Update
Geachte heer/mevrouw,
Bijgaand treft u een nieuwe SR Update aan. Klik hier om de pdf van de website te downloaden.
Rechtspraak
De afgelopen week is een aantal zaken verschenen waarop ik u graag wijs. Enkele andere zaken die deze week zijn gepubliceerd, zullen worden toegelicht in de nieuwsbrief van volgende week.
Faillissement van betrokkene staat niet in de weg aan ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (SR 2013-0305)
Het Hof heeft geoordeeld dat een faillissement niet in de weg staat aan de voortzetting van een procedure tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tegen betrokkene. Een vordering als bedoeld in artikel 36e Sr is een vordering van de officier van justitie die ertoe strekt dat de rechter aan de betrokkene een betalingsverplichting oplegt ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Zo’n vordering is geen vordering als bedoeld in artikel 29 Faillissementswet.
Verandering van beleidsregels van het Openbaar Ministerie inzake transactie- en strafvorderingsbeleid is geen verandering van wetgeving als bedoeld in artikel 1, tweede lid, Sr (SR 2013-0317)
Verdachte is veroordeeld voor het rijden op een motorvoertuig zonder wettelijke aansprakelijkheidsverzekeringmotorrijtuigen, op 13 augustus te Ezinge, gemeente Winsum. Het Hof stelt daarbij vast dat de nieuwe richtlijn, voor zover het de vierde overtreding betreft, in vergelijking tot de afdoening van met ingang van 1 juli 2011 geconstateerde overtredingen van artikel 30 lid 2 WAM, een voor de verdachte minder gunstige regel van sanctierecht is. Artikel 1, tweede lid, Sr bepaalt dat bij verandering van wetgeving de na het tijdstip waarop het feit is begaan de voor de verdachte meest gunstige regel wordt toegepast. Gelet hierop en op hetgeen de Hoge Raad heeft bepaald in het arrest van 12 juni 2011, moet dit onderdeel buiten beschouwing worden gelaten. Het Hof is er blijkbaar van uitgegaan dat onder verandering van wetgeving als bedoeld in het tweede lid van artikel 1 Sr ook wordt bedoeld verandering van beleidsregels. Die opvatting is onjuist.
‘Te Rotterdam’ kan bezwaarlijk ander worden uitgelegd als ‘in de gemeente Rotterdam’ (SR 2013-0309)
Verdachte is door het Hof vrijgesproken van het onder invloed van alcohol besturen van een voertuig. De vrijspraak is gegrond op het feit dat in het proces-verbaal wordt gesproken over binnen de gemeente Rotterdam ter hoogte van Rhoon en in de tenlastelegging over te Rotterdam. De klacht van het openbaar ministerie tegen de vrijspraak slaagt aangezien ‘te Rotterdam’ bezwaarlijk anders kan worden verstaan als ‘in de gemeente Rotterdam’.
De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die ‘in vereniging’ geweld pleegt. Er dient een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld te zijn geleverd. De bijdrage zelf hoeft niet van gewelddadige aard te zijn (SR 2013-0308)
De verdachte die tenlastegelegd is dat hij te Rotterdam openlijk geweld in vereniging heeft gepleegd heeft geklaagd over het oordeel van het Hof dat sprake was van ‘in vereniging’. Het Hof heeft overwogen dat de aangever probeerde het petje van het hoofd van verdachte te halen. Daarop heeft de verdachte aangever vastgepakt en bij zijn hoofd in een armklem gehouden en klappen gegeven. Nadat aangever en verdachte op de grond waren gevallen, heeft verdachte aangever nog meermaals in het gezicht geslagen en hebben andere personen zich met vechtpartij bemoeid en de aangever geschopt, terwijl verdachte aangever vasthield in een armklem. Het Hof acht niet aannemelijk dat verdachte aangever heeft losgelaten toen verdachte en aangever op de grond waren gevallen en zichzelf heeft afgeweerd tegen het door anderen gepleegde geweld. Op het moment dat anderen zich met de vechtpartij bemoeiden, heeft de verdachte het geweld tegen aangever niet gestaakt en evenmin iets gedaan om de geweldssituatie op te heffen noch heeft hij op andere wijze laten blijken dat hij zich distantieerde van het geweld. De Hoge Raad verstaat deze overwegingen zo dat verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld, ongeacht of die bijdrage zelf een wezenlijke bijdrage aan het geweld levert.
SR Poll:
50% was het eens met de stelling: ‘Het voorstel om identiteitsfraude op internet strafbaar te stellen is een vorm van windowdressing.’ 30% was het oneens met de stelling.
De nieuwe stelling luidt: ‘Het verbieden van de uitlevering van Sabir K. aan de Verenigde Staten is een terechte beslissing van het gerechtshof in Den Haag.’ Breng hier uw stem uit.
SR Updates Talk 4
Graag wijs ik u op de SR Updates Talk van 12 september 2013, verzorgd door mr. J.H.J. Verbaan waarin hij de actuele jurisprudentie bespreekt. Klik hier voor meer informatie.
Weinig tijd maar toch up to date blijven?
Volg de online jurisprudentiebespreking Strafrecht, incl. PO-punten.
In één uur tijd en op hoog niveau wordt u elke zes weken door prof. Hans de Doelder of mr. Joost Verbaan bijgepraat over de laatste ontwikkelingen binnen het strafrecht. U kunt daarbij denken aan jurisprudentie, wetsvoorstellen of belangwekkende tijdschriftartikelen.
Data: 12-9; 31-10; 12-12
Tijd: 17:00 tot 18:00 uur
Kosten: € 69 excl. btw per sessie (1 PO-punt)
Meer informatie en inschrijven: www.lawatweb.nl
Inzenden rechtspraak
Steeds vaker ontvangen wij van abonnees unieke rechtspraak. Dank daarvoor! Beschikt u ook over nog niet gepubliceerde rechtspraak, klik dan hier om uw geanonimiseerde uitspraak in te zenden.
Vragen of opmerkingen
Mocht u vragen of opmerkingen hebben over deze nieuwsbrief , dan kunt u mailen naar sr-updates@budh.nl.
Veel leesplezier.
Met vriendelijke groet,
J.H.J. Verbaan
Hoofdredacteur SR Updates
Hoge Raad
- Hoge Raad ’s Hofs oordeel dat zich geen noodzaak tot verdediging heeft voorgedaan is, gelet op het feit dat door de raadsman onder meer is aangevoerd dat de reactie van verdachte volgde op de duw op haar kin, niet zonder meer begrijpelijk. 02-07-2013
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt de relevante overwegingen uit HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BT6251. De bestreden uitspraak bevat geen toereikende vermelding van de bewijsmiddelen waaraan onderdelen van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel zijn ontleend, met weergave van de inhoud daarvan, voor zo ver bevattende voor de schatting redengevende feiten en onderzoek. De bestreden uitspraak is in zoverre ontoereikend gemotiveerd. 02-07-2013
- Hoge Raad Het hof heeft verdachte niet ontvankelijk verklaard in het hoger beroep omdat het beroep niet zou zijn ingesteld op de wijze als bedoeld in HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810. De Hoge Raad herhaalt de in die uitspraak geformuleerde eisen waaraan een schriftelijke volmacht moet voldoen, en de toepasselijke overwegingen uit HR januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8357 met betrekking tot het geval waarin het verzuim om aan die eisen te voldoen, voor gedekt kan worden gehouden. 02-07-2013
- Hoge Raad Het Hof heeft in strijd met artikel 360 lid 1 Sv nagelaten het gebruik van dit bewijsmiddel, voor zo ver inhoudende de verklaring van een onbekend gebleven persoon, nader te motiveren (vgl. HR 11 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1460). De bewezenverklaring is niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Voor zo ver het middel klaagt dat het Hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omdat het bewezenverklaarde geweld in een auto heeft plaatsgevonden en de in artikel 304 Sr voorziene strafverzwaring is beperkt tot huiselijk geweld, faalt het aangezien deze opvatting onjuist is. 02-07-2013
- Hoge Raad Schorsing onderzoek ter terechtzitting teneinde de A-G bij het Hof in de gelegenheid te stellen de ontnemingsvordering ter verificatie in te dienen bij de curator in het faillissement van betrokkene. 02-07-2013
- Hoge Raad Het hof heeft verzuimd uitdrukkelijk aan de gemachtigde raadsman te vragen of het instellen van het hoger beroep overeenkomstig de wens van de verachte was, zodat het Hof niet tot niet ontvankelijkheid had mogen besluiten. 02-07-2013
- Hoge Raad Aangezien uit de motivering niet kan worden afgeleid dat sprake is van meer dan het enkele verwerven en voorhanden hebben van dat geldbedrag doordat de gedragingen van verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geldbedrag, is ’s Hofs oordeel ontoereikend gemotiveerd. 02-07-2013
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR 26 oktober 2010 ECLI:NL:HR:2010:BM4440, HR 2 oktober 2007 ECLI:NL:HR:2007:BA7923, HR 5 september 2006 ECLI:NL:HR:2006:AU6712, HR 8 januari 2013 ECLI:NL:HR:2013:BX6910 en HR 18 juni 2013 ECLI:NL:HR:2013:CA3302. In casu gaat het om het bewezenverklaarde verwerven en voorhanden hebben van een voorwerp - te weten geldbedragen - die afkomstig zijn uit door verdachte zelf begane misdrijven en heeft het Hof geoordeeld dat zulks (gewoonte)witwassen oplevert. Aangezien uit de motivering echter niet kan worden afgeleid dat sprake is van meer dan het enkele verwerven en voorhanden hebben van dat geldbedrag doordat de gedragingen van verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geldbedrag, is ’s Hofs oordeel ontoereikend gemotiveerd. 02-07-2013
- Hoge Raad Ingevolge artikel 575 lid 3 Sv is de veroordeelde in zijn cassatieberoep slechts ontvankelijk na voorafgaande consignatie van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten ter griffie van het gerecht dat de beschikking heeft gegeven, of waartoe de rechter van wie de beschikking afkomstig is, behoort. Bij tussenbeschikking van 9-10-2012 heeft de Hoge Raad veroordeelde in de gelegenheid gesteld om alsnog binnen een termijn van 14 dagen nadat de Griffier van de Rechtbank Utrecht haar daartoe schriftelijk heeft aangemaand, een nader te bepalen bedrag ter griffie van de Rechtbank te consigneren. Binnen de gestelde termijn is geen betaling van veroordeelde ontvangen. De Hoge Raad verklaart veroordeelde niet ontvankelijk in het beroep. 02-07-2013
- Hoge Raad In casu hadden de essentiële onderdelen van de aanzegging van het hoger beroep in de Franse taal dienen te worden vertaald, hetgeen niet is gebeurd. Dit verzuim behoeft niet tot cassatie te leiden nu, door het rechtsgeldig betekend zijn van de appeldagvaarding - waarbij een afschrift van die dagvaarding met daaraan gehecht een in het Frans gestelde vertaling daarvan - is verzonden aan het door verdachte opgegeven adres is Frankrijk, aan de strekking van artikel 409 lid 2 Sv is voldaan (vgl. HR 3 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7417). 02-07-2013
- Hoge Raad De Hoge Raad ambtshalve: uit door de A-G ingewonnen inlichtingen blijkt dat het klaagschrift ter griffie van de Rechtbank is ontvangen, nadat hoger beroep is ingesteld in de strafzaak in het kader waarvan de personenauto in beslag is genomen. Dit betekent dat de Rechtbank op grond van artikel 552a lid 3 Sv niet bevoegd was tot kennisneming van het klaagschrift. 02-07-2013
- Hoge Raad Checkpoint-zaak; De Hoge Raad herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280, HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5002. ’s Hofs overwegingen kunnen het oordeel dat schending van het vertrouwensbeginsel en schending van het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging ertoe moet voeren dat het OM in de vervolging van verdachte niet ontvankelijk moet worden verklaard, niet dragen. Indien die overwegingen aldus moeten worden begrepen dat daarin tot uitdrukking is gebracht dat verdachte aan het uitblijven van bestuursrechtelijke en strafvorderlijke maatregelen ter beëindiging van die overtredingen het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat hij ter zake van de in strijd met de gedoogvoorwaarden begane misdrijven tegen de Ow niet zou worden vervolgd, heeft het Hof miskend dat zulk uitblijven van handhavend optreden niet op één lijn kan worden gesteld met een door het OM gedane, of aan het OM toe te rekenen, uitlating die bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd. 02-07-2013
- Hoge Raad De Hoge Raad stelt voorop dat op de gronden vermeld in HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW2489, moet worden aangenomen dat het thans geldende artikel 26 lid 1 UW niet eraan in de weg staat dat de Rechtbank de oproeping van getuigen of deskundigen kan gelasten, niet alleen met het oog op de vaststelling van de identiteit van de opgeëiste persoon, maar ook indien zij zulks noodzakelijk acht in het kader van haar onderzoek van de ontvankelijkheid van het uitleveringsverzoek en de mogelijkheid van inwilliging daarvan. 02-07-2013
- Hoge Raad Dat nadien de dagvaarding ook is betekend aan de Griffier van de Rechtbank omdat 'van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is' maakt niet dat aan de eerdere betekening moet worden voorbijgegaan. Het middel kan dus bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. 02-07-2013
- Hoge Raad Aangenomen dat het Hof in zijn overweging 'dat verdachte enkele maanden voorafgaand aan dit feit een soortgelijk feit had gepleegd zodat dit feit niet op zichzelf staat', tot uitdrukking heeft willen brengen dat verdachte terzake van dat eerdere feit onherroepelijk is veroordeeld, is die overweging niet begrijpelijk aangezien de dat feit betreffende strafzaak in cassatie aanhangig is onder nummer 11/05039 en de veroordeling ter zake van dat feit dus nog niet onherroepelijk is. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld. Verdachte mist echter belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak aangezien in die zaak bij arrest van heden verdachte in zijn cassatieberoep niet ontvankelijk wordt verklaard en de veroordeling ter zake van dat feit daardoor onherroepelijk wordt. 02-07-2013
- Hoge Raad In het kader van een beklagprocedure dient de vraag of ten tijden van de inbeslagneming jegens de klager een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit bestond, beoordeeld te worden met het oog op beantwoording van de vraag of een belang van strafvordering aanwezig is voor het voortduren van het beslag. Het onderzoek in raadkamer strekt zich niet uit tot de vraag of bewezen kan worden dat klager het strafbare feit heeft gepleegd. 02-07-2013
- Hoge Raad De Hoge Raad herhaalt relevante overwegingen uit HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4007 en HR 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7077. ’s Hofs oordeel dat de schade die de benadeelde partij heeft gevorderd is aan te merken als rechtstreekse schade die zij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte heeft geleden is niet onbegrijpelijk, terwijl het, mede in aanmerking genomen hetgeen namens verdachte omtrent de vordering benadeelde partij is aangevoerd, geen nadere motivering behoefde. 02-07-2013
- Hoge Raad ’s Hofs opvatting dat onder 'verandering in de wetgeving' zoals bedoeld in artikel 1 lid 2 Sr ook kan worden verstaan een verandering in beleidsregels van het OM inzake het transactie-en strafvorderingsbeleid is onjuist. Evenzeer onjuist is ’s Hofs oordeel dat de door het Hof omschreven, op 1 januari 2012 in werking getreden Richtlijn een verandering in regels van sanctierecht inhoudt (vgl. HR 5 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3257). 02-07-2013
- Hoge Raad In het kader van een beklagprocedure dient de vraag of ten tijden van de aanhouding en doorzoeking jegens de klager een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit bestond, beoordeeld te worden met het oog op beantwoording van de vraag of een belang van strafvordering aanwezig is voor het voortduren van het beslag. 02-07-2013
- Hoge Raad Blijkens de wetsgeschiedenis, zoals weergegeven in HR 11 november 2003, LJN AL6209, is van het 'in vereniging' plegen van geweld sprake indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is dus niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die 'in vereniging' geweld pleegt. 02-07-2013
- Hoge Raad Het middel klaagt terecht dat het Hof het voorgaande heeft miskend, nu uit het proces verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat verdachte en de raadsman op die terechtzitting zijn verschenen en het aldaar verhandelde bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan dat aan de verlening van de (onvolkomen) volmacht de wens van verdachte ten grondslag lag om (op rechtsgeldige wijze) hoger beroep te doen instellen. 02-07-2013
- Hoge Raad Het hof is bij zijn beraadslaging en beslissing uitgegaan van een onjuiste uitleg van de tenlastelegging ten aanzien van de plaats. 02-07-2013