Update
Geachte heer/mevrouw,
Rechtspraak
De afgelopen week is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs.
Poging doodslag of moord: voor het vaststellen van voorbedachte raad is de enkele omstandigheid, dat niet vast is komen te staan dat niet in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling is gehandeld, niet toereikend (SR 2013-0396)
Het hof overweegt met betrekking tot het met een mes steken in de hals van het slachtoffer – kort samengevat – dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bestaat de verdachte de eerste keer dat hij met zijn mes naar de slachtoffer stak heeft gehandeld met voorbedachte raad. Ten aanzien van de tweede steekbeweging, ongeveer vijftig seconden na het eerste incident, is het hof van oordeel dat wel sprake is van voorbedachte rade, omdat gelet op de tijdspanne de verdachte tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit om nogmaals met een mes te steken en zich rekenschap te geven van de gevolgen van zijn daad. De verdachte heeft voorts gestoken en daaruit volgt het oordeel van het hof dat verdachte niet in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld. De verdediging klaagt dat het handelen met voorbedachte raad ontoereikend is gemotiveerd. De Hoge Raad overweegt daaromtrent dat de afweging van voorbedachte raad bij uitstek een weging en waardering van omstandigheden van het concrete geval door de rechter betreft.
De vaststelling dat voldoende tijd bestond om zich te beraden op een te nemen besluit vormt een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft te rechter er niet van te weerhouden aan contra-indicaties gewicht toe te kennen. Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg van de vaststelling van de aanwezigheid van het bestanddeel dient nadere aandacht in de motivering van de bewezenverklaring te worden gegeven aan dat bestanddeel indien dat niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt. De enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, is in het onderhavige geval niet toereikend om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.
De opvatting dat een klein stukje oplichten van een rok geen fouillering in de zin van artikel 56 Sv oplevert is onjuist (SR 2013-0402)
De verdachte, door het hof veroordeeld voor diefstal van kleding met een waarde van een ruime tweehonderdvijftig euro, klaagt over het niet uitsluiten van het bewijs verkregen uit een in zijn ogen onrechtmatige fouillering. Het hof heeft vastgesteld dat sprake was van voldoende feiten en omstandigheden om te spreken van een verdenking van een strafbaar feit. Het hof benadrukt dat de rok van verdachte slechts een klein stukje is opgelicht en geen fouillering in de zin van artikel 56 Sv oplevert. De Hoge Raad stelt vast dat dat oordeel, op hetgeen uit de bepaling van artikel 56 Sv volgt, onjuist is.
Opportuniteitsbeginsel al dan niet overgaan tot vervolging leent zich in beperkte mate voor een inhoudelijke rechtelijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie (SR 2013-0399)
Het openbaar ministerie klaagt over een niet-ontvankelijk verklaring in de vervolging door het hof. Het hof heeft die beslissing gemotiveerd op grond van het feit dat het delict waarover moest worden besloten, zou zijn begaan tegen een directe collega van de politieparketsecretaris tijdens en in verband met de werkzaamheden van die collega, die daarover moest oordelen. Daaruit vloeit naar het oordeel van het hof voort dat met de uitoefening van de gemandateerde vervolgingsbevoegdheid in dit geval in onvoldoende mate wordt voorkomen dat de schijn van belangenverstrengeling wordt gewekt. Het onder die omstandigheden gebruikmaken van deze bevoegdheid is naar het oordeel van het hof in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, zodat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Hoge Raad geeft aan dat de beslissing om al dan niet over te gaan tot vervolging zich in beperkte mate leent voor een inhoudelijke rechtelijke toetsing. Slechts in uitzonderlijke omstandigheden is plaats voor een niet-ontvankelijk verklaring. Die omstandigheid doet zich voor als de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met de vervolging enig strafrechtelijk handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Indien de rechter tot het oordeel komt dat het openbaar ministerie niet-onvankelijk moet worden verklaard, gelden zware motiveringseisen.
Schuld in de zin van roekeloosheid (artikel 6 en 175 WVW 1994) (SR 2013-0405, zie ook SR 2013-0404 en SR 2013-0407)
Het hof heeft een vonnis van de rechtbank bevestigd en bewezenverklaard dat verdachte zich roekeloos als bedoeld in het bepaalde in artikel 175 tweede lid WVW 1994 heeft gedragen in het verkeer. De verdediging klaagt over het oordeel dat sprake is van schuld in de zin van roekeloosheid. De Hoge Raad stelt voorop dat in cassatie slechts kan worden onderzocht of de schuld aan een verkeersongeval kan worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen. Voor de schuld in roekeloosheid heeft te gelden dat het als ‘zwaarste vorm van het culpose delict’ wordt aangemerkt en dat de hogere strafdreiging die het meebrengt, in de motivering van de bewezenverklaring, nadere aandacht moet worden gegeven. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal immers slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat roekeloosheid in de zin van de wet specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijk samenvalt met de betekenis die in het normale spraakgebruik, in de betekenis van ‘onberaden’, aan het begrip wordt gegeven. De bewijsvoering, die bewijsmiddelen voorziet van nadere motivering, dient recht te doen aan het bijzondere karakter van roekeloosheid.
SR Talk
Graag wijs ik u op de SR Talk-sessie van 31 oktober 2013, waarin de actuele jurisprudentie wordt besproken. Klik hier voor meer informatie.
Weinig tijd maar toch up to date blijven?
Volg de online jurisprudentiebespreking Strafrecht, inclusief PO-punten. In één uur tijd en op hoog niveau wordt u door prof. Hans de Doelder of mr. Joost Verbaan bijgepraat over de laatste ontwikkelingen binnen het strafrecht. U kunt daarbij denken aan jurisprudentie, wetsvoorstellen of belangwekkende tijdschriftartikelen.
Data: 31 oktober en 12 december 2013
Tijd: 17:00 tot 18:00 uur
Kosten: € 69 excl. btw per sessie (1 PO-punt)
Meer informatie en inschrijven: www.lawatweb.nl
Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar sr-updates@budh.nl.
Veel leesplezier.
Met vriendelijke groet,
J.H. J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates
Hoge Raad
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt de toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2012:BU2016. Bij de toetsing in cassatie van beslissingen in concrete gevallen, waarbij de Hoge Raad slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid kan verschaffen omtrent de inhoud van het begrip roekeloosheid, kan een rol spelen of de rechter zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid als bedoeld in artikel 175 lid 2 WVW 1994, heeft voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal immers slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat ‘roekeloosheid’ in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder ‘roekeloos’ – in de betekenis van ‘onberaden’ – wordt verstaan. In het licht van het voorgaande schiet de bewijsvoering van het hof tekort. 15-10-2013
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt de toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2012:BU2016. Bij de toetsing in cassatie van beslissingen in concrete gevallen, waarbij de Hoge Raad slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid kan verschaffen omtrent de inhoud van het begrip roekeloosheid, kan een rol spelen of de rechter zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid als bedoeld in artikel 175 lid 2 WVW 1994, heeft voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal immers slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat ‘roekeloosheid’ in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder ‘roekeloos’ – in de betekenis van ‘onberaden’ – wordt verstaan. In het licht van het voorafgaande schiet de bewijsvoering van het hof tekort. 15-10-2013
- Hoge Raad Samenweefsel van verdichtsels. Slagende bewijsklacht. 15-10-2013
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt toepasselijke overweging uit ECLI:NL:HR:2012:BX4280 met betrekking tot het opportuniteitsbeginsel. Deze overweging geldt ook voor de ex artikel 126 Wet RO door de politieparketsecretaris krachtens mandaat uitgeoefende bevoegdheid. Het hof heeft geoordeeld dat het OM niet in de vervolging kan worden ontvangen omdat met de uitoefening van de aan de politieparketsecretaris gemandateerde vervolgingsbevoegdheid in casu in onvoldoende mate wordt voorkomen dat een schijn van belangenverstrengeling wordt gewekt en dat onder die omstandigheid het gebruik van deze bevoegdheid in strijd is met beginselen van een behoorlijke procesorde. Gelet op ECLI:NL:HR:2012:BX4280, geeft dat oordeel ofwel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, ofwel is het ontoereikend gemotiveerd. 15-10-2013
- Hoge Raad Het oordeel van het hof dat in de vastgestelde omstandigheden ‘het een klein stukje oplichten van de rok’ geen onderzoek aan de kleding als bedoeld in artikel 56 Sv oplevert, is onjuist. 15-10-2013
- Hoge Raad Het oordeel van het hof dat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert omdat verdachte niet op enigerlei wijze is betrokken bij dwang of uitbuiting van de in de bewezenverklaring genoemde vrouwen bij hun werkzaamheden, geeft, mede gelet op de in de conclusie van de A-G weergegeven wetsgeschiedenis, blijk van een te beperkte en dus onjuiste uitleg van artikel 197a (oud) Sr. 15-10-2013
- Hoge Raad Niet is voldaan aan het vereiste van artikel 36b lid 1 sub 3° Sr, nu de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen is bevolen maar de bestreden uitspraak niets inhoudt omtrent de vaststelling van enig strafbaar feit. De Hoge Raad gelast de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte. 15-10-2013
- Hoge Raad Het middel, dat ten betoge strekt dat het hof ten onrechte verstek heeft verleend tegen de niet verschenen verdachte aangezien deze ten tijde van de behandeling van zijn zaak ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde was gedetineerd en hij niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om bij de behandeling aanwezig te zijn, is op de gronden die zijn vermeld in de aanvullende conclusie A-G terecht voorgesteld. 15-10-2013
- Hoge Raad Slagende bewijsklacht opzetheling. 15-10-2013
- Hoge Raad Het hof heeft geoordeeld dat het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel in zijn geheel aan betrokkene moet worden toegerekend. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De enkele omstandigheid dat uit de kwalificatie van hetgeen ten laste van betrokkene in de hoofdzaak is bewezen verklaard volgt dat betrokkene het feit niet alleen heeft gepleegd, noopte het hof niet tot een nadere motivering. Zo een nadere motivering kan onder omstandigheden wel zijn vereist indien, bijvoorbeeld in verband met hetgeen door/namens betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, voldoende aanknopingspunten bestaan voor de aannemelijkheid dat het voordeel over meer daders moet worden verdeeld. 15-10-2013
- Hoge Raad In de onderhavige zaak is niet voldaan aan de eis van artikel 12 aanhef en onder b EUV dat ter staving van het verzoek dient te worden overgelegd een uiteenzetting van de feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht, met zo nauwkeurig mogelijk vermelding van onder meer de tijd en plaats waarop de feiten zijn begaan. De Hoge Raad doet wat de rechtbank had behoren te doen en verklaart de uitlevering in zoverre ontoelaatbaar. 15-10-2013
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt de toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2012:BU2016. Bij de toetsing in cassatie van beslissingen in concrete gevallen, waarbij de Hoge Raad slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid kan verschaffen omtrent de inhoud van het begrip roekeloosheid, kan een rol spelen of de rechter zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid als bedoeld in artikel 175 lid 2 WVW 1994, heeft voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal immers slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat ‘roekeloosheid’ in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder ‘roekeloos’ – in de betekenis van ‘onberaden’ – wordt verstaan. In het licht van het voorgaande schiet de bewijsvoering van het hof tekort. 15-10-2013
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt de toepasselijke overweging met betrekking tot voorbedachte raad uit ECLI:NL:HR:2012:BR2342. De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte daarvan gebruik heeft gemaakt en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de gelegenheid en de overige feitelijke omstandigheden van het geval. 15-10-2013
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt de toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2012:BU2016. Bij de toetsing in cassatie van beslissingen in concrete gevallen, waarbij de Hoge Raad slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid kan verschaffen omtrent de inhoud van het begrip roekeloosheid, kan een rol spelen of de rechter zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid als bedoeld in artikel 175 lid 2 WVW 1994, heeft voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal immers slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat ‘roekeloosheid’ in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder ‘roekeloos’ – in de betekenis van ‘onberaden’ – wordt verstaan. Het hof heeft zijn oordeel dat te dezen sprake is van roekeloosheid voorzien van een motivering als hiervoor bedoeld. Voor zover het middel klaagt dat die motivering tekortschiet, faalt het. 15-10-2013
- Hoge Raad De door het hof aan het bewezenverklaarde gegeven kwalificatie is mede gelet op hetgeen het hof in de bewijsvoering heeft vastgesteld niet te verenigen met de bewezenverklaring. 15-10-2013
- Hoge Raad Tegen de achtergrond van hetgeen in de conclusie A-G is opgemerkt over de totstandkoming van artikel 11 lid 1 onder c van het Verdrag inzake overbrenging van gevonniste personen (VOGP; Trb. 1983, 74), moet worden aangenomen dat bij de oplegging van de in artikel 31 lid 1 WOTS bedoelde straf ook geheel in mindering wordt gebracht de tijd die de veroordeelde – voorafgaand aan zijn uitlevering of overlevering aan en veroordeling in de vreemde staat – in Nederland in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, ingeval aan die voorlopige hechtenis in Nederland en aan de veroordeling in de vreemde staat hetzelfde feitencomplex ten grondslag ligt. Het andersluidende oordeel van de rechtbank is onjuist. In het licht hiervan, en gelet op de omstandigheid dat zowel in de uitspraak van de rechtbank, als in de stukken die betrekking hebben op de vervolging van veroordeelde in Frankrijk, sprake is van strafbare feiten met betrekking tot een op 24 september 2008 in Frankrijk aangetroffen hoeveelheid van 1790 kg cannabis, had de rechtbank moeten doen blijken van een nader onderzoek naar de vraag of aan de door veroordeelde in Nederland doorgebrachte voorlopige hechtenis en aan zijn veroordeling in Frankrijk hetzelfde feitencomplex ten grondslag ligt. 15-10-2013
- Hoge Raad De enkele omstandigheid dat in een overgelegd rapport een aanvullend onderzoek wordt geadviseerd, levert niet een gegeven op als bedoeld in artikel 457 lid 1 aanhef en onder c Sv (vgl. ECLI:NL:HR:2013:CA1203). De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af. 15-10-2013