Update
Geachte heer/mevrouw,
Rechtspraak
De afgelopen week is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs.
Verduidelijking van de tongzoen (SR 2013-0468)
Verdachte klaagt over de kwalificatie als ‘met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd’ van het bewezenverklaarde dat hij buiten echt, meerdere malen met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die persoon, hebbende verdachte die persoon tongzoenen gegeven. De Hoge Raad heeft geconstateerd dat het eerder dit jaar gewezen tongzoenarrest (het zogenoemde Tongzoen II-arrest) op één onderdeel tot misverstanden heeft geleid, namelijk wat betreft de zinsnede ‘hoewel een tongzoen op zichzelf wel het binnendringen van het lichaam met een seksuele strekking oplevert’. Daarmee heeft de Hoge Raad niet tot uitdrukking willen brengen dat het geven van een tongzoen zonder meer moet worden aangemerkt als ‘het seksueel binnendringen van het lichaam’ in de zin van de wet, maar slechts het seksuele aspect van een tongzoen willen benoemen. Mede gelet op de ook in voormeld arrest genoemde argumenten, vormt het geven van een tongzoen evenmin voldoende grond voor toepassing van de artikelen 243, 244 en 245 Sr waarin onder wisselende voorwaarden het seksueel binnendringen van het lichaam is strafbaar gesteld. Wat betreft de andere, de seksuele integriteit eveneens beschermende wettelijk kader kan worden gedacht aan het aanmerken van een tongzoen als een ontuchtige handeling in de zin van artikel 247 of artikel 249 Sr, terwijl buiten het verband van de zedendelicten kan worden gedacht aan het een ander dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, in de zin van artikel 284 Sr. Een en ander betekent derhalve niet dat – kort gezegd – het enkele geven van een tongzoen niet tot strafrechtelijke aansprakelijkheid kan leiden, maar wel dat de ernstigste strafbepalingen van titel XIV (Misdrijven tegen de zeden) van Boek II van het Wetboek van Strafrecht daarop niet toepasbaar zijn
Motivering gedurende rechtmatige uitoefening van zijn bediening ontoereikend (SR 2013-0466)
De verdediging klaagt over de bewezenverklaring van het opzettelijk beledigen van een ambtenaar, gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, doordat hij in diens tegenwoordigheid mondeling de woorden ‘Je kunt niet eens jongen maken’ en ‘teringlijders’, heeft toegevoegd. Die klacht richt zich op het onderdeel ‘rechtmatige uitoefening van de bediening’. Het hof heeft bij de vaststelling van de feiten geconcludeerd dat voor het binnentreden van de woning waar de uiting plaatsvond, een machtiging vereist was en dat de toestemming tot betreden van de woning door verdachte van relatieve waarde was door de onjuiste voorlichting op dit punt door verbalisant, namelijk dat dat niet vereist zou zijn. Derhalve stond vast dat bij het binnentreden sprake was van een onherstelbaar vormverzuim. Op grond van die vaststelling acht de Hoge Raad de vaststelling dat genoemde ambtenaar is beledigd ‘gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’ niet naar behoren gemotiveerd (vgl. NJ 1978, 364).
Wederrechtelijk verkregen voordeel waarvoor betrokkene is ontslagen van alle rechtsvervolging is vatbaar voor ontneming (SR 2013-0461)
De verdediging klaagt dat het hof ten onrechte het voordeel, een bedrag van € 500.000 dat de betrokkene heeft verkregen uit het feit ter zake waarvan hij van alle rechtsvervolging is ontslagen, als wederrechtelijk verkregen heeft aangemerkt. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof dat ontslag van alle rechtsvervolging niet in de weg staat aan een ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter zake, nu sprake is van een veroordeling ter zake van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en nu uit het tegen de veroordeelde ingestelde strafrechtelijk financieel onderzoek aannemelijk is geworden dat tevens voordeel is verkregen uit dat bewezenverklaarde feit, geen blijk geeft van een onjuiste opvatting omtrent het begrip ‘wederrechtelijk verkregen’ als bedoeld in artikel 36e Sr.
Weinig tijd maar toch up to date blijven?
Volg de online jurisprudentiebespreking Strafrecht, inclusief PO-punten. In één uur tijd en op hoog niveau wordt u door prof. Hans de Doelder of mr. Joost Verbaan bijgepraat over de laatste ontwikkelingen binnen het strafrecht. U kunt daarbij denken aan jurisprudentie, wetsvoorstellen of belangwekkende tijdschriftartikelen.
Datum: 12 december 2013
Tijd: 17:00 tot 18:00 uur
Kosten: € 69 excl. btw (1 PO-punt)
Meer informatie en inschrijven: www.lawatweb.nl
Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar sr-updates@budh.nl.
Met vriendelijke groet,
J.H. J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates
Hoge Raad
- Hoge Raad Op het enkele geven van een tongzoen zijn de ernstige strafbepalingen van titel XIV (Misdrijven tegen de zeden) van Boek II van het Wetboek van Strafvordering niet toepasbaar. De Hoge Raad verduidelijkt zijn arrest van HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2653, NJ 2013, 438 waarin de Hoge Raad kort gezegd heeft geoordeeld dat een tongzoen niet langer als ‘verkrachting’ in de zin van artikel 242 Sr kan worden gekwalificeerd. Met de zinsnede ‘hoewel een tongzoen op zichzelf wel het binnendringen van het lichaam met een seksuele strekking oplevert’ heeft de Hoge Raad niet tot uitdrukking willen brengen dat het geven van een tongzoen zonder meer moet worden aangemerkt als ‘het seksueel binnendringen van het lichaam’ in de zin van de wet, maar slechts het seksuele aspect ervan willen benoemen. Het geven van een tongzoen vormt evenmin voldoende grond voor toepassing van de artikelen 243, 244 en 245 Sr. Gedacht kan worden aan het aanmerken van een tongzoen als een ontuchtige handeling in de zin van artikel 247 of 249 Sr, terwijl buiten het verband van de zedendelicten kan worden gedacht aan artikel 284 Sr. Conclusie A-G: anders. 26-11-2013
- Hoge Raad Op grond van ’s hofs vaststellingen moet het ervoor worden gehouden dat de politieambtenaar is beledigd nadat deze de woning van verdachte was binnengetreden zonder te beschikken over de daartoe vereiste machtiging. Dit brengt mee dat, mede in aanmerking genomen dat – anders dan in bijvoorbeeld HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR2009:BJ2795 – niet blijkt dat dit binnentreden is geschied in opdracht van een tot het geven van die opdracht bevoegde meerdere, ’s hofs oordeel dat de ambtenaar is beledigd ‘gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’ niet naar behoren is gemotiveerd (vgl. HR 18 april 1978, NJ 1987, 364). Conclusie A-G: anders. 26-11-2013
- Hoge Raad In het bestreden arrest ligt als oordeel van het hof besloten dat verdachte door te trachten als heer en meester te beschikken over de fotocamera heeft gehandeld met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening en dat i.c. daaraan niet afdoet dat hij heeft gehandeld met de bedoeling die ander te bewegen tot de nakoming van een op hem rustende verplichting. 26-11-2013
- Hoge Raad De aanvrager heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat van een uitzonderlijk geval sprake is geweest. Immers, de fotokopie van de eerste pagina van de hiervoor onder 3.2 bedoelde ‘Antrag’ legt zonder nadere toelichting, die in de aanvraag ontbreekt, in dat opzicht te weinig gewicht in de schaal. Daarom kan hetgeen is aangevoerd niet een ernstig vermoeden wekken als onder 3.1 bedoeld. 26-11-2013
- Hoge Raad In het bestreden arrest ligt als oordeel van het hof besloten dat verdachte door als heer en meester te beschikken over de goederen heeft gehandeld met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening en dat in casu daaraan niet afdoet dat hij heeft gehandeld met de bedoeling die ander te bewegen tot de nakoming van een op hem rustende verplichting. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is, gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, toereikend gemotiveerd. 26-11-2013
- Hoge Raad Falende bewijsklacht medeplichtigheid. Conclusie A-G: anders. 26-11-2013
- Hoge Raad De inhoud van de voornoemde rapportage – waarin door de opsteller ervan met name een mogelijke verklaring voor het structurele verschil tussen de zogeheten ‘Z-afslagen’ en de geboekte omzet in de kasboeken wordt aangevoerd – kan, beschouwd in het licht van de inhoud van de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen, niet een ernstig vermoeden wekken als onder 3.1 vermeld. 26-11-2013
- Hoge Raad ’s Hofs oordeel dat het voordeel dat de betrokkene heeft verkregen uit een feit ter zake waarvan de betrokkene is ontslagen van alle rechtsvervolging voor ontneming vatbaar is geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip wederrechtelijk verkregen als bedoeld in artikel 36e Sr. Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk. 26-11-2013
- Hoge Raad De rechtbank heeft in het vonnis volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in de tweede volzin van artikel 359 lid 3 Sv. De raadsvrouwe van de verdachte heeft bij de behandeling van de zaak in hoger beroep vrijspraak bepleit ten aanzien van het ten laste gelegde. Uit de bewoordingen van artikel 359 lid 3 Sv volgt dat deze bepaling in ieder geval geen toepassing kan vinden indien door of namens de verdachte ter terechtzitting vrijspraak is bepleit. 26-11-2013