, in beslag is genomen en (daarna) is onderzocht. Daarbij is in de auto geen vuurwapen, munitie of enig ander wapen aangetroffen.
Voorts neemt het hof in aanmerking dat de kofferbak dicht was en dicht bleef, dat verdachte en de zijnen getalsmatig een evident overwicht hadden op het slachtoffer, terwijl zij zich bovendien zodanig dichtbij het slachtoffer bevonden dat zij de dreiging eenvoudig op een minder drastische manier het hoofd hadden kunnen en moeten bieden dan door die persoon te beschieten, bijvoorbeeld door hem bij de auto weg te trekken.
Aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit is niet voldaan. De noodweersituatie verschafte de verdachte dan ook geen rechtvaardiging om op het slachtoffer te schieten gelijk hij heeft gedaan.
Voorts zijn er geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit of verdachte doen uitsluiten of verminderen. Het feit is strafbaar en verdachte is een strafbare dader. De Hoge Raad geeft aan dat het oordeel van het hof dat het beroep op noodweer moet worden verworpen niet begrijpelijk is gemotiveerd, in aanmerking genomen dat is bewezenverklaard dat de verdachte het slachtoffer met een hamer op/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl het hof bij zijn beoordeling van de gerechtvaardigdheid van die handelwijze van de verdachte heeft overwogen dat ‘de verdachte en de zijnen (...) de dreiging eenvoudig op een minder drastische manier het hoofd hadden kunnen en moeten bieden dan door die persoon te beschieten’ en dat de noodweersituatie de verdachte geen rechtvaardiging verschafte ‘om op het slachtoffer te schieten gelijk hij heeft gedaan’.
Beschouwing over de partiële vernietiging (SR 2013-0470)
Indien een bestreden uitspraak ‘uitsluitend wat betreft de strafoplegging’ wordt vernietigd, zijn in die vernietiging in beginsel en tenzij in het desbetreffende arrest anders is vermeld, begrepen alle in de bestreden uitspraak genomen beslissingen als bedoeld in artikel 351 Sv omtrent de oplegging van een straf en/of maatregel. In zo een vernietiging zijn ook begrepen:
- de beslissingen als bedoeld in de artikelen 353-354 Sv omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen;
- de beslissingen als bedoeld in artikel 361a Sv omtrent een vordering inzake de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf en een vordering inzake de herroeping van een voorwaardelijke invrijheidstelling.
In zo een vernietiging wat betreft de strafoplegging zijn echter – anders dan wanneer mede wordt vernietigd ten aanzien van de bewezenverklaring – niet begrepen de beslissingen als bedoeld in artikel 361 Sv omtrent een vordering van de benadeelde partij, nu de beslissingen omtrent die vordering worden bepaald door de civielrechtelijke rechtsverhouding tussen de verdachte en de benadeelde partij. Dit brengt mee dat ook wanneer de vordering van de benadeelde partij in het vernietigde arrest (gedeeltelijk) niet is toegewezen, die beslissing niet is begrepen in de vernietiging ‘uitsluitend wat betreft de strafoplegging’.
Een en ander sluit aan bij de omstandigheid dat de benadeelde partij wier vordering (gedeeltelijk) niet is toegewezen, bevoegd is om op de voet van artikel 437 derde lid Sv een schriftuur in te dienen ingeval cassatieberoep is ingesteld tegen de desbetreffende uitspraak. Voor de duidelijkheid wijst de Hoge Raad erop dat van deze beslissingen omtrent een vordering van de benadeelde partij moeten worden onderscheiden de beslissingen omtrent het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr. Voor de beslissingen omtrent het opleggen van een dergelijke maatregel geldt hetgeen hiervoor is overwogen.
Weinig tijd maar toch up to date blijven?
Volg de online jurisprudentiebespreking Strafrecht, inclusief PO-punten. In één uur tijd en op hoog niveau wordt u door prof. Hans de Doelder of mr. Joost Verbaan bijgepraat over de laatste ontwikkelingen binnen het strafrecht. U kunt daarbij denken aan jurisprudentie, wetsvoorstellen of belangwekkende tijdschriftartikelen.
Datum: 12 december 2013
Tijd: 17:00 tot 18:00 uur
Kosten: € 69 excl. btw (1 PO-punt)
Meer informatie en inschrijven: www.lawatweb.nl
Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar sr-updates@budh.nl.
Met vriendelijke groet,
J.H. J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates
Hoge Raad
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt de toepasselijke overweging uit ECLI:NL:HR:2004:AO5706. Het hof heeft geoordeeld dat de omstandigheden waarop door de raadsman een beroep is gedaan, niet kunnen worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van deze overweging. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. 03-12-2013
- Hoge Raad Voor zover het hof als zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat de bedragen die voorwerp vormden van het bewezen verklaarde misdrijf 'medeplegen van een gewoonte maken van witwassen' reeds daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel vormden, is dat oordeel niet juist. Dat betrokkene daadwerkelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dat feit is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. 03-12-2013
- Hoge Raad De vermelding van het adres van de raadsman van verdachte in de schriftelijke volmacht kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als de opgave van een adres in de zin van artikel 588a lid 1, aanhef en onder c, Sv waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Uit de stukken van het geding kan niet blijken dat een afschrift van de appèldagvaarding aan dit adres is toegezonden. Evenmin houden de stukken iets in waaruit kan volgen dat die verzending ex artikel 588a lid 3 Sv achterwege kon blijven 03-12-2013
- Hoge Raad De Hoge Raad constateert ambtshalve verjaring ten aanzien van beide feiten. 03-12-2013
- Hoge Raad Balen samengeperst oud papier en/of karton. Uitleg begrip 'afvalstoffen' in de zin van de EG-verordening nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (EVOA) en de Wet milieubeheer. Verhouding Richtlijn 2006/12/EG (PbEG L 114) en Richtlijn 2008/98/EG (PbEU 2008, L 312) betreffende afvalstoffen. Richtlijn 2008/98/EG beoogt een verduidelijking te geven van hetgeen ten aanzien van het begrip 'afvalstoffen' reeds in de Richtlijn 2006/12/EG hierover is bepaald en beoogt in hoger beroep de definitie van de term 'afvalstoffen' te specificeren wanneer stoffen of voorwerpen geen afvalstoffen maar bijproducten zijn en wanneer een bepaalde stof niet langer een afvalstof is (einde-afvalfase). De Hoge Raad geeft voor de betekenis van 'bijproducten' en 'einde-afval fase' relevante rechtspraak van het Europese Hof weer. De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak, nu het hof, dat heeft geoordeeld dat de balen samengeperst papier geen afvalstof zijn, ofwel blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, ofwel zijn oordeel niet begrijpelijk heeft gemotiveerd. 03-12-2013
- Hoge Raad De Hoge Raad ambtshalve: de bestreden uitspraak bevat geen beslissing op de vorderingen van de benadeelde partij. Ingevolge artikel 335 en 361 lid 4 jo. 415 Sv was het hof gehouden omtrent de vorderingen van de benadeelde partij een met redenen omklede beslissing te nemen. De bestreden uitspraak ontbeert een dergelijke beslissing en kan daarom in zoverre niet in stand blijven. 03-12-2013
- Hoge Raad Het oordeel van het hof dat betrokkene en haar mededader gezamenlijk wederrechtelijk voordeel hebben verkregen uit de hennephandel is gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden niet onbegrijpelijk. In zijn overwegingen heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat aan de wijze waarop de opbrengst van de hennephandel door betrokkene en haar mededader, met wie zij destijds was gehuwd, is besteed, niet het gevolg kan worden verbonden dat betrokkene (zoals namens haar was aangevoerd) (nagenoeg) geen voordeel heeft verkregen uit de hennephandel. Daarmee heeft het hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. 03-12-2013
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2005:AT3659 en ECLI:NL:HR:1984:AC8252. Slagende bewijsklacht. Voor zover het middel betoogt dat het hof heeft verzuimd de dagvaarding ten aanzien van het onder 7 ten laste gelegde feit nietig te verklaren aangezien de feitelijke omschrijving van de ten laste gelegde gedragingen onvoldoende is, kan het middel niet tot cassatie leiden omdat een dergelijk verweer niet voor het eerst in cassatie kan worden gevoerd. Voor zover het middel klaagt dat het hof het bewezen verklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als 'poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels' aangezien de feitelijke omschrijving van de ten laste gelegde gedragingen onvoldoende is, geldt dat mede gelet op de bewijsvoering de bewezenverklaring redelijkerwijs zo moet worden opgevat dat met de nader omschreven bankpassen is gepoogd geld weg te nemen uit een geldautomaat. Het hof heeft het bewezen verklaarde terecht gekwalificeerd als voormeld. 03-12-2013
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt de toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:960. Het hof heeft zijn oordeel dat te dezen sprake is van roekeloosheid voorzien van een motivering als bedoeld in deze overwegingen. Voor zover het middel klaagt dat die motivering tekortschiet nu de door het hof vastgestelde omstandigheden niet zonder meer toereikend zijn voor het oordeel dat verdachte 'roekeloos' in de zin van artikel 6 jo. 175 WVW 1994 heeft gereden, faalt het. 03-12-2013
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt de toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:BY3151. Mede gelet op deze overwegingen, geeft het oordeel van het hof dat de stappen van de terugkeerprocedure zijn doorlopen zodat ter zake een gevangenisstraf kon worden opgelegd, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd. 03-12-2013
- Hoge Raad De vaststelling dat 'blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 8 maart 2012 (…) de verdachte eerder ter zake van hennepteelt [is] veroordeeld' en dat dit 'hem er kennelijk niet van [heeft] weerhouden opnieuw een dergelijk feit te plegen' is niet zonder meer begrijpelijk, aangezien de 'hennepteelt' waarop de bewezenverklaring betrekking heeft, is begaan voordat de hier bedoelde veroordeling is uitgesproken. De strafoplegging is daarom ontoereikend gemotiveerd. 03-12-2013
- Hoge Raad Uit de kennisgeving van de OvJ volgt dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet langer vordert. Nu de klager tegen die kennisgeving een klaagschrift heeft ingediend, dient de rechtbank te beoordelen of degene aan wie de OvJ de schilderijen wil doen teruggeven, redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. Het gaat daarbij om een voorlopig oordeel omtrent de eigendoms- en bezitsrechten ten aanzien van die schilderijen (vgl. ECLI:NL:HR:2010:BL2823). Voor het antwoord op de vraag of de Noorse galerie als rechthebbende moet worden aangemerkt is bepalend of deze ex artikel 3:86 lid 3 BW de schilderijen binnen drie jaren te rekenen vanaf de dag van de diefstal als haar eigendom heeft opgeëist. Het oordeel van de rechtbank dat, nu niet is betwist dat aangifte van diefstal is gedaan, ervan kan worden uitgegaan dat de schilderijen van diefstal afkomstig zijn, is niet onbegrijpelijk. 03-12-2013
- Hoge Raad 'Onverwijld' indienen vordering OvJ tot herroeping van voorwaardelijke invrijheidstelling als bedoeld in artikel 15i lid 2 Sr. Het oordeel van het hof dat de vordering i.c. 'onverwijld' is ingediend, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. 03-12-2013
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2012:BW9266. In casu is aan verdachte een zogenoemde subsidiaire vorm van bescherming geboden, die als een aanvulling moet worden beschouwd op de aan vluchtelingen op grond van het Vluchtelingenverdrag te bieden bescherming. Dat brengt mee dat de bescherming die krachtens de rechtspraak van de Hoge Raad een vluchteling kan ontlenen aan de strekking van artikel 31 Vluchtelingenverdrag in de gevallen waarin nog niet definitief (afwijzend) is beslist op een door hem gedane (eerste) asielaanvraag, zich op overeenkomstige wijze behoort uit te strekken tot de vreemdeling aan wie de even genoemde subsidiaire vorm van bescherming is geboden doordat hem een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 lid 1 sub b Vw 2000 is verleend. Zo een vreemdeling behoort niet strafrechtelijk te worden vervolgd wegens het onmiskenbaar in het kader van zijn reis naar NL in het bezit hebben of aangewend hebben van valse of vervalste documenten. Daaruit volgt dat het hof het OM in de op artikel 231 Sr gebaseerde strafvervolging van verdachte niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De Hoge Raad doet de zaak om doelmatigheidsredenen zelf af. 03-12-2013
- Hoge Raad Ambtshalve constateert de Hoge Raad – overeenkomstig het in het bestreden arrest besloten liggende oordeel van het hof – dat het feit niet is verjaard. Conclusie A-G: anders, verjaring feit. 03-12-2013
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt de toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:960. In het licht van deze overwegingen schiet de bewijsvoering van het hof tekort. 03-12-2013
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2009:BI1171. Het oordeel van het hof dat verdachte de eer en de goede naam van X heeft aangerand door telastlegging van bepaalde feiten, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De Wet identiteitsvaststelling verdachten, veroordeelden en getuigen bevat geen relevante overgangsbepaling voor de regeling van artikel 14c Sr. Toepassing van de gewijzigde sanctieregeling werkt i.c. niet ten gunste van verdachte, zodat geen sprake is van een verandering in de wetgeving als bedoeld in artikel 1 lid 2 Sr. Gelet daarop heeft het hof ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 14c Sr zoals die bepaling na 1 oktober 2010 is komen te luiden. Dit behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden, nu ook het ten tijde van het ten laste gelegde geldende recht (in artikel 14c lid 2 sub 5 Sr) de mogelijkheid opende aan een voorwaardelijke veroordeling als bedoeld in artikel 14a Sr de (bijzondere) voorwaarde te verbinden dat verdachte medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht aanbiedt. Verdachte heeft daarom onvoldoende belang bij een vernietiging van de bestreden uitspraak op dit punt. 03-12-2013
- Hoge Raad Het oordeel van het hof dat het beroep op noodweer moet worden verworpen is niet begrijpelijk gemotiveerd, in aanmerking genomen dat is bewezen verklaard dat verdachte het slachtoffer met een hamer op/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl het hof bij zijn beoordeling van de gerechtvaardigdheid van die handelwijze van verdachte heeft overwogen dat 'de verdachte en de zijnen (…) de dreiging eenvoudig op een minder drastische manier het hoofd hadden kunnen en moeten bieden dan door X te beschieten' en dat de noodweersituatie de verdachte geen rechtvaardiging verschafte 'om op het slachtoffer te schieten gelijk hij heeft gedaan'. 03-12-2013
- Hoge Raad Uitleg begrip 'afvalstoffen' in de zin van de EG-verordening nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (EVOA) en de Wet milieubeheer. Verhouding Richtlijn 2006/12/EG (PbEG L 114) en Richtlijn 2008/98/EG (PbEU 2008, L 312) betreffende afvalstoffen. Richtlijn 2008/98/EG beoogt een verduidelijking te geven van hetgeen ten aanzien van het begrip 'afvalstoffen' reeds in de Richtlijn 2006/12/EG hierover is bepaald en beoogt in hoger beroep de definitie van de term 'afvalstoffen' te specificeren wanneer een bepaalde stof niet langer een afvalstof is (einde-afvalfase). De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak, nu het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste, want te beperkte uitleg van het begrip 'afvalstof' in de zin van artikel 1 lid 1 sub a Richtlijn 2006/12/EG en voorts is diens oordeel niet begrijpelijk gemotiveerd. 03-12-2013
- Hoge Raad Verduidelijking terugwijzingsopdracht 'uitsluitend wat betreft de strafoplegging'. In aanmerking genomen dat de verdachte ten tijde van de uitspraak in hoger beroep meerderjarig was had het hof op grond van artikel 77aa lid 4 Sr slechts een reclasseringsinstelling als bedoeld in artikel 14d lid 2 Sr opdracht kunnen verlenen. De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest wat betreft de strafoplegging. 26-11-2013