Update
Geachte heer/mevrouw,
Rechtspraak
De afgelopen week zijn er drie zaken verschenen waarop ik u graag wijs.
Cassatie in het belang der wet: duidelijkheid over artikel 14e Sr en het legaliteitsbeginsel (SR-2013-0331)
Het middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 14e Sr in het onderhavige geval buiten toepassing moet blijven wegens strijd met het legaliteitsbeginsel dat is vervat in artikel 1 lid 1 Sr. De reden van het instellen van het middel is dat er in de praktijk onduidelijkheid bestaat over de vraag of het nieuwe artikel 14e Sr kan worden toegepast in geval van bewezenverklaarde feiten die gepleegd zijn vóór 1 april 2012 (de datum van inwerkingtreding). De Hoge Raad geeft hier nu duidelijkheid over. De in artikel 14e Sr vervatte regeling voorziet in de mogelijkheid te bevelen dat de op grond van artikel 14c Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. Toepassing van artikel 14e Sr beïnvloedt dan ook enkel het moment waarop (een deel van) de opgelegde straf ten uitvoer kan worden gelegd. De invoering van deze regeling kan dus niet worden aangemerkt als een wijziging van wetgeving ten aanzien van de strafbaarstelling of de strafbedreiging. Tevens brengt artikel 14e Sr geen wijziging in de aard en de maximale duur van de mogelijk ten uitvoer te leggen straf. Onmiddellijke toepassing van artikel 14e Sr is dan ook niet in strijd met het legaliteitsbeginsel. Het middel klaagt daarover terecht. De Hoge Raad vernietigt in het belang van de wet de bestreden uitspraak.
Van ‘Feitelijk dwingen’ als bedoeld in artikel 242 Sr kan slechts sprake zijn indien verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer die handelingen tegen de wil heeft ondergaan. Van verjaring is geen sprake, de aan de tenlastelegging voorafgaande feiten en omstandigheden mogen worden betrokken bij het bewijs (SR-2013-0325)
Verdachte is veroordeeld voor verkrachting. Bewezen is verklaard dat verdachte psychisch en een uit feitelijk verhoudingen voortvloeiend overwicht op het slachtoffer had en dat verdachte meermalen heeft ingespeeld op de devotie/godvruchtigheid van het slachtoffer. Hierdoor ontstond een ongelijkwaardige situatie en kon het slachtoffer zich niet verzetten tegen de seksuele handelingen. Het middel klaagt over de uitleg van ‘een andere feitelijkheid’ zoals verwoord in artikel 242 Sr, alsmede over de verjaring van het feit. Het hof heeft geoordeeld dat er sprake was van door de verdachte uitgeoefende dwang. Verdachte wakkerde het geloof bij het van huis uit religieus opgevoede slachtoffer aan en liet haar geloven dat het seksueel contact de wil van God was. Het slachtoffer was door verdachte geïndoctrineerd, dit leverde een zodanige psychische druk op dat het voor het slachtoffer moeilijk was om zich aan de bewezenverklaarde handelingen te onttrekken. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent het begrip ‘een andere feitelijkheid’ als bedoeld in artikel 242 Sr. Van verjaring is geen sprake, de feiten en omstandigheden die voorafgaand aan de tenlastegelegde periode hebben plaatsgevonden, hebben bijgedragen aan de dwangsituatie. Die periode mag dus worden betrokken bij het bewijs.
Aanvraag tot herziening: voldoende beschikbaar bewijsmateriaal naast de geuridentificatieproef (SR-2013-0324)
Verdachte is veroordeeld voor diefstal. De aanvraag tot herziening berust op de stelling dat de zaak van de aanvrager destijds niet zou hebben geleid tot een veroordeling indien de rechter bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en de wijze van uitvoering van een in deze zaak uitgevoerde geuridentificatieproef. Nu het bewezenverklaarde ook zonder het resultaat van de geuridentificatieproef uit het beschikbare bewijsmateriaal kan worden afgeleid (op grond van een aangifte en meerdere verklaringen), is er geen sprake van een grondslag voor herziening. Er is immers geen sprake van een ernstig vermoeden dat – mocht de geuridentificatieproef niet meegewogen zijn – vrijspraak van de rechter had gevolgd.
SR Updates Talk 4
Graag wijs ik u op de SR Updates Talk van 12 september 2013, verzorgd door mr. J.H.J. Verbaan, waarin hij de actuele jurisprudentie bespreekt. Klik hier voor meer informatie.
Weinig tijd maar toch up to date blijven?
Volg de online jurisprudentiebespreking Strafrecht, incl. PO-punten.
In één uur tijd en op hoog niveau wordt u elke zes weken door prof. Hans de Doelder of mr. Joost Verbaan bijgepraat over de laatste ontwikkelingen binnen het strafrecht. U kunt daarbij denken aan jurisprudentie, wetsvoorstellen of belangwekkende tijdschriftartikelen.
Data: 12-9; 31-10; 12-12
Tijd: 17:00 tot 18:00 uur
Kosten: € 69 excl. btw per sessie (1 PO-punt)
Meer informatie en inschrijven: www.lawatweb.nl
Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw uitspraak in te zenden.
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief, dan kunt u mailen naar sr-updates@budh.nl.
Veel leesplezier.
Met vriendelijke groet,
B.A. Salverda
Redacteur SR Updates
Hoge Raad
- Hoge Raad Gelet op de overwegingen van de A-G stelt de Hoge Raad zich op het standpunt dat het aangevoerde geen novum behelst en dat de aanvraag ongegrond is. Deze conclusie strekt er dan ook toe dat de aanvraag zal worden afgewezen. 27-08-2013
- Hoge Raad Bij noch krachtens de wet is voorzien in de mogelijkheid om de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen te ontzeggen bij overtreding van artikel 107 lid 1 WVW 1994 (vgl. ECLI:NL:HR:2011:BP4474). 27-08-2013
- Hoge Raad De in artikel 14e Sr vervatte regeling voorziet in de mogelijkheid te bevelen dat de op grond van artikel 14c Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. De invoering van deze regeling kan dus niet worden aangemerkt als een wijziging van wetgeving ten aanzien van de strafbaarstelling of de strafbedreiging. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat toepassing van artikel 14e Sr als zodanig geen wijziging brengt in de aard en de maximale duur van de mogelijk ten uitvoer te leggen straf, kan niet worden gezegd dat een onmiddellijke toepassing van deze bepaling in strijd is met het legaliteitsbeginsel dat is vervat in artikel 1 lid 1 Sr. 27-08-2013
- Hoge Raad Aanvraag tot herziening geurproef. De aanvraag is ongegrond en moet worden afgewezen, omdat het onder 1 en 2 bewezenverklaarde ook zonder het resultaat van de geurindicatieproef uit het beschikbare bewijsmateriaal kon worden afgeleid. 27-08-2013
- Hoge Raad Met zijn oordeel heeft het hof miskend dat het Besluit niet op een fotoconfrontatie als de onderhavige ziet (vgl. ECLI:NL:HR:2010:BK6146, NJ 2010, 105). Daarover klaagt het middel terecht. 27-08-2013
- Hoge Raad Door toepassing te geven aan artikel 57 Sr heeft het hof kennelijk geoordeeld dat er (in ieder geval voor een deel van het gooien en slaan) onderscheid is te maken tussen de geweldshandelingen tegen de agenten en de geweldshandelingen tegen de paarden. Dat is een feitelijk oordeel en het is niet onbegrijpelijk. Voor nadere toetsing van dat oordeel is in cassatie geen ruimte. Het middel faalt derhalve. 27-08-2013
- Hoge Raad In casu is de in artikel 431 lid 1 eerste volzin Sv voorgeschreven termijn van 10 dagen niet in acht genomen. Nu de stukken van het geding iets inhouden waaruit zou kunnen volgen dat de verkorting van de termijn heeft plaatsgevonden met toestemming van verdachte of dat zich een van de in artikel 590 lid 3 Sv genoemde omstandigheden heeft voorgedaan, en blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting verdachte daar niet is verschenen, had het hof het onderzoek ter terechtzitting op grond van artikel 590 lid 3 Sv dienen te schorsen. 27-08-2013
- Hoge Raad Van door een ‘feitelijkheid dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam’ als bedoeld in artikel 242 Sr kan slechts sprake zijn indien verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer die handelingen tegen zijn/haar wil heeft ondergaan. Van door een feitelijkheid dwingen kan sprake zijn indien verdachte opzettelijk een zodanige psychische druk heeft uitgeoefend of het slachtoffer in een zodanige afhankelijkheidssituatie heeft gebracht dat het slachtoffer zich daardoor naar redelijke verwachting niet tegen die handelingen heeft kunnen verzetten, of dat verdachte het slachtoffer heeft gebracht in een zodanige door hem veroorzaakte (bedreigende) situatie dat het slachtoffer zich naar redelijke verwachting niet aan die handelingen heeft kunnen onttrekken. 27-08-2013
- Hoge Raad Het hof heeft kennelijk zijn oordeel dat adres X het GBA-adres van verdachte ten tijde van de betekening van de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep was, gebaseerd op de vermelding van dat adres in de ‘ID-staat SKDB’. Nu de vermelding van adres X in de ID-staat niet juist is, rijst het ernstige vermoeden dat ’s hofs oordeel dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend, op een onjuiste feitelijke grondslag berust. 27-08-2013