Naar boven ↑

Update

Nummer 25, 2013
Uitspraken van 10-10-2013 tot 16-10-2013
Redactie: prof. mr. J.S. Nan en mr. C.L. van der Vis.

Geachte heer/mevrouw,

Rechtspraak
De afgelopen week is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs.

Poging doodslag of moord: voor het vaststellen van voorbedachte raad is de enkele omstandigheid, dat niet vast is komen te staan dat niet in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling is gehandeld, niet toereikend (SR 2013-0396)
Het hof overweegt met betrekking tot het met een mes steken in de hals van het slachtoffer – kort samengevat – dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bestaat de verdachte de eerste keer dat hij met zijn mes naar de slachtoffer stak heeft gehandeld met voorbedachte raad. Ten aanzien van de tweede steekbeweging, ongeveer vijftig seconden na het eerste incident, is het hof van oordeel dat wel sprake is van voorbedachte rade, omdat gelet op de tijdspanne de verdachte tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit om nogmaals met een mes te steken en zich rekenschap te geven van de gevolgen van zijn daad. De verdachte heeft voorts gestoken en daaruit volgt het oordeel van het hof dat verdachte niet in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld. De verdediging klaagt dat het handelen met voorbedachte raad ontoereikend is gemotiveerd. De Hoge Raad overweegt daaromtrent dat de afweging van voorbedachte raad bij uitstek een weging en waardering van omstandigheden van het concrete geval door de rechter betreft.
De vaststelling dat voldoende tijd bestond om zich te beraden op een te nemen besluit vormt een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft te rechter er niet van te weerhouden aan contra-indicaties gewicht toe te kennen. Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg van de vaststelling van de aanwezigheid van het bestanddeel dient nadere aandacht in de motivering van de bewezenverklaring te worden gegeven aan dat bestanddeel indien dat niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt. De enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, is in het onderhavige geval niet toereikend om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.

De opvatting dat een klein stukje oplichten van een rok geen fouillering in de zin van artikel 56 Sv oplevert is onjuist (SR 2013-0402)
De verdachte, door het hof veroordeeld voor diefstal van kleding met een waarde van een ruime tweehonderdvijftig euro, klaagt over het niet uitsluiten van het bewijs verkregen uit een in zijn ogen onrechtmatige fouillering. Het hof heeft vastgesteld dat sprake was van voldoende feiten en omstandigheden om te spreken van een verdenking van een strafbaar feit. Het hof benadrukt dat de rok van verdachte slechts een klein stukje is opgelicht en geen fouillering in de zin van artikel 56 Sv oplevert. De Hoge Raad stelt vast dat dat oordeel, op hetgeen uit de bepaling van artikel 56 Sv volgt, onjuist is.

Opportuniteitsbeginsel al dan niet overgaan tot vervolging leent zich in beperkte mate voor een inhoudelijke rechtelijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie (SR 2013-0399)
Het openbaar ministerie klaagt over een niet-ontvankelijk verklaring in de vervolging door het hof. Het hof heeft die beslissing gemotiveerd op grond van het feit dat het delict waarover moest worden besloten, zou zijn begaan tegen een directe collega van de politieparketsecretaris tijdens en in verband met de werkzaamheden van die collega, die daarover moest oordelen. Daaruit vloeit naar het oordeel van het hof voort dat met de uitoefening van de gemandateerde vervolgingsbevoegdheid in dit geval in onvoldoende mate wordt voorkomen dat de schijn van belangenverstrengeling wordt gewekt. Het onder die omstandigheden gebruikmaken van deze bevoegdheid is naar het oordeel van het hof in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, zodat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Hoge Raad geeft aan dat de beslissing om al dan niet over te gaan tot vervolging zich in beperkte mate leent voor een inhoudelijke rechtelijke toetsing. Slechts in uitzonderlijke omstandigheden is plaats voor een niet-ontvankelijk verklaring. Die omstandigheid doet zich voor als de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met de vervolging enig strafrechtelijk handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Indien de rechter tot het oordeel komt dat het openbaar ministerie niet-onvankelijk moet worden verklaard, gelden zware motiveringseisen.

Schuld in de zin van roekeloosheid (artikel 6 en 175 WVW 1994) (SR 2013-0405, zie ook SR 2013-0404 en SR 2013-0407)

Het hof heeft een vonnis van de rechtbank bevestigd en bewezenverklaard dat verdachte zich roekeloos als bedoeld in het bepaalde in artikel 175 tweede lid WVW 1994 heeft gedragen in het verkeer. De verdediging klaagt over het oordeel dat sprake is van schuld in de zin van roekeloosheid. De Hoge Raad stelt voorop dat in cassatie slechts kan worden onderzocht of de schuld aan een verkeersongeval kan worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen. Voor de schuld in roekeloosheid heeft te gelden dat het als ‘zwaarste vorm van het culpose delict’ wordt aangemerkt en dat de hogere strafdreiging die het meebrengt, in de motivering van de bewezenverklaring, nadere aandacht moet worden gegeven. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal immers slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat roekeloosheid in de zin van de wet specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijk samenvalt met de betekenis die in het normale spraakgebruik, in de betekenis van ‘onberaden’, aan het begrip wordt gegeven. De bewijsvoering, die bewijsmiddelen voorziet van nadere motivering, dient recht te doen aan het bijzondere karakter van roekeloosheid.

SR Talk

Graag wijs ik u op de SR Talk-sessie van 31 oktober 2013, waarin de actuele jurisprudentie wordt besproken. Klik hier voor meer informatie.

Weinig tijd maar toch up to date blijven?
Volg de online jurisprudentiebespreking Strafrecht, inclusief PO-punten. In één uur tijd en op hoog niveau wordt u door prof. Hans de Doelder of mr. Joost Verbaan bijgepraat over de laatste ontwikkelingen binnen het strafrecht. U kunt daarbij denken aan jurisprudentie, wetsvoorstellen of belangwekkende tijdschriftartikelen.
Data: 31 oktober en 12 december 2013
Tijd: 17:00 tot 18:00 uur
Kosten: € 69 excl. btw per sessie (1 PO-punt)
Meer informatie en inschrijven: www.lawatweb.nl

Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.

Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar sr-updates@budh.nl.

Veel leesplezier.

Met vriendelijke groet,

J.H. J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates

Hoge Raad