Update
Geachte heer/mevrouw,
Rechtspraak
De afgelopen week is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs.
Afwijzing verweer tot niet-ontvankelijk verklaring openbaar ministerie wegens diplomatieke immuniteit (SR 2013-0419)
Verdachte klaagt over de verwerping van een preliminair verweer tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Dat verweer was voornamelijk gestoeld op het argument dat verdachte een zoon was van een diplomaat, zelf ook een diplomatenpaspoort bezat en ondanks mededeling daarvan toch door de politie is verhoord. Het hof wijst het verweer af, onder meer op grond van het feit dat uit de ‘Note Verbale’ van het ministerie van Buitenlandse Zaken van Bosnië en Herzegovina volgt dat de immuniteit van de verdachte ten behoeve van de strafzaak is opgeheven. Bij beoordeling van de verwerping van het verweer door het hof is onder meer van belang:
- art. 31, eerste lid, van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer, gesloten te Wenen op 18 april 1961 (Trb. 1962, 101), verder te noemen: Verdrag van Wenen:
‘A diplomatic agent shall enjoy immunity from the criminal jurisdiction of the receiving State.(...)’
- art. 32, eerste en tweede lid, van het Verdrag van Wenen:
‘1. The immunity from jurisdiction of diplomatic agents and of persons enjoying immunity under Article 37 may be waived by the sending State.
2. Waiver must always be express.’
- art. 37, eerste lid, van het Verdrag van Wenen:
‘The members of the family of a diplomatic agent forming part of his household shall, if they are not nationals of the receiving State, enjoy the privileges and immunities specified in Articles 29 to 36.’
In de overwegingen van het hof ligt het oordeel besloten dat de zendstaat uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van de immuniteit van jurisdictie voor strafvervolging van verdachte in de ontvangende staat.
Bevoegdheid tot en bekwaamheid in het bedienen van ademanalyseapparaat (SR 2013-0420)
Het hof heeft de bewezenverklaring van het besturen van een personenauto, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van de adem bij een onderzoek, a.b.i. 8 lid 2 aanhef en sub a WVW 1994, 765μgr alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, onder meer doen steunen op het proces-verbaal van de opsporingsambtenaar die het onderzoek heeft verricht. De verdediging heeft een verweer gevoerd met betrekking tot de betrouwbaarheid van het ademanalyseapparaat en het feit dat de opsporingsambtenaar die het apparaat heeft bediend, niet beschikte over een certificaat van bekwaamheid. Het hof oordeelde dat geen nadere noodzaak bestaat om nader onderzoek te verrichten naar de bevoegdheid en bekwaamheid van de opsporingsambtenaar om een ademanalyseapparaat, a.b.i. artikel 7 Besluit alcoholonderzoeken, te bedienen daarbij mede in aanmerking nemende dat genoemde opsporingsambtenaar overeenkomstig artikel 7 Besluit alcoholonderzoeken was aangewezen. Dat oordeel getuigt volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste opvatting.
Bedreiging met zware mishandeling (SR 2013-0421)
De verdediging klaagt over de motivering van het door het hof bewezenverklaarde bedreigen met zware mishandeling door opzettelijk dreigend met een auto met aanzienlijke snelheid in te rijden op het dienstvoertuig waarin verbalisanten aanwezig waren. De Hoge Raad herhaalt als overweging dat vereist is dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht. Kort gezegd heeft het hof vastgesteld dat de verdachte probeerde te ontsnappen door met een auto door een opening tussen een hekwerk en een politieauto heen te rijden, terwijl die opening redelijkerwijze – ook voor de verachte kenbaar – te klein was, zodat een botsing onvermijdelijk was. Nu deze onvermijdelijkheid duidelijk was voor de inzittenden van de politieauto, is voorts geoordeeld dat bij die inzittenden door deze gedragingen in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij door het handelen van de verdachte zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen bekomen alsmede dat door de verdachte, door toch zijn auto in de richting van de te kleine opening te manoeuvreren, bewust de aanmerkelijke kans is aanvaard dat deze vrees zou ontstaan.
Belediging inspreken in voicemail: ‘in zijn tegenwoordigheid’ als bedoeld in artikel 266 Sr? (SR 2013-0422)
De verdediging klaagt over een te ruime uitleg van het bestanddeel ‘in zijn tegenwoordigheid’ als bedoeld in artikel 266 Sr, bij de bewezenverklaring door het hof van het feit dat opzettelijk beledigend in zijn tegenwoordigheid mondeling is toegevoegd: ‘Vieze kankerhoer’. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof dat onder omstandigheden sprake kan zijn van belediging van iemand ‘in zijn tegenwoordigheid mondeling aangedaan’ indien de beledigde niet in fysieke nabijheid verkeert van degene die beledigt of de beledigde die belediging eerst op later tijdstip verneemt dan dat zij is gedaan, gelet op het doel en de strekking van artikel 266Sr, eerste lid, juist is.
(Voor de beantwoording van de vraag of, opzettelijk spuwen tegen een raam van een auto waarin aangeefster was gezeten, opzettelijke belediging oplevert als bedoeld in artikel 266Sr, zie SR 2013-0423.)
Weinig tijd maar toch up to date blijven?
Volg de online jurisprudentiebespreking Strafrecht, inclusief PO-punten. In één uur tijd en op hoog niveau wordt u door prof. Hans de Doelder of mr. Joost Verbaan bijgepraat over de laatste ontwikkelingen binnen het strafrecht. U kunt daarbij denken aan jurisprudentie, wetsvoorstellen of belangwekkende tijdschriftartikelen.
Datum: 12 december 2013
Tijd: 17:00 tot 18:00 uur
Kosten: € 69 excl. btw (1 PO-punt)
Meer informatie en inschrijven: www.lawatweb.nl
Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar sr-updates@budh.nl.
Met vriendelijke groet,
J.H. J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates
Hoge Raad
- Hoge Raad De termen vernielen, beschadigen en onbruikbaar maken hebben mede feitelijke betekenis. 05-11-2013
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt ECLI:NL:HR:2005:AT3659 en ECLI:NL:HR:1984:AC8252 met betrekking tot de vereisten voor een veroordeling ter zake van bedreiging met zware mishandeling. Het oordeel van het hof geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Conclusie A-G: anders. 05-11-2013
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt relevante overwegingen uit HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963. ’s Hofs oordeel is gelet op hetgeen is vooropgesteld met betrekking tot mogelijke contra-indicaties ontoereikend gemotiveerd. Conclusie A-G: anders. 05-11-2013
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt relevante overwegingen uit HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963. Met zijn oordeel dat verdachte wat betreft de tenlastegelegde poging tot levensberoving planmatig heeft gehandeld, heeft het hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en toereikend gemotiveerd tot uitdrukking gebracht dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. 05-11-2013
- Hoge Raad De voorwaarde waaronder het middel is voorgesteld, is door vernietiging van de beschikking in de zaak met griffienummer 13/01063B vervuld. Nu de Hoge Raad bedoelde beschikking heeft vernietigd op de grond dat het oordeel van de rechtbank dat het beklag gegrond moet worden verklaard niet begrijpelijk is, komt aan de beschikking in onderhavige zaak de grondslag te ontvallen. 05-11-2013
- Hoge Raad In de overwegingen van het hof ligt als zijn oordeel besloten dat de zendstaat Bosnië en Herzegovina uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van de immuniteit van jurisdictie voor strafvervolging van de verdachte in de ontvangende staat. Dat oordeel geeft niet blijk van schending van de weergegeven verdragsbepalingen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, gelet op de inhoud van de ‘Note Verbale’ en is toereikend gemotiveerd. 05-11-2013
- Hoge Raad Aanvraag tot herziening wordt afgewezen. 05-11-2013
- Hoge Raad De aangeefster heeft i.c. de belediging vernomen bij het afluisteren van de voicemail waarop verdachte deze had ingesproken. ’s Hofs oordeel dat onder omstandigheden sprake kan zijn van belediging van iemand ‘in zijn tegenwoordigheid mondeling [aangedaan]’ indien de beledigde niet in de fysieke nabijheid verkeert van degene die beledigt of de beledigde die belediging eerst op een later tijdstip verneemt dan dat zij is gedaan, is, gelet op doel en strekking van artikel 266 lid 1 Sr, juist. 05-11-2013
- Hoge Raad ’s Hofs oordeel dat geen noodzaak bestond nader onderzoek te verrichten naar de bevoegdheid en bekwaamheid van de opsporingsambtenaar om een ademanalyseapparaat als bedoeld in artikel 7 Besluit alcoholonderzoeken te bedienen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het door het hof als bewijsmiddel gebezigde proces-verbaal van ademanalyse inhoudt dat genoemde opsporingsambtenaar, onder wiens leiding het onderzoek plaatsvond, overeenkomstig artikel 7 Besluit alcoholonderzoeken was aangewezen, terwijl door de raadsman van de verdachte slechts is aangevoerd dat twijfelachtig is of deze opsporingsambtenaar de voor het bedienen van het ademanalyseapparaat bestemde cursus heeft doorlopen omdat geen certificaat van bekwaamheid boven tafel is gekomen. 05-11-2013
- Hoge Raad In aanmerking genomen dat van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep geen sprake is, gelet op de datum instellen hoger beroep en de datum uitspraak van het hof heeft het hof bij zijn strafoverwegingen kennelijk tot uitdrukking gebracht dat het, overeenkomstig het verzoek van de raadsman, bij de strafoplegging rekening houdt met de omstandigheid dat de behandeling van het hoger beroep lang op zich heeft laten wachten. 05-11-2013
- Hoge Raad De Hoge Raad ambtshalve: mede gelet op hetgeen de door het hof gebezigde bewijsmiddelen inhouden kan de in de ten laste gelegde en bewezenverklaring omschreven gedraging – het opzettelijk spuwen tegen een raam van de auto waarin aangeefster was gezeten – niet zonder meer worden aangemerkt als ‘belediging’ in de zin van artikel 266 lid 1 Sr. Daaruit volgt dat het hof is uitgegaan van een onjuiste opvatting omtrent de in de tenlastelegging voorkomende termen ‘beledigd’ en ‘beledigend’ en dat het derhalve de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten. De bewezenverklaring is in zoverre ontoereikend gemotiveerd. De Hoge Raad spreekt verdachte om doelmatigheidsredenen vrij van het hem onder 1 ten laste gelegde. 05-11-2013