Update
Geachte heer/mevrouw,
Rechtspraak
De afgelopen week is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs.
Onrechtmatig binnentreden: vormverzuim dat moet leiden tot strafvermindering of bewijsuitsluiting? (SR 2013-0437)
Verdachte klaagt over de verwerping van een verweer strekkende tot bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering op de voet van artikel 359a Sv. Dat verweer was onderbouwd met het argument dat het op grond van de Politiewet uitgevoerde onderzoek was afgerond en het onderzoek zich nog uitsluitend richtte op de aangetroffen hennepkwekerij en geen vereiste machtiging voor inbeslagneming en ontmanteling daarvan voorhanden was. Het hof heeft vastgesteld dat verbalisanten, vergezeld van een aantal opsporingsambtenaren, de bewuste woning naar aanleiding van een melding, in het kader van hulpverlening als bedoeld in artikel 8 lid 2 Politiewet, op goede gronden en rechtmatig hebben binnengetreden – ook gelet op de in die woning aangetroffen (bloed)sporen die de melding dat aldaar vermoedelijk een gewonde man zou liggen, ondersteunden – en dat die woning in het kader van dit onderzoek – waarbij een hennepkwekerij is aangetroffen als ‘bijvangst’ –die dag is verlaten te 21.30 uur. De inbeslagneming is naar oordeel van het hof dan ook rechtmatig geschied.
De Hoge Raad gaat er in cassatie van uit dat de inbeslagneming heeft plaatsgevonden terwijl de verbalisanten niet in het bezit waren van de op grond van de Awbi vereiste machtiging tot binnentreden, wat een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek oplevert, bedoeld in artikel 359a Sv. In het onderhavige geval bevonden de eerst aanwezige verbalisanten zich rechtmatig in de woning van de verdachte en zouden zij, op grond van artikel 9 Opw, bevoegd zijn geweest tot onmiddellijke inbeslagneming van het daarvoor vatbare materiaal van de door hen aangetroffen hennepkwekerij. Dat brengt mee dat niet gezegd kan worden dat door het ontbreken van de machtiging tot binnentreden van de eerstbedoelde verbalisanten, door het ter plaatse gekomen andere verbalisanten, een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden en evenmin dat de verdachte, die zulks ook niet heeft gesteld, daardoor daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad.
Onmiddellijkheidsbeginsel niet in het geding door gebruik verklaringen medeverdachten afgelegd tegenover opsporingsambtenaren en door hen herroepen tegenover de raadsheer-commissaris (SR 2013-0431)
Het hof heeft de bewezenverklaring van het tezamen en in vereniging met anderen voorhanden hebben van een personenauto, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van het voorhanden krijgen van die personenauto redelijkerwijs hadden moeten vermoeden dat het een door misdrijf – namelijk door diefstal – verkregen goed betrof, onder meer doen steunen op het proces-verbaal van tegenover de politie afgelegde verklaringen van medeverdachten zonder hen ter zitting in hoger beroep te hebben gehoord. Het hof heeft daartoe overwogen dat die verklaringen voor het bewijs konden worden gebruikt, nu de betrokkenheid van de verdachte in voldoende mate steun vindt in ander bewijsmateriaal, in het bijzonder in de verklaring van betrokkene 3, die verdachte de week voorafgaand heeft zien rijden in een auto, wetende dat de verdachte geen auto heeft. Dat oordeel getuigt volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste opvatting.
Met ‘eerder terzake van strafbare feiten is veroordeeld’ wordt tot uitdrukking gebracht dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld (SR 2013-0434)
De verdediging klaagt over de motivering van de straf in verband met een veroordeling voor diefstal met geweld van hennep. Het hof overwoog dat het bij de strafoplegging rekening heeft gehouden met een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 28 oktober 2011 waaruit blijkt dat hij eerder terzake strafbare feiten is veroordeeld. De verdediging geeft aan dat er maar één feit is. De Hoge Raad stelt dat het hof met deze overweging tot uitdrukking heeft gebracht dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten en leest met verbetering van de misslag.
Bewijsmotivering mag feiten en omstandigheden weergeven teneinde vervolgens tot uitdrukking te brengen dat daaraan moet worden voorbijgegaan (SR 2013-0435)
De verdediging klaagt over de motivering van de bewezenverklaring, te weten dat de rechtbank – en door het hof overgenomen – in die motivering een verklaring van de verdachte onder de bewijsmiddelen heeft opgenomen, terwijl die verklaring niet geloofwaardig werd geacht. Het Promis-vonnis in onderhavige zaak komt erop neer dat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de beslissing steunt dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zijn vermeld in een bewijsredenering waarbij de rechtbank heeft volstaan met een verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan die feiten en omstandigheden zijn ontleend. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank in haar bewijsmotivering tot uitdrukking heeft gebracht dat de rechter in zijn bewijsmotivering feiten of omstandigheden – hier de inhoud van voormelde verklaring van de verdachte – weergeeft teneinde vervolgens tot uitdrukking te brengen dat daaraan moet worden voorbijgegaan
Weinig tijd maar toch up to date blijven?
Volg de online jurisprudentiebespreking Strafrecht, inclusief PO-punten. In één uur tijd en op hoog niveau wordt u door prof. Hans de Doelder of mr. Joost Verbaan bijgepraat over de laatste ontwikkelingen binnen het strafrecht. U kunt daarbij denken aan jurisprudentie, wetsvoorstellen of belangwekkende tijdschriftartikelen.
Datum: 12 december 2013
Tijd: 17:00 tot 18:00 uur
Kosten: € 69 excl. btw (1 PO-punt)
Meer informatie en inschrijven: www.lawatweb.nl
Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar sr-updates@budh.nl.
Met vriendelijke groet,
J.H. J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates
Hoge Raad
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt de toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:BV9087. Falende middelen over de motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. 12-11-2013
- Hoge Raad Met zijn overweging dat verdachte 'eerder terzake strafbare feiten is veroordeeld' heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat verdachte een keer eerder voor strafbare feiten onherroepelijk is veroordeeld. Uit het door het hof genoemde UJD kan evenwel niet worden afgeleid dat de desbetreffende veroordeling betrekking heeft op meer strafbare feiten. Op die grond moet worden aangenomen dat sprake is van een kennelijke misslag. De Hoge Raad leest de bestreden overweging met verbetering van deze misslag. 12-11-2013
- Hoge Raad De bewezenverklaring voor zover inhoudende dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs ongeldig was verklaard, is niet naar de eis der wet met redenen omkleed. 12-11-2013
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt de toepasselijke overweging uit ECLI:NL:HR:2010:BM2452 met betrekking tot artikel 342 lid 2 Sv. Het hof heeft gemotiveerd dat en waarom het van oordeel is dat voldoende steunbewijs voor de belastende verklaringen van X te vinden is in de overige getuigenverklaringen. 12-11-2013
- Hoge Raad De stukken van het geding houden in dat verdachte in e.a. is gedagvaard voor de meervoudige economische kamer van de rechtbank en dat deze kamer de zaak heeft behandeld en uitspraak heeft gedaan. Ingevolge artikel 52 WED jo. artikel 64 RO behandelen en beslissen de gerechtshoven in hoger beroep de zaken waarin door economische kamers van de rechtbanken vonnis is gewezen. Dit betekent dat de strafzaak in hoger beroep kon worden behandeld en beslist door de meervoudige economische kamer van het hof. 12-11-2013
- Hoge Raad De eerste klacht strekt kennelijk ten betoge dat de in het arrest genoemde in beslag genomen voorwerpen verdachte niet toebehoren. Daarvan uitgaande heeft verdachte bij zijn klacht over de motivering van de v.v. geen rechtens te respecteren belang. Verbeurdverklaring van voorwerpen die een verdachte niet (zouden) toebehoren als bedoeld in artikel 33a Sr treft hem immers niet in zijn vermogen. In zoverre kan het middel niet tot cassatie leiden (vgl. ECLI:NL:HR:2013:BZ1897). Voor zover het middel ziet op de verbeurdverklaring van de geldbedragen, is het terecht voorgesteld. ’s Hofs oordeel dat de bewezenverklaarde feiten zijn begaan m.b.v. die voorwerpen dan wel dat die voorwerpen geheel of grotendeels d.m.v. die feiten zijn verkregen, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Voor zover het middel betrekking heeft op de onttrekking aan het verkeer van de in het arrest genoemde in beslag genomen voorwerpen faalt het op de gronden als vermeld in de conclusie. Ten aanzien van de 'Witte stickers' en de 'Loonafrekening, kopie id en bankpas' is ’s hofs oordeel dat de feiten zijn begaan of voorbereid met behulp van deze voorwerpen en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang zonder nadere motivering, welke ontbreekt, niet begrijpelijk. 12-11-2013
- Hoge Raad De werkwijze die de rechtbank in casu in haar zgn. Promis-vonnis heeft gevolgd ten aanzien van de – door het hof overgenomen – bewijsmotivering, komt erop neer dat de redengevende feiten en het onderzoek waarop de beslissing steunt dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zijn vermeld in een bewijsredenering waarbij de rechtbank heeft volstaan met een verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan die feiten en dat onderzoek zijn ontleend (vgl. ECLI:NL:HR:2007:BA0424). In dat opzicht wijkt het vonnis in casu af van de beslissing waarop het in het middel genoemde arrest (ECLI:NL:HR:2011:BP8498) betrekking heeft. 12-11-2013
- Hoge Raad In casu heeft verdachte voorlopige hechtenis ondergaan en is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep aan hem ex artikel 41 lid 1 Sv een raadsman toegevoegd. Uit de stukken van het geding blijkt evenwel dat die raadsman zich reeds in eerste aanleg uit de zaak had teruggetrokken en dat hij het bewijs van toevoeging in hoger beroep voorafgaande aan de terechtzitting aan het hof heeft teruggestuurd met bericht dat hij ook in hoger beroep niet voor verdachte optreedt. De stukken van het geding houden niet in dat in hoger beroep een andere advocaat zich als raadsman heeft gesteld en evenmin dat toevoeging van een andere raadsman als bedoeld in artikel 45 lid 1 Sv heeft plaatsgevonden, zodat het ervoor moet worden gehouden dat verdachte in hoger beroep geen raadsman heeft gehad. 12-11-2013
- Hoge Raad Gegronde klacht met betrekking tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit een feit waarvan betrokkene is vrijgesproken. 12-11-2013
- Hoge Raad Bewijsklacht schuldheling en verduistering. Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de A-G is het middel terecht voorgesteld. 12-11-2013
- Hoge Raad Zoals volgt uit HR 1 juli 1997, NJ 1997/675 kan, ingeval verdachte noch diens raadsman ter terechtzitting is verschenen, de rechter niet op de enkele grond dat de dagvaarding voor die terechtzitting een aantekening behelst dat aan de raadsman een afschrift van die dagvaarding is verstrekt, aannemen dat aan artikel 51 Sv is voldaan, maar dient hij te onderzoeken of een zodanig afschrift daadwerkelijk aan de raadsman is verzonden. Nu aanwijzingen voor het tegendeel ontbreken moet het in cassatie ervoor worden gehouden dat het hof zijn in het bestreden arrest besloten liggende oordeel dat artikel 51 Sv is nageleefd, uitsluitend heeft gebaseerd op de aantekening op de dagvaarding. Niet blijkt dat het hof het hiervoor bedoelde onderzoek heeft gedaan. Dat brengt mee dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep aan nietigheid lijdt. 12-11-2013
- Hoge Raad In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat de inbeslagneming heeft plaatsgevonden terwijl de verbalisant(en) niet in het bezit was/waren van de op grond van de Awbi vereiste machtiging tot binnentreden, en dat het ontbreken van die machtiging een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv oplevert. Echter, in casu, waarin de eerder aanwezige en zich rechtmatig in de woning van de – afwezige – verdachte bevindende verbalisanten ex artikel 9 Opiumwet bevoegd zouden zijn geweest tot onmiddellijke inbeslagneming van het daarvoor vatbare materiaal dat verband hield met de door hen aangetroffen hennepkwekerij, kan niet gezegd worden dat door het ontbreken van de machtiging tot binnentreden van de binnen niet al te lange tijd na het aantreffen op verzoek van de eerstbedoelde verbalisanten ter plaatse gekomen andere verbalisanten een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden en evenmin dat verdachte, die zulks ook niet heeft gesteld, daardoor daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. 12-11-2013
- Hoge Raad Falende klacht dat het hof 'inbreuk heeft gemaakt op het onmiddellijkheidsbeginsel en het recht op een eerlijk proces' door tegenover politieambtenaren afgelegde verklaringen van medeverdachten, die door dezen ten opzichte van de Rh-C zijn herroepen, voor het bewijs te bezigen zonder deze personen als getuigen ter terechtzitting te hebben gehoord. Het hof heeft geoordeeld dat de tegenover de politie afgelegde verklaringen van X en Y voor het bewijs kunnen worden gebezigd zonder hen ter terechtzitting in hoger beroep te hebben gehoord. 12-11-2013